<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6324</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:18:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6324</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-07-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/6874 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1996-07-16">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 233 met annotatie van I.C. van der Vlies</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 23</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6324">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6324</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6324 Centrale Raad van Beroep , 16-07-1996 / 95/6874 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6324:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen sprake van door een derde beroepsmatig  verleende rechtsbijstand, nu is komen vast te staan dat de gemachtigde in het kader van vrijwilligerswerk bij de ANIB bijstand heeft verleend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6324:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/6874 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de</para>
      <para>gemeente Nieuw-Schoonebeek, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 30 november 1994 is appellant vanwege</para>
      <para>gedaagde in kennis gesteld van het besluit hem op grond</para>
      <para>van artikel 3.1 van de verordening Wet voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten (de verordening) van de gemeente</para>
      <para>Nieuw-Schoonebeek een individuele vervoersvoorziening toe</para>
      <para>te kennen tot een bedrag van f 1.625,-- per jaar. Tevens</para>
      <para>is appellant vanwege gedaagde bij die brief in kennis</para>
      <para>gesteld van het op grond van de verordening genomen</para>
      <para>besluit tot afwijzing van het verzoek van appellant om</para>
      <para>verhuis- en inrichtingskosten te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft het bezwaar van appellant, gericht op</para>
      <para>beide onderdelen van voormeld besluit, bij besluit van</para>
      <para>20 januari 1995, dat in fotocopie aan deze uitspraak is</para>
      <para>gehecht, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 23 augustus 1995 het tegen laatstvermeld besluit</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit</para>
      <para>vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het</para>
      <para>vernietigde besluit geheel in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft drs. J. Janssen,</para>
      <para>gehandicaptenadviseur van de ANIB, bond van gehandicapten</para>
      <para>en arbeidsongeschikten, hoger beroep ingesteld en de Raad</para>
      <para>op bij het beroepschrift (met bijlage) aangevoerde</para>
      <para>gronden verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen</para>
      <para>en te bepalen dat appellant aanspraak kan maken op een</para>
      <para>hogere vervoersvergoeding, alsmede een</para>
      <para>saneringsvergoeding en gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 10 november 1995 heeft gedaagde van</para>
      <para>verweer gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 12 juni 1996 (met bijlagen) en 14 juni</para>
      <para>1996 (met bijlage) zijn de gronden voor het beroep nader</para>
      <para>aangevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
      <para>op 25 juni 1996, waar appellant is verschenen bij zijn</para>
      <para>gemachtigde drs Janssen, voornoemd, en waar gedaagde zich</para>
      <para>heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Nieuw-Schoonebeek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren [datum] 1939, ontving tot 1 april 1994</para>
      <para>op grond van artikel 57, tweede lid van de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW), zoals die</para>
      <para>bepaling tot die datum luidde, een</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding van de Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>de Metaalnijverheid. Aansluitend heeft de gemeente</para>
      <para>Alkmaar, waar appellant toendertijd woonachtig was, deze</para>
      <para>vergoeding ongewijzigd voortgezet onder toepassing van de</para>
      <para>op de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg)</para>
      <para>steunende Gemeentelijke Verordening Voorzieningen</para>
      <para>Gehandicapten. In verband met de verhuizing van appellant</para>
      <para>naar de gemeente Nieuw-Schoonebeek heeft de gemeente</para>
      <para>Alkmaar deze vergoeding per 1 september 1994 beëindigd.</para>
      <para>Bij gedaagde heeft appellant daarop aan aanvraag tot een</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding en een financiële tegemoetkoming</para>
      <para>in verband met zijn verhuizing ingediend. Bij besluit van</para>
      <para>30 november 1994 heeft gedaagde een</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding tot een bedrag van f 1.625,-- toegekend</para>
      <para>en een financiële tegemoetkoming in de</para>
      <para>verhuis- en inrichtingskosten afgewezen. Aan dit besluit</para>
      <para>ligt een advies van 9 november 1994 van de GGD Zuidoost-Drente</para>
      <para>ten grondslag, waarbij gevoegd was een bijlage met</para>
      <para>een overzicht van de voor appellant geldende medische</para>
      <para>beperkingen. Alvorens het besluit van</para>
      <para>30 november 1994 te nemen is op 23 november 1994 van de</para>
      <para>zijde van gedaagde nog telefonisch bij de GGD nader</para>
      <para>advies gevraagd met betrekking tot de vraag of de</para>
      <para>verhuizing van appellant van Alkmaar naar Schoonebeek</para>
      <para>medisch noodzakelijk was.</para>
      <para>Tijdens de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting van</para>
      <para>2 januari 1994 heeft appellant betwist dat de GGD</para>
      <para>inlichtingen had ingewonnen bij zijn behandelend</para>
      <para>longarts. Voorts heeft hij onder overlegging van een</para>
      <para>verklaring van zijn huisarts gesteld dat hij in verband</para>
      <para>met zijn medische klachten is aangewezen op een</para>
      <para>gesaneerde woning en heeft hij een brief van zijn</para>
      <para>cardioloog overgelegd waaruit blijkt dat deze niet</para>
      <para>afwijzend stond tegenover zijn verhuizing. Tevens heeft</para>
      <para>appellant een specificatie verstrekt van de bij hem</para>
      <para>bestaande vervoersbehoefte en het door hem in verband</para>
      <para>hiermee te verrijden aantal kilometers. Ook heeft</para>
      <para>appellant tijdens de hoorzitting kenbaar gemaakt zich</para>
      <para>niet opnieuw aan een medische keuring te willen</para>
      <para>onderwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft gedaagde vervolgens zijn</para>
      <para>besluit van 30 november 1994 gehandhaafd.</para>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het</para>
      <para>bestreden besluit vernietigd, daartoe in het kader van de</para>
      <para>toegekende vervoerskostenvergoeding als volgt overwegend:</para>
      <para>"Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op een</para>
      <para>advies van de GGD. Gebleken is echter dat verweerder geen</para>
      <para>kennis heeft genomen, voorafgaande aan het besluit van 30</para>
      <para>november 1994 en het bestreden besluit, van de aan het</para>
      <para>GGD-advies ten grondslag liggende stukken. Verweerder</para>
      <para>heeft derhalve niet zelf kunnen controleren of het advies</para>
      <para>zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk concludent</para>
      <para>is en heeft daarmee gehandeld in strijd met de artikelen</para>
      <para>3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het</para>
      <para>bestreden besluit in stand gelaten, omdat dit naar haar</para>
      <para>oordeel inhoudelijk op juiste gronden was genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal, evenals de rechtbank, eerst bezien of de</para>
      <para>advisering door de GGD en de besluitvorming door gedaagde</para>
      <para>voldoen aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van</para>
      <para>behoorlijk bestuur in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>en de jurisprudentie zijn gesteld. Dienaangaande merkt de</para>
      <para>Raad op dat artikel 3:2 van de Awb van het bestuursorgaan</para>
      <para>dat met de besluitvorming is belast in de eerste plaats</para>
      <para>eist, dat het de nodige kennis vergaart omtrent de</para>
      <para>relevante feiten en de af te wegen belangen. Indien,</para>
      <para>zoals in het onderhavige geval, voor het vaststellen van</para>
      <para>die feiten mede gebruik moet worden gemaakt van</para>
      <para>deskundigheid waarover het bestuursorgaan niet zelf</para>
      <para>beschikt, kan gebruik worden gemaakt van advisering door</para>
      <para>daartoe door het bestuursorgaan in te schakelen</para>
      <para>deskundige adviseurs.</para>
      <para>Artikel 3:9 van de Awb verlangt dan van het</para>
      <para>bestuursorgaan dat van zodanige adviezen gebruik maakt,</para>
      <para>dat het zich ervan vergewist dat het door de adviseur</para>
      <para>verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft</para>
      <para>plaatsgevonden. Om die reden kan van een deugdelijke</para>
      <para>advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt</para>
      <para>daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die</para>
      <para>adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens</para>
      <para>deze tot stand zijn gebracht en welke procedure bij het</para>
      <para>tot stand brengen van die adviezen is gevolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet in het onderhavige geval onvoldoende reden</para>
      <para>om het bestreden besluit op grond van evenvermelde</para>
      <para>wettelijke bepalingen te vernietigen.</para>
      <para>Daartoe overweegt de Raad als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit is de medische noodzaak voor</para>
      <para>een vervoerskostenvergoeding door gedaagde (impliciet)</para>
      <para>aanvaard en is alleen geweigerd die vergoeding op een</para>
      <para>hoger bedrag vast te stellen dan het voor appellant</para>
      <para>geldende normbedrag. Tussen partijen is ook niet in</para>
      <para>geschil dat appellant op medische gronden in aanmerking</para>
      <para>dient te komen voor een vervoerskostenvergoeding. Wel is</para>
      <para>de vraag aan de orde of, gegeven die ook door de GGD</para>
      <para>vastgestelde noodzaak, deze vergoeding in relatie tot de</para>
      <para>vervoersbehoefte van appellant door gedaagde niet op een</para>
      <para>te laag bedrag is vastgesteld. Nu voor de hoogte van de</para>
      <para>gevraagde vergoeding de vraag of het - primair op de</para>
      <para>medische aspecten gerichte - advies van de GGD op</para>
      <para>zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of gedaagde</para>
      <para>zich daarvan heeft vergewist, niet van doorslaggevend</para>
      <para>belang is, kan de Raad aan die vraag niet hetzelfde</para>
      <para>zwaarwegende en voor het onderhavige geschil beslissende</para>
      <para>belang toekennen als de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet evenmin grond om te oordelen dat gedaagde in</para>
      <para>strijd is gekomen met het bepaalde in artikel 3:2 en 3:9</para>
      <para>van de Awb door bij de afwijzing van de door appellant</para>
      <para>gevraagde financiële tegemoetkoming in verband met zijn</para>
      <para>verhuizing, het advies te volgen van de GGD dat het voor</para>
      <para>appellant niet noodzakelijk was te verhuizen. Daarbij</para>
      <para>heeft de Raad doorslaggevende betekenis gehecht aan de</para>
      <para>wijze waarop de besluitvorming is verlopen, zoals deze</para>
      <para>aan de gedingstukken valt te ontlenen.</para>
      <para>Uit het advies van 9 november 1994 van de GGD-arts</para>
      <para>J.J. Tiessen blijkt dat deze van oordeel was dat</para>
      <para>verhuizing naar een andere woning voor appellant medisch</para>
      <para>niet geïndiceerd was en dat dit oordeel tot stand is</para>
      <para>gekomen na het opvragen van medische informatie. Gedaagde</para>
      <para>heeft dit advies bij brief van 15 november 1994 aan</para>
      <para>appellant toegezonden en hem met toepassing van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 4:7 van de Awb in de gelegenheid</para>
      <para>gesteld zijn zienswijze daarop schriftelijk naar voren te</para>
      <para>brengen. Van die mogelijkheid heeft appellant per kerende</para>
      <para>post bij brief van 16 november 1994 gebruik gemaakt. De</para>
      <para>inhoud van dit schrijven is voor gedaagde aanleiding</para>
      <para>geweest op 23 november 1994 nader advies te vragen aan</para>
      <para>voornoemde GGD-arts met betrekking tot de noodzaak van</para>
      <para>verhuizing van appellant van Alkmaar naar</para>
      <para>Nieuw-Schoonebeek in verband met zijn long- en</para>
      <para>hartklachten. De GGD heeft geen aanleiding gevonden het</para>
      <para>eerder gegeven advies te wijzigen.</para>
      <para>Voorts heeft gedaagde bij de besluitvorming de verklaring</para>
      <para>betrokken van de huisarts A.J. Engbers die appellant</para>
      <para>tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase voorafgaand aan</para>
      <para>het bestreden besluit heeft overgelegd. De daarin</para>
      <para>vervatte visie dat appellant op een gesaneerde woning is</para>
      <para>aangewezen heeft gedaagde blijkens de aan de</para>
      <para>besluitvorming ten grondslag liggende stukken als juist</para>
      <para>aanvaard en afgewogen tegen het hem bekende gegeven dat</para>
      <para>appellant ook in Alkmaar over een dergelijke woning de</para>
      <para>beschikking had. Ook de overige door appellant ter</para>
      <para>hoorzitting verstrekte inlichtingen, als hiervoor</para>
      <para>vermeld, heeft gedaagde bij de besluitvorming betrokken.</para>
      <para>Nu deze geen aanleiding geven voor de veronderstelling</para>
      <para>dat het advies van de GGD niet gevolgd zou kunnen worden,</para>
      <para>ziet de Raad geen reden de besluitvorming van gedaagde</para>
      <para>deswege in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en</para>
      <para>3:9 van de Awb te achten.</para>
      <para>Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat het</para>
      <para>bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze is</para>
      <para>voorbereid. Blijkens de in eerste aanleg overgelegde</para>
      <para>stukken met betrekking tot de advisering door de GGD</para>
      <para>heeft de GGD-arts Tiessen appellant medisch onderzocht en</para>
      <para>schriftelijke inlichtingen ingewonnen bij de huisarts</para>
      <para>Engbers, waardoor hij op de hoogte was van de aard van</para>
      <para>appellants long- en hartklachten en de hem in verband</para>
      <para>daarmee voorgeschreven medicijnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervoerskostenvergoeding</para>
      <para>Met betrekking tot de aan appellant door gedaagde</para>
      <para>toegekende vervoerskostenvergoeding overweegt de Raad</para>
      <para>allereerst in het voetspoor van zijn onder de vigeur van</para>
      <para>artikel 57, tweede lid van de AAW ontwikkelde</para>
      <para>jurisprudentie en onder verwijzing naar hetgeen hij heeft</para>
      <para>overwogen in zijn uitspraak van 11 april 1995, RSV</para>
      <para>1995/282, dat een vervoersvoorziening als hier aan</para>
      <para>appellant door gedaagde is toegekend, is bedoeld om</para>
      <para>binnen zijn directe woon- en leefomgeving in voldoende</para>
      <para>mate zijn sociale contacten te onderhouden en deel te</para>
      <para>nemen aan het leven van alledag en dat het bezoek aan</para>
      <para>elders wonende familieleden, vrienden en kennissen</para>
      <para>daarbij, behoudens uitzonderingsgevallen, buiten</para>
      <para>beschouwing dient te worden gelaten. Dat appellant ter</para>
      <para>voorkoming van vereenzaming op contacten als</para>
      <para>laatstbedoeld zodanig was aangewezen dat hier van een</para>
      <para>uitzonderingsgeval moet worden gesproken, acht de Raad</para>
      <para>onvoldoende aannemelijk geworden.</para>
      <para>De Raad verheelt daarbij niet dat het bezoek aan zijn in</para>
      <para>Spijkenisse wonende moeder (die hem vanwege haar</para>
      <para>lichamelijke toestand niet meer kan bezoeken) voor</para>
      <para>appellant aanmerkelijke kosten met zich brengt en dat die</para>
      <para>bij bekostiging uit de toegekende</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding een aanzienlijk beslag daarop</para>
      <para>leggen. Dat kan evenwel geen afbreuk doen aan evenvermeld</para>
      <para>uitgangspunt. De Raad merkt daarbij nog op dat bij de</para>
      <para>vraag of een vervoersvoorziening als de onderhavige is</para>
      <para>aangewezen er niet van behoeft te worden uitgegaan dat</para>
      <para>alle bij de betrokkene levende wensen voor vervulling in</para>
      <para>aanmerking dienen te komen, maar slechts een zodanig</para>
      <para>aantal dat nog gezegd kan worden dat betrokkene - van wie</para>
      <para>in redelijkheid kan worden gevergd dat hij of zij zich</para>
      <para>zekere beperkingen getroost - binnen het naaste woon- en</para>
      <para>leefmilieu nog in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het</para>
      <para>leven van alledag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar uit het hiervoor overwogene volgt is met toekenning</para>
      <para>bij het bestreden besluit aan appellant van een bedrag</para>
      <para>van f 1.625,- per jaar, hetgeen overeenkomt met 2500 te</para>
      <para>verrijden kilometers, geen situatie ontstaan waardoor</para>
      <para>gezegd zou moeten worden dat geen sprake meer is van</para>
      <para>deelname door appellant aan het maatschappelijk verkeer</para>
      <para>als hiervoor bedoeld en zoals voorzien in artikel 2 van</para>
      <para>de Wvg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Financiële tegemoetkoming na verhuizing</para>
      <para>De aanvraag tot een financiële tegemoetkoming in verband</para>
      <para>met de verhuizing van Alkmaar naar Nieuw-Schoonebeek</para>
      <para>steunt, naar tussen partijen in confesso is, op het</para>
      <para>bepaalde in artikel 2.11 van de verordening, en ziet op</para>
      <para>vergoeding van de saneringskosten van de nieuwe woning</para>
      <para>van appellant in verband met zijn longklachten. Geheel</para>
      <para>daarlatend of die verhuizing en sanering op grond van een</para>
      <para>sociale en/of medische noodzaak dringend wenselijk is,</para>
      <para>welke voorwaarde wordt gesteld in artikel 2.11 van de</para>
      <para>verordening, ziet de Raad de afwijzing van het daartoe</para>
      <para>strekkend verzoek van appellant reeds hierom standhouden,</para>
      <para>nu van de zijde van gedaagde er ter zitting van de Raad</para>
      <para>terecht op is gewezen dat inrichtingskosten bij</para>
      <para>verhuizing naar een andere woning algemeen gebruikelijk</para>
      <para>zijn en dat appellant bij de inrichting van zijn woning</para>
      <para>rekening heeft kunnen houden met de daarbij voor hem</para>
      <para>geldende saneringseisen. Niet gesteld is van de zijde van</para>
      <para>appellant, noch anderszins is de Raad gebleken, dat zijn</para>
      <para>verhuizing naar Nieuw-Schoonebeek een zodanig acuut</para>
      <para>karakter had dat hij plotseling voor extra uitgaven is</para>
      <para>komen te staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ook overigens niet is gebleken dat het bestreden</para>
      <para>besluit is genomen in strijd met enige in casu van</para>
      <para>toepassing zijnde geschreven of ongeschreven regel van</para>
      <para>(supra)nationaal recht of met een beginsel van behoorlijk</para>
      <para>bestuur, treft het ingestelde hoger beroep doel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank ten</para>
      <para>onrechte tot vernietiging van het bestreden besluit is</para>
      <para>overgegaan, zodat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep</para>
      <para>alsnog ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om een</para>
      <para>proceskostenveroordeling uit te spreken op grond van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. In artikel 1 aanhef</para>
      <para>en onder a van het Besluit Proceskosten bestuursrecht is</para>
      <para>bepaald dat een veroordeling in de kosten uitsluitend</para>
      <para>betrekking kan hebben op kosten van een door een derde</para>
      <para>beroepsmatig verleende bijstand. Mede gelet op het</para>
      <para>verhandelde ter zitting staat voor de Raad vast dat</para>
      <para>daarvan in het geval van appellant, wiens gemachtigde in</para>
      <para>het kader van zijn vrijwilligerswerk voor de ANIB</para>
      <para>bijstand heeft verleend, geen sprake is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist dient te worden als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond;</para>
      <para>Verstaat dat de gemeente Schoonebeek aan appellant het</para>
      <para>gestorte recht van ƒ 150,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr. D.J. van der Vos en mr. R.A.F. de Guasco als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van F.E. Rosingh als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 16 juli 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) F.E. Rosingh.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AS</para>
      <para>1308</para>
      <para>+B</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>