<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6401</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/393 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002844&amp;artikel=20&amp;g=1996-02-08">Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002844&amp;artikel=21&amp;g=1996-02-08">Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6401">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6401</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6401 Centrale Raad van Beroep , 08-02-1996 / 94/393 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6401:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6401:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>94/393 WUV</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad,</para>
      <para>verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 26 oktober 1994 heeft verweerster ten</para>
      <para>aanzien van eiser, na gemaakt bezwaar, een besluit</para>
      <para>genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen</para>
      <para>vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUV).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser heeft mr J.C.M. van Berkel, medewerker van</para>
      <para>het Buro voor Rechtshulp Zuid-Limburg, tegen dat besluit</para>
      <para>beroep ingesteld bij de Raad. Bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met dat</para>
      <para>besluit niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft een verweerschrift (met bijlage)</para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18</para>
      <para>januari 1996, waar eiser is verschenen bij zijn</para>
      <para>gemachtigde mr Van Berkel, voornoemd, en waar verweerster</para>
      <para>zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen,</para>
      <para>werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser, die is geboren in 1943 en die is</para>
      <para>erkend als vervolgde in de zin van de WUV, heeft bij</para>
      <para>verweerster een aanvraag doen indienen onder meer om</para>
      <para>toekenning van een vergoeding van dan wel tegemoetkoming</para>
      <para>in de kosten van extra vakantie in de jaren 1993, 1994 en 1995.</para>
      <para>Bij besluit van 10 december 1993 heeft verweerster</para>
      <para>geweigerd om eiser in aanmerking te brengen voor de</para>
      <para>gevraagde voorziening op de grond dat de noodzaak voor</para>
      <para>die voorziening in het kader van de uit de vervolging</para>
      <para>voortvloeiende ziekten of gebreken medisch en/of</para>
      <para>medisch-sociaal niet aanwezig wordt geacht. Een namens</para>
      <para>eiser tegen dit besluit ingediend bezwaarschrift heeft</para>
      <para>geleid tot het thans bestreden besluit, waarbij</para>
      <para>verweerster haar weigering heeft gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beroep is namens eiser gesteld dat de medische</para>
      <para>gedingstukken wel indicaties bevatten voor toekenning van</para>
      <para>de gevraagde voorziening. Voorts is betoogd dat het</para>
      <para>(vaker) bijwonen van samenkomsten en bedevaarten voor</para>
      <para>eiser, die behoort tot de zigeunergemeenschap, gezien</para>
      <para>moet worden als (extra) vakantie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in dit geding te beantwoorden vraag of het bestreden</para>
      <para>besluit in rechte stand kan houden, beantwoordt de Raad</para>
      <para>ontkennend, waartoe hij het volgende overweegt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft de gevraagde voorziening geweigerd</para>
      <para>omdat zij (mede) op grond van het advies van de</para>
      <para>geneeskundig adviseur die op 4 juli 1994 aan eiser een</para>
      <para>huisbezoek heeft gebracht, van mening is "dat er geen</para>
      <para>medische of medisch-sociale indicatie aanwezig is in</para>
      <para>verband met (eisers) ziekten of gebreken die door of in</para>
      <para>verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, te</para>
      <para>weten (eisers) hoofdpijnklachten, die toekenning van de</para>
      <para>door (eiser) gevraagde voorziening rechtvaardigt". Op</para>
      <para>grond van het persoonlijk onderhoud met eiser heeft</para>
      <para>bedoelde geneeskundig adviseur in zijn advies d.d. 23</para>
      <para>september 1994 geconcludeerd dat de reeds causaal</para>
      <para>aanvaarde hoofdpijnklachten zijn verergerd en leiden tot</para>
      <para>invalidering op het moment van het huisbezoek, dat er</para>
      <para>sprake is van een progressief beeld, dat eisers</para>
      <para>psychische klachten - gezien de inhoud van de</para>
      <para>problematiek - als causaal kunnen worden aanvaard en dat</para>
      <para>extra vakantie medisch-sociaal wenselijk is. Tot die</para>
      <para>conclusie kwam hij, terwijl hij de beschikking had over</para>
      <para>een korte verklaring van eisers huisarts, blijkens welke</para>
      <para>verklaring er door deze huisarts nooit een verwijzing</para>
      <para>voor eisers klachten is geweest en er ook geen</para>
      <para>medicamenteuze behandeling is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verweerster is gesteld dat op grond van een</para>
      <para>discussie in de Raadskamer WUV naar aanleiding van het</para>
      <para>medisch advies de huisarts nogmaals is benaderd. Op grond</para>
      <para>van de nader ontvangen informatie, waaruit opnieuw bleek</para>
      <para>dat eiser voor zijn hoofdpijnklachten nimmer is verwezen</para>
      <para>dan wel medicamenteus is behandeld, is besloten "dat uit</para>
      <para>de voorhanden informatie niet blijkt dat er sprake zou</para>
      <para>zijn van een behoefte aan een extra vacantie".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat hier niet gesproken kan worden</para>
      <para>van een deugdelijk medisch onderzoek dat ten grondslag</para>
      <para>behoort te liggen aan een beslissing als hier in geding.</para>
      <para>Ook van een deugdelijk onderzoek naar de behoefte van</para>
      <para>eiser aan extra vakantie is geen sprake geweest. Het</para>
      <para>bestreden besluit is aldus onzorgvuldig voorbereid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen zal</para>
      <para>verweerster een nieuwe beslissing op bezwaar moeten</para>
      <para>nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt nog op dat hij de stellingname van</para>
      <para>verweerster in haar verweerschrift dat het bezoeken van</para>
      <para>samenkomsten en bedevaarten georganiseerd voor en door de</para>
      <para>zigeunergemeenschap "hooguit (duidt) op een binnen de</para>
      <para>zigeunergemeenschap gebruikelijke besteding van de</para>
      <para>zomerperiode" allerminst houdbaar acht, waarbij de Raad</para>
      <para>erop wijst dat verweerster - blijkens eerdere bij de Raad</para>
      <para>aanhangige gedingen omtrent de toepassing van de</para>
      <para>artikelen 20 en 21 van de WUV - deelname aan bedoelde</para>
      <para>activiteiten heeft aangemerkt als vakantie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande acht de Raad termen aanwezig om</para>
      <para>verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser,</para>
      <para>bestaande uit ƒ 1.420,- aan kosten van rechtsbijstand.</para>
      <para>Het van de zijde van eiser gedane verzoek om veroordeling</para>
      <para>van verweerster tot vergoeding van schade op de voet van</para>
      <para>artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, wijst de</para>
      <para>Raad thans af, aangezien eerst duidelijkheid zal zijn</para>
      <para>verkregen of en zo ja in welke omvang bij eiser schade</para>
      <para>bestaat, nadat verweerster de nadere beslissing op</para>
      <para>bezwaar zal hebben genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Op grond van het bovenstaande dient te worden beslist als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat verweerster een nieuwe beslissing op bezwaar</para>
      <para>neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is</para>
      <para>overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot</para>
      <para>een bedrag groot ƒ 1.420,- , te betalen door de Pensioen- en</para>
      <para>Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Bepaalt voorts dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan</para>
      <para>eiser het griffierecht ad ƒ 50,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter</para>
      <para>en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Beijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>01.02</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>