<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-19T11:28:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6375</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/3666 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1996-10-03">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:88&amp;g=1996-10-03">Algemene wet bestuursrecht 8:88</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-19T11:27:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375 Centrale Raad van Beroep , 03-10-1996 / 95/3666 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht nu verzoeker in het kader van zijn tweede herzieningsverzoek wederom geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert die herziening zouden kunnen rechtvaardigen, en het naar voren gebrachte in grote lijnen slechts een herhaling is van hetgeen door hem in zijn eerste herzieningsverzoek is aangevoerd. Verzoeker wordt veroordeeld in de kosten van gedaagde.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6375:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>95/3666 AW</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    [verzoeker] wonende te [woonplaats], verzoeker,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het College van Bestuur van de Universiteit van</para>
    <para>Amsterdam, gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verzoeker heeft bij schrijven (met bijlagen) van</para>
    <para>20 februari 1995 voor de tweede maal verzocht om</para>
    <para>herziening van 's Raads uitspraak van 24 maart 1988 (AW</para>
    <para>1985/12). Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verzoeker heeft hierop enkele malen schriftelijk</para>
    <para>gereageerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 juli 1996,</para>
    <para>waar verzoeker niet is verschenen. Gedaagde heeft zich</para>
    <para>laten vertegenwoordigen door M.J.A. Mulder, werkzaam bij</para>
    <para>Van Kleef en Partners B.V. te Boskoop.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet</para>
    <para>bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn</para>
    <para>de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten:</para>
    <para>Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit</para>
    <para>voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in</para>
    <para>ambtenarenzaken brengt mee dat op een verzoek om</para>
    <para>herziening van een in hoger beroep gedane uitspraak van</para>
    <para>de Raad dat is ingesteld na 31 december 1993 moet</para>
    <para>worden beslist met toepassing van artikel 8:88 van de</para>
    <para>Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge artikel 8:88 van de Awb juncto artikel 21 van</para>
    <para>de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak</para>
    <para>van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op</para>
    <para>grond van feiten en omstandigheden die:</para>
    <para>a.   hebben plaatsgevonden voor de uitspraak,</para>
    <para>b.   bij de indiener van het verzoekschrift vóór de</para>
    <para>uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs</para>
    <para>niet bekend konden zijn, en</para>
    <para>c.   waren zij bij de Raad eerder bekend geweest,</para>
    <para>tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen</para>
    <para>leiden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet</para>
    <para>gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of</para>
    <para>enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld een</para>
    <para>hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en</para>
    <para>evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te</para>
    <para>openen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft de uitspraak van het voormalige</para>
    <para>Ambtenarengerecht te Amsterdam van 3 januari 1985 (AW</para>
    <para>1983/20H), bij welke uitspraak verzoekers beroep tegen</para>
    <para>gedaagdes besluit van 20 januari 1983 verzoeker met</para>
    <para>ingang van 1 mei 1983 wegens ongeschiktheid anders dan</para>
    <para>uit hoofde van ziekten of gebreken eervol ontslag te</para>
    <para>verlenen uit zijn functie van [naam functie]</para>
    <para> bij de Universiteit van Amsterdam</para>
    <para>ongegrond is verklaard, bevestigd bij de onherroepelijk</para>
    <para>geworden uitspraak waarvan thans herziening wordt</para>
    <para>gevraagd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad ziet in het door verzoeker aangevoerde, hetgeen</para>
    <para>in essentie een herhaling is van het door hem in zijn</para>
    <para>eerste verzoek om herziening naar voren gebrachte, geen</para>
    <para>feiten en/of omstandigheden gelegen die verzoeker vóór</para>
    <para>'s Raads uitspraak van 24 maart 1988 niet bekend waren en</para>
    <para>redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening</para>
    <para>te worden afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens gedaagde is ter zitting van de Raad verzocht om</para>
    <para>verzoeker op grond van artikel 8:75, eerste lid, tweede</para>
    <para>volzin, van de Awb wegens kennelijk onredelijk gebruik</para>
    <para>van procesrecht te veroordelen in de door gedaagde</para>
    <para>gemaakte proceskosten, gelet op de omstandigheid dat</para>
    <para>verzoeker voor de tweede maal heeft verzocht om</para>
    <para>herziening van de uitspraak van de Raad van 24 maart 1988</para>
    <para>zonder daarbij in zijn zeer uitvoerige stukken nieuwe</para>
    <para>feiten en/of omstandigheden aan te voeren die - alsnog -</para>
    <para>herziening zouden rechtvaardigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is van oordeel dat, in aanmerking nemende dat</para>
    <para>verzoeker in het kader van zijn tweede herzieningsverzoek</para>
    <para>wederom geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert die</para>
    <para>herziening zouden kunnen rechtvaardigen, waar het naar</para>
    <para>voren gebrachte in grote lijnen immers slechts een</para>
    <para>herhaling is van hetgeen door hem in zijn eerste</para>
    <para>herzieningsverzoek is aangevoerd, in dit geval sprake is</para>
    <para>van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht derhalve termen aanwezig toepassing te geven</para>
    <para>aan het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, tweede</para>
    <para>volzin, van de Awb en verzoeker te veroordelen in de</para>
    <para>proceskosten aan de zijde van gedaagde, welke zijn</para>
    <para>begroot op f 355,- aan kosten van verleende</para>
    <para>rechtsbijstand. Van andere op de voet van artikel 8:75</para>
    <para>van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten</para>
    <para>is de Raad niet gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad beslist derhalve als volgt:</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Wijst het verzoek om herziening af;</para>
    <para>Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot</para>
    <para>een bedrag van f 355,-.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr Ch. de Vrey als voorzitter,</para>
    <para>mr drs Th.G.M. Simons en mr K.J. Kraan als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier, en in het</para>
    <para>openbaar uitgesproken op 3 oktober 1996.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) Ch. de Vrey.</para>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) A.H. Beijer.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>HD</para>
    <para>20.09</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>