<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:06:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6529</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/2402 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1996, 510 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 83</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-28T13:19:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529 Centrale Raad van Beroep , 24-09-1996 / 95/2402 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bindendheid van overwegingen ten overvloede.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>E N K E L V O U D I G E  K A M E R</para>
  <para />
  <para />
  <para>95/2402 AAW</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [appellante], wonende te [woonplaats],</para>
    <para>appellante,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging,</para>
    <para>gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens appellante is mr J.G.L.M. Schiffeleers, advocaat te</para>
    <para>Oosterhout, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger</para>
    <para>beroep gekomen van een door de rechtbank te Maastricht onder</para>
    <para>dagtekening 7 februari 1995 tussen partijen gegeven uitspraak,</para>
    <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
    <para>27 augustus 1996, waar voor appellante is verschenen</para>
    <para>mr Schiffeleers voornoemd, terwijl gedaagde - zoals</para>
    <para>tevoren bericht - niet is verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante heeft op 6 juli 1988 een aanvraag gedaan voor een</para>
    <para>uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</para>
    <para>(AAW). Zij heeft daarbij aangegeven sedert 1977 geheel</para>
    <para>arbeidsongeschikt te zijn.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij beslissing van 16 februari 1990 heeft gedaagde met</para>
    <para>toepassing van artikel 25, tweede lid, eerste volzin van de</para>
    <para>AAW aan appellante met ingang van 6 juli 1987 - zijnde een jaar</para>
    <para>vóór de datum van de aanvraag van 6 juli 1988 - uitkering</para>
    <para>ingevolge de AAW toegekend. Daarbij heeft gedaagde zich op het</para>
    <para>standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval</para>
    <para>als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 21 februari 1992 heeft de Voorzitter van</para>
    <para>de Raad van Beroep te Roermond het tegen deze beslissing</para>
    <para>ingestelde beroep gegrond verklaard, die beslissing vernietigd</para>
    <para>voor zover het betreft de toepassing van artikel 25 lid 2 AAW</para>
    <para>en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt met</para>
    <para>inachtneming van het gestelde in die beschikking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Gedaagde heeft tegen deze beschikking verzet aangetekend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens heeft de rechtbank te Roermond bij uitspraak van 12</para>
    <para>mei 1993 appellantes beroep tegen de beslissing van 16</para>
    <para>februari 1990 gegrond verklaard voor zover het gericht is</para>
    <para>tegen de ingangsdatum van de AAW-uitkering, die beslissing in</para>
    <para>zoverre vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuwe</para>
    <para>beslissing neemt omtrent appellantes aanspraken ingevolge de</para>
    <para>AAW met inachtneming van hetgeen in rubriek II is overwogen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In rubriek II van genoemde uitspraak is onder meer het</para>
    <para>volgende overwogen:</para>
    <para>"Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat een</para>
    <para>beslissing waarbij wel zou zijn uitgegaan van een</para>
    <para>bijzonder geval en tevens zou zijn besloten geen</para>
    <para>gebruik te maken van de bevoegdheid de uitkering</para>
    <para>eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van</para>
    <para>de aanvraag de rechterlijke toets niet zou hebben</para>
    <para>kunnen doorstaan. Daartoe verwijst de rechtbank naar</para>
    <para>de uitspraak van 18 november 1992 in de zaak nr.</para>
    <para>AAW/WAO 92/3464, welke in afschrift aan deze uitspraak</para>
    <para>is gehecht, waarin de rechtbank in een soortgelijke</para>
    <para>kwestie als hier aan de orde heeft overwogen,</para>
    <para>dat de daarin aan de orde zijnde beslissing</para>
    <para>niet in stand gelaten kan worden omdat deze strijdig</para>
    <para>is met artikel 4 van de derde richtlijn, terwijl de</para>
    <para>betrokken vrouw tot de personenkring van de derde</para>
    <para>richtlijn behoort, zodat zij vanaf 23 december 1984</para>
    <para>die richtlijn rechtstreeks kan inroepen en de bedrijfsvereniging</para>
    <para>derhalve - mede gezien het bepaalde</para>
    <para>in het Emmott-arrest van het Hof van Justitie van de</para>
    <para>Europese Gemeenschappen (het Hof) van 25 juli 1991</para>
    <para>(AB 1992/1) in redelijkheid niet kon weigeren om,</para>
    <para>met gebruikmaking van zijn bevoegdheid ex artikel</para>
    <para>25, tweede lid AAW, een AAW-uitkering toe te kennen</para>
    <para>ingaande 23 december 1984 (als gevolg van een kennelijke</para>
    <para>verschrijving staat in die uitspraak van</para>
    <para>1 december 1992 in plaats van laatstbedoelde</para>
    <para>ingangsdatum van 23 december 1984 per abuis vermeld</para>
    <para>24 december 1984).</para>
    <para>In deze zaak handelt het echter om een vrouw die</para>
    <para>niet tot de personenkring van de derde richtlijn</para>
    <para>gerekend kan worden.</para>
    <para>Op grond van de thans voorhanden gegevens houdt de</para>
    <para>rechtbank het er namelijk voor dat klaagster sedert</para>
    <para>1966 niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen</para>
    <para>en eerst per 1 januari 1977 arbeidsongeschikt</para>
    <para>wordt geacht. Zulks betekent niet, dat daarom de</para>
    <para>uitkomst van het rechterlijk oordeel in deze zaak</para>
    <para>een andere zou zijn dan die welke is gegeven in de</para>
    <para>hierboven genoemde zaak.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft aanvankelijk tegen deze uitspraak hoger beroep</para>
    <para>ingesteld, doch dit later ingetrokken. Appellante heeft geen</para>
    <para>hoger beroep aangetekend tegen die uitspraak.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans</para>
    <para>bestreden besluit van 16 februari 1994 aan appellante</para>
    <para>uitgereikt, blijkens welk besluit gedaagde van oordeel is dat</para>
    <para>in het geval van appellante weliswaar sprake is van een</para>
    <para>bijzonder geval als omschreven in artikel 25, tweede lid</para>
    <para>laatste volzin van de AAW, maar gelet op de omstandigheden van</para>
    <para>het geval getoetst aan het door het gedaagde gevoerde beleid</para>
    <para>geen redenen aanwezig acht om gebruik te maken van zijn</para>
    <para>bevoegdheid de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar</para>
    <para>voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan</para>
    <para>houden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank,</para>
    <para>bevestigend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting</para>
    <para>stelt appellante zich op het standpunt dat het gedaagde op</para>
    <para>grond van de hiervoor genoemde en deels weergegeven uitspraak</para>
    <para>van de rechtbank te Roermond van 12 mei 1993 niet meer vrij</para>
    <para>stond om bij de in die uitspraak door de rechtbank opgedragen</para>
    <para>nieuw te nemen beslissing af te wijken van hetgeen de</para>
    <para>rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de AAW-uitkering</para>
    <para>in die uitspraak had overwogen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante bestrijdt niet dat het hier overwegingen betreft</para>
    <para>welke door de rechtbank geheel ten overvloede zijn gegeven,</para>
    <para>maar stelt dat gedaagde desalniettemin aan deze overwegingen</para>
    <para>gebonden is omdat deze overwegingen de vernietiging van de</para>
    <para>bestreden beslissing van 16 februari 1990 zelfstandig dragen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens appellante zijn voor het overige geen grieven</para>
    <para>aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. De Raad zal zich</para>
    <para>beperken tot het zojuist genoemde punt van geschil.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad stelt vast dat de uitspraak van de rechtbank te</para>
    <para>Roermond van 22 mei 1993 in kracht van gewijsde is gegaan,</para>
    <para>aangezien appellante tegen die uitspraak geen hoger beroep</para>
    <para>heeft aangetekend en gedaagde het tegen die uitspraak</para>
    <para>ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep</para>
    <para>naar voren is gebracht en ter zitting van de Raad nader is</para>
    <para>toegelicht overweegt de Raad dat hij appellantes standpunt in</para>
    <para>zoverre kan onderschrijven dat het enkele feit dat de</para>
    <para>rechtbank aangeeft de hiervoor gedeeltelijk weergegeven</para>
    <para>overwegingen geheel ten overvloede te geven, op zichzelf niet</para>
    <para>betekent dat deze overwegingen partijen niet zouden kunnen</para>
    <para>binden. De Raad heeft dienovereenkomstig al eerder overwogen</para>
    <para>in zijn uitspraak van 15 november 1994, WW 1992/441.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellantes standpunt dat de bedoelde overwegingen de</para>
    <para>vernietiging van de beslissing van 16 februari 1990</para>
    <para>zelfstandig dragen, deelt de Raad echter niet. Bij zijn in dat</para>
    <para>geding voorliggende beslissing had gedaagde zich op het</para>
    <para>standpunt gesteld dat in het geval van appellante geen sprake</para>
    <para>was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, tweede</para>
    <para>lid laatste volzin, en zich derhalve niet bevoegd geacht de</para>
    <para>uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar vóór de</para>
    <para>aanvraagdatum. In haar uitspraak van 22 mei 1993 is de</para>
    <para>rechtbank tot het oordeel gekomen dat wel sprake is van een</para>
    <para>bijzonder geval als hier bedoeld, zodat gedaagde zal dienen te</para>
    <para>beslissen omtrent de wijze waarop hij gebruik maakt van de hem</para>
    <para>toekomende bevoegdheid de uitkering van appellante eerder te</para>
    <para>doen ingaan dan één jaar voor de datum van de aanvraag. Van</para>
    <para>een overweging ten aanzien van die te nemen beslissing kan</para>
    <para>niet worden gezegd dat deze (mede) de vernietiging van de</para>
    <para>beslissing draagt, nog daargelaten dat een dergelijke</para>
    <para>overweging buiten de omvang van het geding gaat en reeds</para>
    <para>daarom slechts het karakter van een overweging ten overvloede</para>
    <para>kan hebben. Die overweging kan partijen dan ook niet binden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is daarom van oordeel dat het gedaagde bij een nieuw</para>
    <para>te nemen besluit omtrent appellantes aanspraken op AAW-uitkering</para>
    <para>vrij stond om bij de gebruikmaking van de hem</para>
    <para>toekomende discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel</para>
    <para>25, tweede lid laatste volzin van de AAW af te wijken van</para>
    <para>hetgeen de rechtbank te Roermond in de gewraakte overwegingen</para>
    <para>daaromtrent heeft overwogen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan</para>
    <para>slagen, zodat moet worden beslist als hierna onder III is</para>
    <para>weergegeven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
    <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
    <para>bestuursrecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr M.M. van der Kade in tegenwoordigheid</para>
    <para>van mr A.W.M. van Bommel als griffier, en uitgesproken in het</para>
    <para>openbaar op 24 september 1996.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) M.M. van der Kade.</para>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>HD/RH</para>
    <para>06.09</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>