<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:31:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6417</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6235</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/411 AW,   94/417 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1996/200</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417 Centrale Raad van Beroep , 03-10-1996 / 94/411 AW,   94/417 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verband tussen werk- en omstandigheden en ziekten / gebreken;</para>
        <para> geen aanleiding jurisprudentie om te buigen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>94/411 en 417 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Commissie van Bestuur van het Y.ziekenhuis te Z., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op bij het beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 juli 1994, nrs.</para>
      <para>AW 91/15372/16 en AW 92/1602/16, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 28 april 1995 een verweerschrift</para>
      <para>doen indienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op 6 november 1995 een rapport van</para>
      <para>K. Mengelberg, psychiater te Amsterdam, aan de Raad doen</para>
      <para>toekomen. Gedaagde heeft desgevraagd nog een aantal</para>
      <para>ontbrekende gedingstukken aan de Raad toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van</para>
      <para>22 augustus 1996, waar appellant in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door prof. mr P. Nicolaï, advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr W.Th. Snoeck, eveneens advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn de</para>
      <para>Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet -</para>
      <para>en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende</para>
      <para>wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken</para>
      <para>brengt mee dat op het onderhavige hoger beroep, dat is</para>
      <para>ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet</para>
      <para>niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden</para>
      <para>toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen</para>
      <para>gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens</para>
      <para>mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te</para>
      <para>stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn</para>
      <para>bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te</para>
      <para>stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn</para>
      <para>gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van</para>
      <para>toepassing blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak (waarin</para>
      <para>appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder)</para>
      <para>de navolgende beschrijving van in deze gedingen</para>
      <para>relevante feiten:</para>
      <para>"Eiser, geboren in 1944, was laatstelijk</para>
      <para>sedert 1 maart 1977 ambtenaar in vaste dienst van de</para>
      <para>gemeente Amsterdam en werkzaam als eerste geneesheer,</para>
      <para>afdeling X., in het Y.ziekenhuis.</para>
      <para>In de loop der jaren heeft eiser grote problemen</para>
      <para>ondervonden bij het uitoefenen van zijn functie. Hij</para>
      <para>heeft gesteld dat hem onvoldoende personele en</para>
      <para>materiële ondersteuning is geboden, dat onvoldoende in</para>
      <para>de mogelijkheid van waarneming is voorzien en dat</para>
      <para>ten gevolge van mismanagement situaties in het leven</para>
      <para>zijn en worden geroepen waarin eiser de mogelijkheid</para>
      <para>wordt ontnomen tot een verantwoord functioneren als</para>
      <para>medicus. Op 20 november 1990 heeft eiser zich na</para>
      <para>overleg met de bedrijfsarts ziek gemeld.</para>
      <para>Op 7 januari, 18 maart en 15 mei 1991 hebben in</para>
      <para>verband met de ontstane situatie besprekingen</para>
      <para>plaatsgevonden tussen eiser enerzijds en de directeur</para>
      <para>patiëntenzorg, C. Breederveld, en het hoofd</para>
      <para>personeel en organisatie, H.J. Hees, anderzijds.</para>
      <para>Bij die gesprekken is onder meer besloten om door</para>
      <para>het inschakelen van een outplacementbureau de mogelijkheid</para>
      <para>te onderzoeken om voor eiser een functie elders te vinden.</para>
      <para>In oktober 1991 heeft de bedrijfsarts besloten eiser</para>
      <para>voor afkeuring voor te dragen aan het ABP.</para>
      <para>In november 1991 heeft verweerder in het Nederlands</para>
      <para>Tijdschrift voor Geneeskunde een advertentie doen</para>
      <para>plaatsen waarin kandidaten worden opgeroepen voor de</para>
      <para>functie van X.-arts.</para>
      <para>Bij brief van 15 november 1991 heeft eisers gemachtigde</para>
      <para>verweerder naar aanleiding van die advertentie</para>
      <para>om opheldering verzocht. Op 12 december 1991 heeft</para>
      <para>overleg plaatsgevonden tussen de medisch directeur</para>
      <para>van het Y.ziekenhuis en eisers gemachtigde.</para>
      <para>In dit overleg werd bevestigd dat extern geworven</para>
      <para>was voor een Y.-arts, waarbij tevens werd medegedeeld</para>
      <para>dat verweerder niet bereid was de sollicitatieprocedure te stoppen.</para>
      <para>Bij brief van 16 april 1992 heeft mr P. Nicolaï,</para>
      <para>voornoemd, namens eiser bij verweerder een beroep</para>
      <para>gedaan op het bepaalde in artikel 512 van het ARA en</para>
      <para>verzocht dat eisers ziekengeld per mei 1992 niet</para>
      <para>wordt teruggebracht tot 80% van de bezoldiging en op</para>
      <para>de voet van het bepaalde in genoemd artikel gehandhaafd</para>
      <para>blijft op 100%. Hierbij is - samengevat - gesteld</para>
      <para>dat de werkomstandigheden van eiser er de</para>
      <para>oorzaak van zijn dat eiser in een psychische ziektetoestand</para>
      <para>is gebracht. Naar de mening van eisers</para>
      <para>gemachtigde is er sprake van abnormale arbeidsomstandigheden.</para>
      <para>Bij brief van 6 mei 1992 heeft verweerder te kennen</para>
      <para>gegeven niet aan dit verzoek c.q. deze sommatie</para>
      <para>gevolg te zullen geven, omdat er naar de mening van</para>
      <para>verweerder geen sprake is van een situatie als bedoeld</para>
      <para>in artikel 512 van het ARA.</para>
      <para>Bij besluiten van 9 maart 1993 van het Algemeen</para>
      <para>burgerlijk pensioenfonds (ABP) is verklaard dat</para>
      <para>eiser uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend</para>
      <para>arbeidsongeschikt is zijn betrekking van X..-arts</para>
      <para>bij het Y.ziekenhuis te vervullen en voor 80% of meer algemeen</para>
      <para>invalide is en niet herplaatsbaar is in de zin van artikel K2 van</para>
      <para>de Algemene burgerlijke pensioenwet.</para>
      <para>Aan die besluiten is medisch onderzoek voorafgegaan,</para>
      <para>waarbij eiser onder meer is onderzocht door dr R.G.</para>
      <para>van 't Hof, psychiater te Amsterdam en door de adviserend</para>
      <para>geneeskundige, mevrouw dr C.M.G.J. Houtzagers.</para>
      <para>Op grond van deze besluiten van het ABP heeft verweerder</para>
      <para>eiser eervol ontslag verleend uit zijn betrekking met ingang</para>
      <para>van 1 juni 1993.</para>
      <para>Eiser heeft tegen die besluiten c.q. zijn ontslag</para>
      <para>geen beroep ingesteld.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard</para>
      <para>in het beroep dat namens hem is ingesteld tegen het</para>
      <para>besluit van gedaagde te werven voor een X.-arts.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de verschillende</para>
      <para>elementen die in het bij haar ingediende beroepschrift</para>
      <para>als bestreden besluiten dan wel handelingen</para>
      <para>zijn vermeld terecht aldus samengevat, en voorts terecht</para>
      <para>geoordeeld dat hier geen sprake was van een besluit</para>
      <para>waardoor appellant rechtstreeks als ambtenaar in zijn</para>
      <para>rechtspositie wordt getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep voorzover gericht tegen dit onderdeel</para>
      <para>van de aangevallen uitspraak is dan ook ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellant, gericht</para>
      <para>tegen gedaagdes weigering om met toepassing van artikel</para>
      <para>512 van het toepasselijke ambtenarenreglement (ARA) de</para>
      <para>volledige bezoldiging van appellant gedurende diens</para>
      <para>ziekte door te betalen ongegrond verklaard. De rechtbank</para>
      <para>heeft daarbij, onder verwijzing naar 's Raads jurisprudentie</para>
      <para>in aangelegenheden als deze en onder aanhaling van</para>
      <para>de genoemde, zich onder de gedingstukken bevindende,</para>
      <para>medische rapporten van psychiater Van 't Hof en adviserend</para>
      <para>geneeskundige Houtzagers, geconcludeerd dat de arbeidsomstandigheden</para>
      <para>van appellant wel hebben bijgedragen</para>
      <para>aan diens arbeidsongeschiktheid, maar niet daarvan de</para>
      <para>oorzaak zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de</para>
      <para>genoemde rapporten op geen enkele manier is af te leiden</para>
      <para>dat appellants arbeidsomstandigheden zo abnormaal en</para>
      <para>excessief waren dat zij objectief beschouwd tot arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>moesten leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in hoger beroep een rapport overgelegd</para>
      <para>van psychiater Mengelberg, die op basis van zijn</para>
      <para>gesprekken met appellant en een door appellant vervaardigde</para>
      <para>uitvoerige schets van zijn ervaringen in het Y.ziekenhuis</para>
      <para>tot de conclusie is gekomen dat de</para>
      <para>door appellant geschetste arbeidsomstandigheden zodanig</para>
      <para>waren dat zij bij een gemiddelde werknemer, d.w.z. een</para>
      <para>gemiddelde medisch specialist, tot aantasting van de</para>
      <para>psychische gezondheid moesten leiden en dat de arbeidsomstandigheden</para>
      <para>er in overwegende mate de oorzaak van zijn</para>
      <para>geweest dat appellant zodanig in zijn psychische gezondheid</para>
      <para>is geschaad dat hij arbeidsongeschikt is geworden.</para>
      <para>Genoemde arts heeft te kennen gegeven het meer dan waarschijnlijk</para>
      <para>te achten dat appellant in "normale" (medisch specialistische) omstandigheden</para>
      <para>niet in zijn psychische gezondheid zou zijn geschaad en dus niet</para>
      <para>arbeidsongeschikt zou zijn geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan aan de conclusies van psychiater Mengelberg</para>
      <para>niet die betekenis hechten die appellant daar kennelijk</para>
      <para>aan toegekend wenst te zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij acht het in dit geding van belang de kern van zijn</para>
      <para>jurisprudentie inzake ongekorte doorbetaling van bezoldiging,</para>
      <para>dan wel aanvulling op invaliditeitspensoen in geval</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate haar</para>
      <para>oorzaak vindt in de aard van de betrekking en/of de</para>
      <para>bijzondere omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn</para>
      <para>werkzaamheden moest verrichten nog eens uitdrukkelijk te</para>
      <para>formuleren aldus, dat bij de beoordeling van de aanspraak</para>
      <para>op die doorbetaling dan wel aanvulling de in het werk of</para>
      <para>de werkomstandigheden voorkomende bijzondere factoren</para>
      <para>geobjectiveerd moeten worden en dat, naargelang de ziekten</para>
      <para>of gebreken in sterkere mate van psychische aard</para>
      <para>zijn, er in grotere mate sprake zal moeten zijn van</para>
      <para>omstandigheden die - objectief beschouwd - een abnormaal</para>
      <para>of excessief karakter dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgaande van het niet omstreden gegeven dat de ziekte</para>
      <para>welke tot afkeuring van appellant heeft geleid en welke</para>
      <para>in het kader van de toepassing van artikel 512 ARA centraal</para>
      <para>stond van psychische aard is, moet worden vastgesteld</para>
      <para>dat de te beantwoorden vraag in de eerste plaats</para>
      <para>een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten</para>
      <para>vergt. Eerst indien op grond van de beschikbare gegevens</para>
      <para>geconstateerd zou moeten worden dat de aard van het werk</para>
      <para>van X.-arts in het Y.ziekenhuis, dan wel de</para>
      <para>omstandigheden waaronder die werkzaamheden ten tijde in</para>
      <para>geding van belang moesten worden verricht - objectief</para>
      <para>bezien - als abnormaal en/of excessief zouden moeten</para>
      <para>worden gekenschetst, komt vervolgens de vraag aan de orde</para>
      <para>of tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar</para>
      <para>is. Slechts beantwoording van die laatste vraag</para>
      <para>is primair gelegen op het terrein van de medicus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft kennis genomen van de bij verschillende</para>
      <para>gelegenheden in verschillende bewoordingen omschreven</para>
      <para>grieven van appellant tegen de omstandigheden waaronder</para>
      <para>hij, met name in de periode voordat in 1985 dr. W.</para>
      <para>als tweede X.-arts in het Y.ziekenhuis</para>
      <para>werd aangesteld, heeft moeten werken en tegen de wijze</para>
      <para>waarop hij als representant van een klein specialisme in</para>
      <para>het ziekenhuis is bejegend. Bij die grieven hebben het</para>
      <para>gegeven dat appellant gedurende lange tijd als feitelijk</para>
      <para>enige X.-arts in dit ziekenhuis heeft moeten functioneren</para>
      <para>en het gegeven dat weinig adequaat is gereageerd op</para>
      <para>door hem geuite verlangens ten aanzien van ondersteuning</para>
      <para>en accommodatie een centrale plaats gekregen.</para>
      <para>Van de zijde van gedaagde is erkend dat de organisatie in</para>
      <para>het ziekenhuis in de jaren waarover appellant spreekt</para>
      <para>zeker niet optimaal is geweest. Er is echter op gewezen</para>
      <para>dat zulks niet alleen appellant raakte en bestreden is</para>
      <para>dat bewust is gepoogd appellant ten achter te stellen of</para>
      <para>diens functioneren te bemoeilijken, in welk verband is</para>
      <para>benadrukt dat reeds in 1985 - derhalve zes jaar voordat</para>
      <para>appellant wegens arbeidsongeschiktheid is uitgevallen -</para>
      <para>een tweede full-time X.-arts is aangesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is op grond van de gedingstukken niet tot de</para>
      <para>overtuiging kunnen geraken dat de functie van X.-arts in</para>
      <para>het Y.ziekenhuis en/of de omstandigheden waaronder</para>
      <para>die functie in dat ziekenhuis vervuld diende te</para>
      <para>worden, ten tijde in dit geding van belang een zodanig</para>
      <para>abnormaal dan wel excessief karakter hebben gedragen dat</para>
      <para>ongeacht de persoon van de functievervuller redelijkerwijs</para>
      <para>verwacht moest worden dat door vervulling van die</para>
      <para>functie psychische arbeidsongeschiktheid zou ontstaan.</para>
      <para>Appellant heeft weliswaar elementen aangewezen die als</para>
      <para>organisatorische uitglijders of zelfs misstanden zouden</para>
      <para>kunnen worden gekarakteriseerd, doch de Raad acht die</para>
      <para>niet zo buitensporig van aard dat daarmee de onvermijdelijkheid</para>
      <para>van het ontstaan van psychische arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>bij de vervuller van die functie als het ware gegeven was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is weliswaar betoogd dat appellant reeds</para>
      <para>in 1985 door de werkomstandigheden zozeer was beschadigd</para>
      <para>dat de komst van dr. W. als tweede X.-arts geen</para>
      <para>wending ten goede meer teweeg kon brengen, doch de Raad</para>
      <para>heeft in de gedingstukken geen enkel gegeven ter ondersteuning</para>
      <para>van die stelling kunnen ontwaren. Zeker niet</para>
      <para>aangetoond is dat, objectief bezien, een verbetering van</para>
      <para>de werkomstandigheden als in 1985 is gerealiseerd voor</para>
      <para>ontstaan dan wel voortbestaan van psychische arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van geen betekenis (meer) kon zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in hoger beroep bepleit dat bij de</para>
      <para>beantwoording van de vraag of - objectief beschouwd -</para>
      <para>sprake is geweest van abnormale en/of excessieve omstandigheden</para>
      <para>niet zou mogen worden volstaan met beschouwing</para>
      <para>vanuit feitelijk en medisch gezichtspunt. Appellants</para>
      <para>raadsman meent dat uiteindelijk bepalend zou moeten zijn</para>
      <para>een zogeheten normatief gezichtspunt. Vanuit dat gezichtspunt</para>
      <para>zou, met het oog op het verdisconteren van de</para>
      <para>redelijkheidsnotie, aandacht moeten worden gegeven aan de</para>
      <para>zorgplicht die op de werkgever rust. Die zorgplicht zou</para>
      <para>dan met zich moeten brengen dat, ook als zou moeten</para>
      <para>worden aangenomen dat de werkomstandigheden voor een</para>
      <para>'gemiddelde' werknemer niet als abnormaal en/of excessief</para>
      <para>belastend zouden moeten worden aangemerkt, maar voor de</para>
      <para>op de betreffende functie of in de betreffende werkomstandigheden</para>
      <para>geplaatste 'toevallige' werknemer wèl een</para>
      <para>ziekmakende oorzaak zijn, de werkgever maatregelen behoort</para>
      <para>te treffen om aan die ziekmakende situatie een</para>
      <para>einde te maken. Bij gebreke van zulke maatregelen zal,</para>
      <para>aldus appellants raadsman, het uitvallen van de betrokken</para>
      <para>werknemer moeten leiden tot de conclusie dat ook objectief</para>
      <para>bezien van abnormale en/of excessieve werkomstandigheden</para>
      <para>sprake is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan appellant hierin niet volgen.</para>
      <para>De redenering van appellants raadsman houdt niet, zoals</para>
      <para>door hem betoogd, een matiging in van de objectivering</para>
      <para>die in 's Raads jurisprudentie is vastgelegd, maar een</para>
      <para>verlaten van die objectivering en het vervangen daarvan</para>
      <para>door een geïndividualiseerde benadering. Naar 's Raads</para>
      <para>oordeel dient het feit dat op een werkgever onder omstandigheden</para>
      <para>de plicht kan rusten om voor een werknemer die</para>
      <para>meer dan de gemiddelde werknemer gevoelig is voor bepaalde</para>
      <para>werkomstandigheden zorg te dragen voor het treffen van</para>
      <para>maatregelen wel te worden onderscheiden van de hier in</para>
      <para>geding zijnde vraag of, los van die bijzondere gevoeligheid</para>
      <para>van een individuele werknemer, abnormale en/of</para>
      <para>excessieve werkomstandigheden aanwijsbaar geweest zijn.</para>
      <para>Dat bij die objectivering de redelijkheidsnotie in acht</para>
      <para>genomen dient te worden spreekt vanzelf, maar dat leidt</para>
      <para>niet tot een individualisering als door eisers raadsman bepleit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat</para>
      <para>de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking</para>
      <para>komt. De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr drs Th. G.M. Simons als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>16.09</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>