<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6335</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:01:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6335</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH7060</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9173</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/3993 ABW-VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1&amp;g=1996-07-11">Algemene bijstandswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1&amp;g=1996-07-11">Algemene bijstandswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>KG 1997, 48</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1996, 194</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6335">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6335</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6335 Centrale Raad van Beroep , 11-07-1996 / 96/3993 ABW-VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6335:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6335:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>1996/3993 ABW-VV</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>van</para>
    <para />
    <para />
    <para>DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de</para>
      <para>Beroepswet in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Amsterdam, verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. INLEIDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft bij een schrijven, ter griffie van de</para>
      <para>Raad binnen gekomen op 1 mei 1996, hoger beroep ingesteld</para>
      <para>tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>Amsterdam d.d. 14 maart 1996, reg.nr. BLN 95/4298/28,</para>
      <para>waarbij verzoekers besluit d.d. 17 februari 1995 is</para>
      <para>vernietigd.</para>
      <para>In dit beroepschrift is tevens verzocht om toepassing van</para>
      <para>artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten</para>
      <para>aanzien van voornoemde uitspraak. Het verzoek strekt</para>
      <para>ertoe dat de werking van de uitspraak van voornoemde</para>
      <para>rechtbank wordt geschorst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 juli 1996,</para>
      <para>waar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>drs V.M. Pavelkovà, werkzaam bij de gemeente Amsterdam,</para>
      <para>en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan</para>
      <para>door haar zwager C., wonende te D.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden</para>
      <para>nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken</para>
      <para>belangen vereist dat een voorlopige voorziening wordt</para>
      <para>getroffen als door verzoeker is verzocht.</para>
      <para>Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de</para>
      <para>bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft Ons oordeel een</para>
      <para>voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing</para>
      <para>in die procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden.</para>
      <para>Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld</para>
      <para>aan de hand van de ABW en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen zoals die luidden ten tijde hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de thans voorhanden zijnde stukken blijkt het</para>
      <para>volgende.</para>
      <para>Gedaagde heeft op 8 september 1994 onder meer een</para>
      <para>aanvraag om bijstand ingediend voor de reiskosten van</para>
      <para>haar en haar kinderen naar Duitsland in verband met</para>
      <para>bezoek aan de aldaar gedetineerde echtgenoot van</para>
      <para>gedaagde.</para>
      <para>Bij besluit van 13 oktober 1994, na bezwaar gehandhaafd</para>
      <para>bij het bestreden besluit van 17 februari 1995, heeft</para>
      <para>verzoeker die aanvraag afgewezen onder overweging dat</para>
      <para>deze kosten niet behoren tot de noodzakelijke kosten van</para>
      <para>het bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het door gedaagde tegen het besluit</para>
      <para>van 17 februari 1995 ingestelde beroep bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd</para>
      <para>en bepaald dat verweerder, thans verzoeker,</para>
      <para>binnen zes weken na toezending van deze uitspraak een</para>
      <para>nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in die</para>
      <para>uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover hier van belang heeft de rechtbank overwogen:</para>
      <para>"Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteund</para>
      <para>op de overweging dat dit soort kosten in het algemeen</para>
      <para>niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke</para>
      <para>kosten van het bestaan.</para>
      <para>Ten aanzien van de door eiseres herhaaldelijk te</para>
      <para>maken reis heeft verweerder ter zitting - voorzover</para>
      <para>het het gedeelte ervan binnen Nederland betreft -</para>
      <para>opgemerkt dat de daarvoor gemaakte kosten algemeen</para>
      <para>gebruikelijk zijn.</para>
      <para>Daarbij is geen overweging gewijd aan de vraag welke</para>
      <para>bezoekfrequentie vanuit het oogpunt van de ABW noodzakelijk</para>
      <para>moet worden geacht. Omstandigheden zoals de</para>
      <para>duur van de detentie en de leeftijd van de kinderen,</para>
      <para>zouden daarbij een rol hebben kunnen spelen. In dit</para>
      <para>kader had verweerder kunnen ingaan op eiseres' argument</para>
      <para>dat het familieleven te zeer in het gedrang zou</para>
      <para>komen bij een tekort aan bezoeken.</para>
      <para>De ter zitting namens verweerder geplaatste opmerking,</para>
      <para>dat een beperking van het familieverkeer nu</para>
      <para>eenmaal inhaerent is aan detentie, is in dit verband</para>
      <para>onvoldoende.</para>
      <para>Voorts is voorbij gegaan aan de vraag hoe vaak</para>
      <para>eiseres en haar kinderen de betreffende reis (al dan</para>
      <para>niet gerekend tot aan de grens) zouden kunnen maken</para>
      <para>van het bedrag, dat in de periodieke uitkering is</para>
      <para>vervat voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.</para>
      <para>Verweerder had deze aspecten - met name gelet op hetgeen</para>
      <para>de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van</para>
      <para>State in een uitspraak van 28 februari 1995 (gepubliceerd</para>
      <para>in JABW 95, 294) omtrent een dergelijke</para>
      <para>afweging heeft opgemerkt - bij zijn besluitvorming</para>
      <para>dienen te betrekken.</para>
      <para>Verweerder heeft ten onrechte geen acht geslagen op</para>
      <para>de individuele omstandigheden waarin eiseres verkeerde.</para>
      <para>Reeds hierom moet worden geoordeeld dat het bestreden</para>
      <para>besluit niet berust op een deugdelijke motivering.</para>
      <para>Ten aanzien van het door verweerder in de loop van</para>
      <para>deze procedure ingenomen standpunt, dat verlening</para>
      <para>van bijstand voor de kosten van de reis voorzover</para>
      <para>buiten Nederland wordt belemmerd door het</para>
      <para>territorialiteitsbeginsel overweegt de rechtbank het</para>
      <para>volgende.</para>
      <para>In artikel 1, eerste lid, van de ABW is aan de verlening</para>
      <para>van bijstand de voorwaarde verbonden dat de</para>
      <para>betrokkene in Nederland in zodanige omstandigheden</para>
      <para>verkeert of dreigt te raken, dat hij niet over de</para>
      <para>middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van</para>
      <para>het bestaan te voorzien. Op deze bepaling heeft</para>
      <para>verweerder gedoeld met de verwijzing naar het</para>
      <para>territorialiteitsbeginsel.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank staat deze</para>
      <para>bepaling echter niet zonder meer in de weg aan</para>
      <para>bijstandsverlening voor de kosten van een reis in</para>
      <para>het buitenland.</para>
      <para>Het gaat er immers om dat de betrokkene in Nederland</para>
      <para>in behoeftige omstandigheden verkeert of dreigt te</para>
      <para>raken. Eiseres woont in Nederland, terwijl zij - naar</para>
      <para>zij stelt - ten gevolge van de herhaalde reis naar</para>
      <para>haar in Frankfurt, later in Hessen, gedetineerde</para>
      <para>echtgenoot in financiële problemen dreigt te raken.</para>
      <para>Zij voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank</para>
      <para>aan de in artikel 1, eerste lid, van de ABW</para>
      <para>bedoelde voorwaarde van verblijf in Nederland.</para>
      <para>Ook deze achteraf aan een deel van het bestreden</para>
      <para>besluit toegevoegde grond kan dat besluit dan ook</para>
      <para>niet dragen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker kan zich met die overwegingen niet verenigen.</para>
      <para>Met verwijzing naar uitspraken van de voormalige Afdeling</para>
      <para>voor de geschillen van bestuur van de Raad van State</para>
      <para>neemt verzoeker het standpunt in dat er wegens het</para>
      <para>territorialiteitsbeginsel onderscheid gemaakt moet worden</para>
      <para>tussen de kosten verbonden aan het verblijf hier te lande</para>
      <para>en de kosten welke verband houden met het vervoer naar en</para>
      <para>uitgaven in het buitenland. Volgens vaste jurisprudentie</para>
      <para>van voornoemde Afdeling behoren laatstgenoemde kosten</para>
      <para>niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan als</para>
      <para>bedoeld in artikel 1 van de ABW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker stelt dat hij mede gelet op het grote aantal</para>
      <para>personen in zijn gemeente met familie in het buitenland,</para>
      <para>een spoedeisend belang heeft bij het niet gebonden te</para>
      <para>hoeven zijn aan de overweging in de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>dat het in artikel 1, eerste lid, van de ABW</para>
      <para>neergelegde territorialiteitsbeginsel niet zonder meer in</para>
      <para>de weg staat aan bijstandverlening voor de kosten van een</para>
      <para>reis in het buitenland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft verzoeker de in de gemeente Amsterdam</para>
      <para>gehanteerde beleidsregels overgelegd inzake bijstandverlening</para>
      <para>in reiskosten in verband met bezoek aan gedetineerden.</para>
      <para>Uit deze regels blijkt dat in het algemeen een bezoek</para>
      <para>(binnen Nederland) van alle achterblijvende gezinsleden</para>
      <para>met een frequentie van 1x per maand als noodzakelijk in</para>
      <para>de zin van de ABW kan worden beschouwd.</para>
      <para>In geval van detentie buiten Nederland worden de reiskosten</para>
      <para>echter niet als noodzakelijke bestaanskosten</para>
      <para>aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het komt Ons echter niet juist voor dat kosten welke</para>
      <para>binnen Nederland als noodzakelijke kosten van het bestaan</para>
      <para>worden gezien, dat karakter zouden verliezen uitsluitend</para>
      <para>doordat zij zich buiten de landsgrenzen voordoen.</para>
      <para>Naar Ons voorlopig oordeel is het echter het in</para>
      <para>artikel 1, eerste lid, van de ABW neergelegde territorialiteitsbeginsel,</para>
      <para>dat in de weg staat aan bijstandverlening</para>
      <para>voor de kosten van reizen in het buitenland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre</para>
      <para>kosten voor bijstandsverlening in aanmerking komen,</para>
      <para>heeft als uitgangspunt te gelden, dat de mogelijkheid van</para>
      <para>bijstandverlening is gebonden aan verblijf hier te lande.</para>
      <para>Het verdraagt zich niet met genoemd beginsel bij de toepassing</para>
      <para>van de ABW rekening te houden met kosten die</para>
      <para>verband houden met een verblijf buiten Nederland.</para>
      <para>Reiskosten, verbonden aan reizen in het buitenland komen</para>
      <para>dan ook, naar Ons voorlopig oordeel, niet voor bijstandverlening</para>
      <para>in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wij achten het dan ook niet aannemelijk dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, waar het de uitleg van artikel 1 van de</para>
      <para>ABW betreft, in stand zal kunnen blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het reiskosten betreft, gemaakt binnen</para>
      <para>Nederland, behoeft, naar Ons voorlopig oordeel,</para>
      <para>meergenoemd beginsel geen belemmering te zijn.</para>
      <para>Deze kosten zouden, gelet op het door verzoeker</para>
      <para>gehanteerde beleid inzake reiskosten in verband met bezoek aan</para>
      <para>gedetineerden binnen Nederland, voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>kunnen komen indien en voor zover zij als bijzondere</para>
      <para>noodzakelijk kosten van het bestaan als bedoeld in</para>
      <para>artikel 18a van het Bijstandsbesluit landelijke normering</para>
      <para>kunnen worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak is dan ook terecht overwogen</para>
      <para>dat, nu verzoeker geen acht heeft geslagen op de individuele</para>
      <para>omstandigheden waarin gedaagde verkeerde, het</para>
      <para>bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vraag is of, gelet op het vorenoverwogene, een voorlopige</para>
      <para>voorziening moet worden getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij een onmiddellijke uitvoering van de</para>
      <para>uitspraak in zoverre belang dat met spoed een nieuw</para>
      <para>besluit wordt genomen omtrent haar recht op bijstand in</para>
      <para>de door haar gemaakte en te maken reiskosten. Hoe dat</para>
      <para>besluit zal uitvallen staat nog niet vast. In de algemeen</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan van gedaagde en haar</para>
      <para>kinderen is voorzien doordat haar een uitkering ingevolge</para>
      <para>de ABW is verleend. In haar vervoer naar Duitsland is tot</para>
      <para>nu toe voorzien door familie. Niet gebleken is dat zij in</para>
      <para>ernstige financiële moeilijkheden is geraakt of zal</para>
      <para>geraken doordat de in geding zijnde bijstand (nog) niet</para>
      <para>is verleend.</para>
      <para>Daartegen moet worden afgewogen het belang dat verzoeker</para>
      <para>er bij heeft dat hij zich in afwachting van een uitspraak</para>
      <para>van de Raad in de bodemprocedure, bij de uitvoering van</para>
      <para>de door de rechtbank gegeven uitspraak niet gebonden</para>
      <para>hoeft te achten aan de overwegingen omtrent de reikwijdte</para>
      <para>van het territorialiteitsbeginsel.</para>
      <para>Wij zijn van oordeel dat het belang van verzoeker in dit</para>
      <para>geval zwaarder dient te wegen dan dat van gedaagde.</para>
      <para>Daarbij kan nog worden opgemerkt dat het door verzoeker</para>
      <para>te nemen besluit met toepassing van de artikelen 6:18 en</para>
      <para>6:19 van de Awb gelijktijdig met de thans bij de Raad</para>
      <para>aanhangig zijnde bodemprocedure aan de orde kan komen,</para>
      <para>indien met dat nieuwe besluit aan de bezwaren van</para>
      <para>gedaagde niet geheel tegemoet mocht worden gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het verzoek om</para>
      <para>een voorlopige voorziening te treffen wordt ingewilligd</para>
      <para>op de wijze als hieronder zal worden aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb achten Wij geen termen aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De President van de Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Schorst de werking van de uitspraak van de arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Amsterdam d.d. 14 maart 1996 in</para>
      <para>zoverre dat verzoeker bij het nemen van een nieuw besluit</para>
      <para>ter uitvoering van die uitspraak de overwegingen betrekking</para>
      <para>hebbend op de reikwijdte van het in artikel 1,</para>
      <para>eerste lid, van de ABW neergelegde territorialiteitsbeginsel</para>
      <para>niet in acht behoeft te nemen, totdat op het</para>
      <para>hoger beroep in de bodemprocedure zal zijn beslist;</para>
      <para>Bepaalt dat de griffier het door verzoeker gestorte</para>
      <para>griffierecht ad f 600,-- aan verzoeker terugbetaalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven op 11 juli 1996 door mr C.G. Kasdorp als</para>
      <para>president, in tegenwoordigheid van M. Knot als griffier</para>
      <para>en op die datum in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M. Knot.</para>
    <para />
    <para />
    <para>is</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>