<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T23:19:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6422</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0676</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Premie 92/119</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=4&amp;g=1996-10-17">Coördinatiewet Sociale Verzekering 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=6&amp;g=1996-10-17">Coördinatiewet Sociale Verzekering 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 39</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6422">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6422 Centrale Raad van Beroep , 17-10-1996 / Premie 92/119</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6422:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6422:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>Premie 1992/119</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>O.</para>
      <para>U I T S P R A A K</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Muijs en de Winter Bouwbedrijf B.V., gevestigd te</para>
      <para>Rotterdam, eiseres,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 5 oktober 1990 heeft gedaagde aan</para>
      <para>eiseres kennis gegeven van de beslissing dat het premieplichtig</para>
      <para>loon over de jaren 1982 en 1983 wordt verhoogd</para>
      <para>en dat in totaal voor een bedrag van f 176.394,63 aanvullende</para>
      <para>premies worden vastgesteld voor de Ziekenfondswet,</para>
      <para>de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toenmalige Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 15 mei 1992 het namens eiseres tegen die</para>
      <para>beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is bij gemachtigde mr E. van Waaijen, belastingadviseur</para>
      <para>bij Coopers &amp; Lybrand Belastingadviseurs te</para>
      <para>Amsterdam, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. In het beroepschrift van 11 juni 1992 heeft</para>
      <para>mr Van Waaijen de Raad verzocht om uitstel van motivering</para>
      <para>van het beroepschrift tot na het arrest van de Hoge Raad</para>
      <para>in een door haar aanhangig gemaakte cassatieprocedure</para>
      <para>tegen een uitspraak van deze Raad van 26 juni 1991, in</para>
      <para>het geding Premie 1990/147.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 december 1995 is de gemachtigde door de Raad uitgenodigd</para>
      <para>om de gronden van het beroep kenbaar te maken,</para>
      <para>waaraan de gemachtigde bij brief van 9 januari 1996</para>
      <para>gevolg heeft gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij brief van 1 maart 1996 een verweerschrift</para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres heeft mr Van Waaijen, voornoemd, bij brief</para>
      <para>van 24 mei 1996 op dit verweerschrift gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 30 augustus 1996 heeft mr Van Waaijen haar</para>
      <para>pleitnotitie aan de Raad toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad,</para>
      <para>gehouden op 5 september 1996, waar eiseres zich heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door mr Van Waaijen, voornoemd, en</para>
      <para>waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde drs N. Ridder,</para>
      <para>werkzaam bij SFB uitvoeringsorganisatie Sociale</para>
      <para>Verzekering N.V..</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) in werking getreden en de Beroepswet</para>
      <para>gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van</para>
      <para>overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige</para>
      <para>hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
      <para>procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens</para>
      <para>wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van</para>
      <para>proceskosten als geregeld in artikel 8:75 en artikel</para>
      <para>8:75a van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens het aanvullend beroepschrift worden partijen,</para>
      <para>ten aanzien van de premiecorrecties door gedaagde, nog</para>
      <para>slechts verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag</para>
      <para>of gedaagde terecht en tot het juiste bedrag tot naheffing</para>
      <para>van premies over de winstuitkering van 1983 is</para>
      <para>overgegaan. De Raad zal zich tot dat geschilpunt beperken.</para>
      <para>De Raad ontleent met betrekking tot dit geschilpunt aan</para>
      <para>het aanvullend beroepschrift het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft aan haar werknemers een winstuitkering verstrekt.</para>
      <para>De premies die over deze uitkering moesten worden</para>
      <para>betaald, heeft eiseres op de juiste wijze berekend, opgegeven</para>
      <para>en afgedragen. Tengevolge van een computerfout is</para>
      <para>bij de werknemers niet het volledige bedrag aan premies</para>
      <para>op de winstuitkering in mindering gebracht, als gevolg</para>
      <para>waarvan de werknemers een te hoge netto winstuitkering</para>
      <para>hebben genoten.</para>
      <para>Naar de mening van eiseres kan de uitbetaling van de te</para>
      <para>hoge netto winstuitkering niet leiden tot navordering van</para>
      <para>premies, omdat er tussen eiseres en haar werknemers een</para>
      <para>bruto-loonafspraak geldt en eiseres nooit de intentie</para>
      <para>heeft gehad de loonbelasting en de premies volksverzekeringen</para>
      <para>voor haar rekening te nemen. Volgens eiseres</para>
      <para>vormen de niet ingehouden, maar wel afgedragen premies</para>
      <para>(voor de werknemersverzekeringen) geen persoonlijke</para>
      <para>schulden van de werknemers, maar door eiseres zelf verschuldigde</para>
      <para>bedragen en het voldoen aan deze 'eigen'</para>
      <para>schuld van eiseres, levert voor de werknemers geen loon</para>
      <para>uit dienstbetrekking op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair -voor het geval wel sprake zou zijn van een</para>
      <para>als loon te beschouwen voordeel- heeft eiseres zich er</para>
      <para>tegen verzet dat gedaagde dat voordeel, alvorens daarover</para>
      <para>premies vast te stellen, tot een brutobedrag heeft herleid.</para>
      <para>De gemachtigde van eiseres heeft voor haar standpunt een</para>
      <para>beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 4 mei</para>
      <para>1994, nr. 247, in het geding Premie 1990/147, onder</para>
      <para>andere gepubliceerd in Fiscale Rechtspraak 1994 nr. 116.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de in geding zijnde brutering heeft eiseres</para>
      <para>aangevoerd dat volgens de Hoge Raad in evengenoemd arrest</para>
      <para>voor brutering van loon slechts plaats is als de werkgever,</para>
      <para>toen hij de loonbetaling deed, de wettelijk voorgeschreven</para>
      <para>inhoudingen voor zijn rekening wilde nemen, welk</para>
      <para>voornemen bij eiseres nooit heeft bestaan. Bovendien</para>
      <para>berust de bewijslast dienaangaande op gedaagde en heeft</para>
      <para>gedaagde niet aan die bewijslast voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
      <para>De Raad stelt voorop het algemene standpunt van eiseres</para>
      <para>dat een feitelijke betaling, die zijn oorzaak vindt in</para>
      <para>het niet (volledig) inhouden van premies voor de werknemersverzekeringen</para>
      <para>-nog daargelaten of daarvan in het</para>
      <para>onderhavige geval sprake was- geen loon uit dienstbetrekking</para>
      <para>oplevert, niet te kunnen onderschrijven. De Raad</para>
      <para>verwijst voor dit oordeel allereerst naar zijn -niet</para>
      <para>gepubliceerde, maar door gedaagde in het geding</para>
      <para>gebrachte- uitspraak van 4 juli 1990, in het geding</para>
      <para>Premie 1988/92. In die uitspraak heeft de Raad overwogen</para>
      <para>dat uit het stelsel van de Coördinatiewet Sociale Verzekering</para>
      <para>(hierna: CwSV) volgt dat, tegen de achtergrond van</para>
      <para>artikel 4, tweede lid, van de CwSV, het door de werkgever</para>
      <para>onverplicht (of onbedoeld) voor eigen rekening genomen</para>
      <para>deel van de premies, niet tot de in artikel 6, eerste</para>
      <para>lid, aanhef en onder b, van de CwSV bedoelde, van het</para>
      <para>loonbegrip uitgezonderde aanspraken behoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenmin onderschrijft de Raad het standpunt van eiseres</para>
      <para>dat de werknemersbijdragen aan de premies voor de</para>
      <para>werknemersverzekering door eiseres zelf verschuldigde bedragen</para>
      <para>zouden zijn en geen persoonlijke schulden van de werknemers</para>
      <para>en dat het voldoen aan deze 'eigen' schuld van de</para>
      <para>werkgever voor de werknemers geen loon uit dienstbetrekking</para>
      <para>zou opleveren.</para>
      <para>De Raad verwijst daarvoor eveneens naar zijn hiervoor genoemde</para>
      <para>uitspraak van 4 juli 1990 en vindt voor dit standpunt</para>
      <para>voorts steun in het arrest van de Hoge Raad van</para>
      <para>4 mei 1994 nr. 28 402, onder andere gepubliceerd in</para>
      <para>Fiscale Rechtspraak 1994 nr. 118 en RSV 1995/11, in welk</para>
      <para>arrest de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.1. spreekt over</para>
      <para>het 'wettelijk voor rekening van de werknemers komende</para>
      <para>gedeelte van de aan de bedrijfsvereniging te betalen premies</para>
      <para>voor de werknemersverzekeringen'.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep dat de gemachtigde voor haar stellingen doet</para>
      <para>op het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 1994, nr 247,</para>
      <para>Fiscale Rechtspraak 1994 nr. 116 faalt naar de mening van</para>
      <para>de Raad. Rechtsoverweging 4.6. (laatste volzin) van dat</para>
      <para>arrest ziet niet op de situatie die thans aan de orde is</para>
      <para>-de vraag of een te hoge netto betaling als gevolg van</para>
      <para>(onbedoeld) niet ten volle inhouden van premies voor de</para>
      <para>werknemersverzekering loon vormt- maar op de situatie dat</para>
      <para>zo'n onbelast gebleven betaling reeds als loon is aangemerkt.</para>
      <para>Als een werkgever in zodanig geval de over dat</para>
      <para>loon nagevorderde premies heeft betaald en de door de</para>
      <para>werknemers over dat loon verschuldigde premiebijdragen</para>
      <para>niet op die werknemers kan verhalen vanwege het verhaalsverbod,</para>
      <para>zodat deze daardoor een voordeel genieten, dan is</para>
      <para>er onder de door de Hoge Raad geschetste omstandigheden,</para>
      <para>niet (ten tweede male) sprake van een voordeel uit</para>
      <para>dienstbetrekking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens heeft eiseres haar stelling dat sprake is van</para>
      <para>een teveel betalen als (uitsluitend) gevolg van (gedeeltelijk)</para>
      <para>nagelaten inhoudingen van premies voor de werknemersverzekeringen,</para>
      <para>die niet op de werknemers verhaald</para>
      <para>mogen worden, en daarom geen door de werkgever verstrekt</para>
      <para>voordeel uit dienstbetrekking zouden vormen -welke standpunt</para>
      <para>hiervoor door de Raad is verworpen- niet met bewijsstukken</para>
      <para>gestaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft derhalve terecht alsnog het teveel netto</para>
      <para>uitbetaalde als premieloon aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de door eiseres gemaakte bezwaren tegen de</para>
      <para>door gedaagde toegepaste brutering overweegt de Raad dat</para>
      <para>hij er met eiseres vanuit gaat dat eiseres bruto loonafspraken</para>
      <para>had (heeft) met haar werknemers en dat gedaagde</para>
      <para>er niet in is geslaagd te bewijzen dat eiseres de over</para>
      <para>dat loon verschuldigde inhoudingen voor haar rekening</para>
      <para>wilde nemen.</para>
      <para>Gedaagde heeft derhalve ten onrechte de als loon aangemerkte</para>
      <para>betalingen, alvorens daarover premies vast te</para>
      <para>stellen tot bruto bedragen herleid.</para>
      <para>Hetgeen gedaagde daaromtrent, ter voldoening aan zijn</para>
      <para>bewijslast heeft aangevoerd -er kon wellicht niet van</para>
      <para>afspraken worden gesproken, maar het karakter van die</para>
      <para>betalingen was wel duidelijk- acht de Raad onvoldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>in zoverre niet in stand kan blijven en dient te worden</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van eiseres heeft in de op 30 augustus</para>
      <para>1996 aan de Raad toegezonden pleitnotitie tenslotte een</para>
      <para>beroep gedaan op schending van het recht van eiseres op</para>
      <para>de vaststelling van haar burgerlijke rechten en verplichtingen</para>
      <para>binnen een redelijke termijn, als gewaarborgd in</para>
      <para>artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de</para>
      <para>rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:</para>
      <para>EVRM). De gemachtigde heeft er op gewezen dat gedaagde</para>
      <para>bijna vijf jaar nodig heeft gehad om een voor beroep</para>
      <para>vatbare beslissing af te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt dienaangaande aan de hand van de</para>
      <para>gedingstukken vast dat de premienota's dateren van 6 december</para>
      <para>1985 en dat er vervolgens uitvoerig over en weer is</para>
      <para>gecorrespondeerd en er besprekingen hebben plaatsgevonden,</para>
      <para>die zijn uitgemond in de schriftelijke toezegging</para>
      <para>van gedaagde op 2 oktober 1986 dat er correctienota's</para>
      <para>zouden worden verzonden.</para>
      <para>Vervolgens heeft eiseres in een brief van 7 november 1986</para>
      <para>nogmaals uitvoerig haar standpunt uiteengezet en aangekondigd</para>
      <para>het niet meer bestreden deel van de correctienota's</para>
      <para>te zullen betalen. Aan het slot van die brief</para>
      <para>heeft eiseres, voorzover gedaagde het met de in die brief</para>
      <para>weergegeven opvatting niet eens zou zijn, een voor beroep</para>
      <para>vatbare beslissing gevraagd. Op 13 november 1986</para>
      <para>daaropvolgend -de toegezegde correctienota's waren nog niet</para>
      <para>ontvangen- heeft eiseres aan gedaagde de premies betaald</para>
      <para>voor zover zij die naar haar mening was verschuldigd.</para>
      <para>Op 19 november 1986 heeft gedaagde de ontvangst van de</para>
      <para>brief van eiseres van 7 november 1986 bevestigd met de</para>
      <para>mededeling dat een standpuntbepaling enige tijd zou</para>
      <para>vergen en op 21 november 1986 heeft de gemachtigde van</para>
      <para>eiseres nogmaals informatie aan gedaagde verschaft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierna laat het dossier een interne notitie zien van</para>
      <para>21 augustus 1989. Uit die notitie blijkt dat de schrijver</para>
      <para>daarvan van mening is dat 'gelet op het geheel, incasso</para>
      <para>van het schuldrestant achterwege dient te blijven'.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van 7 november 1986 om een voor beroep vatbare</para>
      <para>beslissing is vervolgens op 29 maart 1990 besproken in</para>
      <para>de vergadering van de commissie Premie-inning van gedaagdes</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
      <para>Nadat eiseres bij brief van 25 april 1990 bezwaar had gemaakt</para>
      <para>tegen de op 26 februari 1990 verzonden correctienota's,</para>
      <para>is gedaagde op 5 oktober 1990 overgegaan tot uitreiking</para>
      <para>van de thans bestreden beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat er</para>
      <para>tussen november 1986 en augustus 1989 enige voortgang in</para>
      <para>de zaak is gekomen. De in oktober 1986 toegezegde correctienota's</para>
      <para>zijn niet verzonden in 1986, maar pas op</para>
      <para>26 februari 1990; eiseres heeft in november 1986 spontaan</para>
      <para>betaald wat zij dacht schuldig te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Weliswaar blijkt uit evenvermelde notitie van augustus</para>
      <para>1989 dat de medewerker Vastenhoudt 'tot aan zijn vakantie</para>
      <para>met de Muwi-zaak is bezig geweest', maar daarvan is naar</para>
      <para>buiten niets gebleken.</para>
      <para>Voorts heeft het, nadat de zaak in augustus 1989 weer was</para>
      <para>opgepakt, nog ruim een jaar geduurd voordat de gevraagde</para>
      <para>beslissing is afgegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting erkend dat</para>
      <para>de redelijke termijn is overschreden en de Raad constateert</para>
      <para>dat gedaagde inderdaad geen aanvaardbare redenen</para>
      <para>heeft kunnen aanvoeren voor het bijna vier jaar na het</para>
      <para>verzoek van 6 november 1986 uitblijven van die beslissing.</para>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Raad leidt trage</para>
      <para>besluitvorming als zodanig niet tot het teloorgaan van de</para>
      <para>bevoegdheid om -met inachtneming van de wettelijke</para>
      <para>verjaringstermijnen- premies vast te stellen.</para>
      <para>Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven</para>
      <para>dat eiseres schade heeft geleden tengevolge van de trage</para>
      <para>besluitvorming, die onder meer daaruit bestaat dat al</para>
      <para>degenen die zich met de afwikkeling van het geschil met</para>
      <para>betrekking tot de nagevorderde premie hebben bezig</para>
      <para>gehouden -de directie, de administrateur, de belastingadviseur-</para>
      <para>zich telkens weer opnieuw moesten verdiepen en</para>
      <para>'inlezen' in het geschil, dat destijds nog diverse punten</para>
      <para>omvatte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht de aanwezigheid van zodanige schade niet</para>
      <para>onaannemelijk. De Raad stelt evenwel anderzijds vast dat</para>
      <para>de belangen van eiseres bij een voortvarende afwikkeling</para>
      <para>blijkbaar niet al te zwaar wogen; eiseres heeft immers op</para>
      <para>11 juni 1992 bij deze Raad om uitstel van indiening van</para>
      <para>beroepsgronden gevraagd en -hoewel het arrest van de Hoge</para>
      <para>Raad dat eiseres wilde afwachten, reeds op 4 mei 1994 was</para>
      <para>gewezen- pas in januari 1996 de beroepsgronden aangevuld.</para>
      <para>Het vorenstaande in aanmerking nemende is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat de aantasting van de belangen van eiseres bij</para>
      <para>berechting van haar geschil binnen een redelijke termijn,</para>
      <para>voldoende wordt gecompenseerd wanneer gedaagde, bij de</para>
      <para>afweging of er gronden zijn om rente vast te stellen en</para>
      <para>in te vorderen over hetgeen eiseres nog aan gedaagde</para>
      <para>verschuldigd zal zijn, rekening houdt met de omstandigheid</para>
      <para>dat de nog verschuldigde premies rentedragend zijn</para>
      <para>geweest gedurende een geruime periode waarin gedaagde</para>
      <para>onnodig heeft getalmd met het afronden van zijn besluitvorming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>en de bestreden beslissing -voorzover in geschil- niet in</para>
      <para>stand kunnen blijven, voor zover gedaagde bij de berekening</para>
      <para>van de premies over de winstuitkering van 1983 de</para>
      <para>(netto) betalingen tot bruto bedragen heeft herleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet in het vorenstaande tevens aanleiding</para>
      <para>gedaagde op de voet van artikel 8:75 van de Awb te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van eiseres in hoger beroep ten</para>
      <para>bedrage van f 1.775,--. Aangezien de toenmalige Raad van</para>
      <para>Beroep uitspraak heeft gedaan voor 1 januari 1994, worden</para>
      <para>gelet op hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak</para>
      <para>van 5 april 1994, AAW 1991/672 + 673 en 674, de kosten</para>
      <para>van het geding in eerste aanleg in zo'n geval niet betrokken</para>
      <para>in een proceskostenveroordeling op grond van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb. Eiseres zal zich voor een vergoeding</para>
      <para>van die kosten kunnen verstaan met gedaagde en</para>
      <para>bij een eventueel verschil de burgelijke rechter kunnen</para>
      <para>adiëren met een vordering tot schadevergoeding op grond</para>
      <para>van onrechtmatige daad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad beslist mitsdien als hierna in rubriek III van</para>
      <para>deze uitspraak is weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden</para>
      <para>beslissing wat betreft de hoogte van de vastgestelde</para>
      <para>premie;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiseres ten</para>
      <para>behoeve van het geding in hoger beroep ten bedrage van</para>
      <para>f 1.775,--;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan eiseres het gestorte</para>
      <para>griffierecht ten bedrage van f 175,-- vergoedt;</para>
      <para>Wijst de bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid aan</para>
      <para>als de rechtspersoon die deze kosten dient te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter</para>
      <para>en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober</para>
      <para>1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder</para>
      <para>der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen</para>
      <para>ter zake van schending of verkeerde toepassing van het</para>
      <para>bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en</para>
      <para>8 van die wet.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen 6 weken nadat dit</para>
      <para>afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift</para>
      <para>in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te</para>
      <para>zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AS</para>
      <para>1810</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>