<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:45:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6510</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/987 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001950&amp;artikel=6&amp;g=1996-12-05">Algemeen Rijksambtenarenreglement 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1997/24</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510 Centrale Raad van Beroep , 05-12-1996 / 95/987 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Algemeen beginsel; opgewekt vertrouwen; rechtsbeginsel; rechtszekerheid; verrekening / terugvordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/987 AW                      O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Buitenlands Zaken, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>(met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen</para>
      <para>de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 5</para>
      <para>april 1995, onder nr. AWB 94/4416 AW, gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 11 april 1996, waar</para>
      <para>appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr T.A.M. Visser,</para>
      <para>advocaat te 's-Gravenhage, en waar gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr G.D. Aiken, werkzaam bij het</para>
      <para>ministerie van Buitenlandse Zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na behandeling van het geding ter zitting van 11 april 1996</para>
      <para>heeft de Raad het onderzoek heropend en gedaagde verzocht</para>
      <para>nadere inlichtingen te verschaffen en nadere stukken in te</para>
      <para>zenden.</para>
      <para>Gedaagde heeft hierop gereageerd bij brief van 5 september</para>
      <para>1996 (met bijlagen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van 31 oktober</para>
      <para>1996, waar appellant is verschenen bij mr Visser voornoemd en</para>
      <para>gedaagde bij mr Aiken voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is sinds 1 januari 1988 op grond van tijdelijke</para>
      <para>aanstellingen bij gedaagdes ministerie werkzaam geweest als</para>
      <para>medewerker [naam afdeling] ten behoeve van de Stichting</para>
      <para>Nederlandse Vrijwilligers (SNV). Na diverse verlengingen van</para>
      <para>zijn tijdelijke aanstellingen is hem bij brief van 15 januari</para>
      <para>1990 meegedeeld dat zijn aanstelling na 31 januari 1990 niet</para>
      <para>meer zou worden verlengd en dat derhalve het dienstverband per</para>
      <para>1 februari 1990 zou zijn beëindigd. Appellant heeft zijn</para>
      <para>werkzaamheden bij SNV met ingang van 1 februari 1990</para>
      <para>voortgezet via uitzendbureau Content.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen de beëindiging</para>
      <para>van het dienstverband heeft de Commissie van Beroep van het</para>
      <para>ministerie van Buitenlandse Zaken geadviseerd het besluit van</para>
      <para>15 januari 1990 nietig te verklaren wegens strijd met artikel</para>
      <para>6, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voor</para>
      <para>zover dat besluit inhoudt een weigering om appellant in vaste</para>
      <para>dienst te benoemen.</para>
      <para>Gedaagde heeft conform dit advies appellant alsnog bij besluit</para>
      <para>van 21 november 1991 met ingang van 1 februari 1990 aangesteld</para>
      <para>in vaste dienst, onder handhaving van zijn plaatsing bij SNV.</para>
      <para>Bij memorandum van 26 november 1991 is door de Hoofddirecteur</para>
      <para>Dienst Buitenlandse Zaken/bureau Arbeidsverhoudingen en</para>
      <para>Beleidsprojecten (HDBZ/AB) aan het bureau Personeels- en</para>
      <para>Salarisadministratie (HDBZ/PI) verzocht zorg te dragen voor de</para>
      <para>uitvoering van dit aanstellingsbesluit.</para>
      <para>In het kader van die uitvoering heeft het hoofd van de sectie</para>
      <para>bestandsbeheer van het bureau HDBZ/PI, F. Eckhardt, opdracht</para>
      <para>gegeven tot nabetaling van appellants salaris over de periode</para>
      <para>1 februari 1990 tot 1 december 1991; in december 1991 is aan</para>
      <para>appellant een bedrag van f. 54.888,37 overgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 maart 1993 heeft gedaagde appellant</para>
      <para>meegedeeld dat was nagelaten op die nabetaling de in de</para>
      <para>periode 1 februari 1990 tot 1 december 1991 via het</para>
      <para>uitzendbureau genoten inkomsten in mindering te brengen. Omdat</para>
      <para>appellant naar gedaagdes mening wist dan wel had kunnen weten</para>
      <para>dat hij teveel aan nabetaald salaris had ontvangen, heeft</para>
      <para>gedaagde besloten het teveel betaalde alsnog terug te</para>
      <para>vorderen, waarbij eventuele voor appellant negatieve fiscale</para>
      <para>aspecten voor rekening van gedaagde zouden komen. Aan</para>
      <para>appellant is verzocht een opgave te verstrekken van het door</para>
      <para>het uitzendbureau in bedoelde periode uitbetaalde loon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellants tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is,</para>
      <para>conform het advies van de Commissie van Bezwaar Dienst</para>
      <para>Buitenlandse Zaken (de Commissie DBZ), bij het bestreden</para>
      <para>besluit ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 5 april</para>
      <para>1995 heeft de rechtbank het tegen dat besluit ingestelde</para>
      <para>beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad staat thans voor de beantwoording van de vraag of de</para>
      <para>rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit</para>
      <para>in rechte stand kon houden. Hij overweegt daartoe het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de</para>
      <para>uitspraak van 25 februari 1988, AW 1986/316-318, TAR 1988, nr.</para>
      <para>96) geldt dat bij een vernietiging van een ontslagbesluit de</para>
      <para>rechtsgevolgen van dat besluit zoveel mogelijk ongedaan moeten</para>
      <para>worden gemaakt, met dien verstande dat de vernietiging niet</para>
      <para>als gevolg behoeft te hebben dat de ambtenaar in een gunstiger</para>
      <para>positie komt te verkeren. Dit houdt in dat in zodanige</para>
      <para>situatie de ambtenaar in beginsel recht heeft op de betaling</para>
      <para>van zijn volle bezoldiging vanaf de ontslagdatum, maar dat</para>
      <para>inkomsten uit arbeid, verworven na het vernietigde ontslag, op</para>
      <para>deze bezoldiging in mindering gebracht mogen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant ontkent niet dat gedaagde de bevoegdheid tot</para>
      <para>zodanige verrekening in het algemeen toekomt, maar is van</para>
      <para>mening dat - gelet op alle feiten en omstandigheden - in het</para>
      <para>onderhavige geval ten onrechte alsnog van die bevoegdheid</para>
      <para>gebruik is gemaakt. Daartoe is - kort weergegeven - aangevoerd</para>
      <para>dat</para>
      <para>- gedaagde wist dat appellant na zijn ontslag zijn werkzaamheden</para>
      <para>bij SNV heeft voortgezet via het uitzendbureau en</para>
      <para>desalniettemin geen opdracht tot verrekening heeft gegeven;</para>
      <para>- appellant na gedaagdes besluit van 21 november 1991</para>
      <para>inhoudende het alsnog verlenen van de vaste aanstelling</para>
      <para>het toenmalige hoofd van de sectie bestandsbeheer, F.</para>
      <para>Eckhardt, heeft bezocht. Deze heeft appellant meegedeeld dat</para>
      <para>geen verrekening zou plaatsvinden omdat appellant in de</para>
      <para>betreffende periode geen uitkering van het ministerie van</para>
      <para>Binnenlandse Zaken maar inkomsten uit arbeid genoot;</para>
      <para>- na deze informatie van Eckhardt in december 1991 het salaris</para>
      <para>onverkort is nabetaald;</para>
      <para>- appellant, gelet op die informatie en het feit dat gedaagde</para>
      <para>tot maart 1993 heeft gewacht alvorens alsnog te besluiten tot</para>
      <para>verrekening, er op kon en mocht vertrouwen dat gedaagde van</para>
      <para>zijn bevoegdheid tot verrekenen geen gebruik (meer) zou maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat het</para>
      <para>zelfstandig verrichten van salarisbetalingen behoorde tot de</para>
      <para>taak van Eckhardt en dat deze blijkens zijn</para>
      <para>functiebeschrijving bevoegd was betalingsopdrachten te</para>
      <para>autoriseren en dat hij bij het opdracht geven tot de</para>
      <para>salarisnabetaling aan appellant meteen had dienen over te gaan</para>
      <para>tot verrekening van de genoten inkomsten uit arbeid. Eckhardt</para>
      <para>heeft dit echter verzuimd 'omdat hij niet wist dat hij dit kon</para>
      <para>en moest doen'. Van de zijde van gedaagde is voorts bevestigd</para>
      <para>dat Eckhardt - gelet op zijn functie en plaats in de</para>
      <para>organisatie -  bevoegd was tot het verrichten van de</para>
      <para>betreffende salarisnabetaling en verrekening daarvan met de</para>
      <para>genoten inkomsten en eveneens bevoegd was daaromtrent de</para>
      <para>nodige informatie aan appellant te verschaffen.</para>
      <para>Gedaagde stelt zich echter op het standpunt dat appellant had</para>
      <para>moeten en kunnen begrijpen dat Eckhardt zich vergiste toen hij</para>
      <para>mededeelde dat in appellants geval geen verrekening behoefde</para>
      <para>plaats te vinden en dat hij elders nadere informatie had</para>
      <para>moeten vragen. Desgevraagd heeft gedaagdes gemachtigde</para>
      <para>verklaard dat terzake geen richtlijnen of afspraken bestonden</para>
      <para>op grond waarvan Eckhardt en/of appellant hadden moeten of</para>
      <para>kunnen weten dat de gegeven informatie niet juist was en dat</para>
      <para>hij nadere informatie elders had moeten vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het verslag van de hoorzitting op 1 februari 1994 van de</para>
      <para>Commissie DBZ blijkt dat Eckhardt ervan uitging dat slechts</para>
      <para>relevant was of appellant een uitkering van het ministerie van</para>
      <para>Binnenlandse Zaken ontving; inkomsten uit arbeid,</para>
      <para>onverschillig of deze inkomsten afkomstig waren uit arbeid</para>
      <para>voor een particulier bedrijf of bijvoorbeeld voor een ander</para>
      <para>ministerie, kwamen niet voor verrekening in aanmerking. Uit de</para>
      <para>diverse gedingstukken en behandelingen ter zitting blijkt dat</para>
      <para>Eckhardt dit duidelijk en ondubbelzinnig aan appellant heeft</para>
      <para>meegedeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de even weergegeven feiten en</para>
      <para>omstandigheden van dit geval slechts de conclusie toelaten dat</para>
      <para>vanwege het bevoegd gezag zodanig duidelijke en</para>
      <para>ondubbelzinnige uitlatingen zijn gedaan aan appellant, dat</para>
      <para>daardoor bij hem de in rechte te honoreren verwachting is</para>
      <para>gewekt dat de salarisnabetaling juist was en dat hij er</para>
      <para>redelijkerwijs van uit mocht gaan dat het hem kort na die</para>
      <para>uitlatingen betaalde bedrag later niet zou worden</para>
      <para>teruggevorderd. Gegeven de positie en bevoegdheden van</para>
      <para>meergenoemde Eckhardt en gelet op de stelligheid en de aard</para>
      <para>van diens uitlatingen moet naar 's Raads oordeel gezegd worden</para>
      <para>dat evenbedoeld vertrouwen van appellant op goede gronden</para>
      <para>berustte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit dat de terzake bevoegde ambtenaar, Eckhardt, zich</para>
      <para>naar de mening van gedaagde heeft vergist, dient onder de</para>
      <para>weergegeven omstandigheden voor rekening van gedaagde te</para>
      <para>komen. De Raad vraagt zich daarbij overigens af of tot die</para>
      <para>vergissing wellicht heeft bijgedragen de rondzendbrief van de</para>
      <para>Minister van Binnenlandse Zaken van 28 augustus 1963, nr. AB</para>
      <para>63/U 2197, aan de Ministers, betreffende verrekening van na</para>
      <para>een nietig verklaard ontslag verschuldigde bezoldiging met</para>
      <para>door de ontslagen ambtenaar uit arbeid elders verworven</para>
      <para>inkomsten, blijkens welke brief door de Ministerraad (ter</para>
      <para>voorkoming van een inbreuk op het principe van een gelijke</para>
      <para>rechtsbedeling) is besloten dat in voorkomende gevallen</para>
      <para>verrekening achterwege dient te blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, gelet op al het vorenoverwogene, van oordeel dat</para>
      <para>het bestreden besluit wegens strijd met het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet in</para>
      <para>stand kan blijven; hij ziet voorts aanleiding gedaagdes</para>
      <para>primaire besluit van 16 maart 1993 waaraan diezelfde gebreken</para>
      <para>kleefden, te vernietigen. De aangevallen uitspraak kan</para>
      <para>mitsdien evenmin in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht op grond van het vorenstaande termen aanwezig om</para>
      <para>toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht en gedaagde te veroordelen in de proceskosten</para>
      <para>van appellant, in eerste aanleg begroot op f. 1.420,-  en in</para>
      <para>hoger beroep op f. 1.775,- wegens verleende juridische</para>
      <para>bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt gedaagdes besluiten van 26 mei 1994 en 16 maart</para>
      <para>1993;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding in eerste</para>
      <para>aanleg (f. 1.420,-) en in hoger beroep</para>
      <para>(f. 1.775,-) aan de zijde van appellant gevallen, ten bedrage</para>
      <para>van f. 3.195,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellant in</para>
      <para>eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ad f.</para>
      <para>350,- aan hem vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr</para>
      <para>H.A.A.G. Vermeulen en mr Ch. de Vrey als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 5 december 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
      <para>HD</para>
      <para>04.12</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>