<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:39:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6321</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-08-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/3765 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:84&amp;g=1996-08-13">Algemene wet bestuursrecht 8:84</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:86&amp;g=1996-08-13">Algemene wet bestuursrecht 8:86</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75 (oud)&amp;g=1996-08-13">Algemene wet bestuursrecht 8:75 (oud)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:84 (oud)&amp;g=1996-08-13">Algemene wet bestuursrecht 8:84 (oud)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=18&amp;g=1996-08-13">Beroepswet 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=18&amp;g=1996-08-13">Beroepswet 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 46</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-03-27T11:52:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321 Centrale Raad van Beroep , 13-08-1996 / 95/3765 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omvang geding hoger beroep. Hoger beroep tegen afwijzing verzoek proceskostenveroordeling terzake van verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en terzake van het beroep wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>95/3765 AAW/WAO                                   O.</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., appellante,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-,</para>
    <para>Café-, Pension- en aanverwante bedrijven, gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens appellante is mr O.Z.K. Bánki, advocaat te</para>
    <para>Deventer, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
    <para>gronden in hoger beroep gekomen van een, volgens die</para>
    <para>uitspraak, door de rechtbank te Zutphen onder dagtekening</para>
    <para>10 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar</para>
    <para>hierbij wordt verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop</para>
    <para>namens appellante is gereageerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van</para>
    <para>de Raad op 16 juli 1996, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 11 januari 1995 heeft gedaagde geweigerd</para>
    <para>aan appellante, in aansluiting op de verstrekking van</para>
    <para>ziekengeld, met ingang van 24 februari 1995 uitkeringen</para>
    <para>krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet</para>
    <para>op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, op</para>
    <para>de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid</para>
    <para>per die datum minder dan 15% bedroeg.</para>
    <para>Appellante werd geacht met de bij haar bestaande</para>
    <para>beperkingen passende werkzaamheden te kunnen verrichten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De in dit besluit vervatte beslissing berust wat betreft</para>
    <para>het medische aspect daarvan op het</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundig oordeel dat de prognose ten</para>
    <para>aanzien van de bij appellante vastgestelde medische</para>
    <para>beperkingen dubieus was. Appellante werd geschikt geacht</para>
    <para>alle activiteiten te verrichten waarbij de enkelbelasting</para>
    <para>sporadisch en minimaal is.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op basis van arbeidskundig onderzoek werd appellante</para>
    <para>ongeschikt geacht voor haar eigen werk als part-time</para>
    <para>cateringmedewerkster. Appellante werd wel in staat geacht</para>
    <para>om een aantal haar voorgehouden functies te verrichten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens appellante is tegen het bestreden besluit op</para>
    <para>15 februari 1995 beroep ingesteld. In het aanvullend</para>
    <para>beroepschrift is, onder verwijzing naar een brief d.d.</para>
    <para>24 februari 1995 van appellantes behandelend chirurg</para>
    <para>dr H.W. Bolhuis, bestreden dat de prognose ten aanzien</para>
    <para>van appellantes medische beperkingen dubieus is.</para>
    <para>Appellante stelde zich op het standpunt dat zij</para>
    <para>verwachtte binnen enkele weken weer te kunnen hervatten</para>
    <para>in haar eigen werk. Namens appellante is onder meer</para>
    <para>gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en</para>
    <para>gedaagde in de proceskosten te veroordelen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante heeft op 13 april 1995 de president van de</para>
    <para>rechtbank doen verzoeken om met toepassing van artikel</para>
    <para>8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het</para>
    <para>bestreden besluit te schorsen. Daarbij is namens</para>
    <para>appellante aangevoerd dat door het bestreden besluit</para>
    <para>onduidelijkheid is ontstaan over de rechtspositie van</para>
    <para>appellante tegenover de werkgever. Volgens appellante</para>
    <para>wilde de werkgever haar niet laten hervatten in haar</para>
    <para>eigen werk omdat deze werkgever de opvatting was</para>
    <para>toegedaan dat appellante, aangezien zij kennelijk niet</para>
    <para>geschikt werd geacht voor het verrichten van haar eigen</para>
    <para>werkzaamheden, onverzekerd werkte indien zij daarin toch</para>
    <para>zou hervatten. Voorts is gevorderd gedaagde in de</para>
    <para>proceskosten te veroordelen ter zake van deze procedure.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter zitting van de president van de rechtbank op 27 april</para>
    <para>1995, is namens appellante medegedeeld dat dr Bolhuis had</para>
    <para>toegezegd per brief te zullen verklaren dat appellante</para>
    <para>vanaf 30 maart 1995 volledig geschikt is voor haar eigen</para>
    <para>werk. Namens gedaagde is vervolgens toegezegd dat zijn</para>
    <para>Medische Dienst het oordeel van dr. Bolhuis hieromtrent</para>
    <para>integraal zou overnemen. Die Medische Dienst zou dit ook</para>
    <para>mededelen aan de werkgever van appellante.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde van</para>
    <para>appellante, eveneens te genoemder zitting van de</para>
    <para>president van de rechtbank, zowel het verzoek om</para>
    <para>toepassing van artikel 8:81 van de Awb als het beroep</para>
    <para>tegen het bestreden besluit ingetrokken onder het</para>
    <para>tegelijkertijd gedane verzoek om gedaagde te veroordelen</para>
    <para>in de proceskosten ter zake van beide procedures.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het</para>
    <para>verzoek afgewezen om gedaagdes bedrijfsvereniging in de</para>
    <para>kosten te veroordelen die appellante in verband met de</para>
    <para>behandeling van het beroep en het verzoek om een</para>
    <para>voorlopige voorziening heeft moeten maken. De rechtbank</para>
    <para>heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of in het</para>
    <para>onderhavige geval moet worden gezegd dat gedaagde geheel</para>
    <para>of gedeeltelijk aan appellante tegemoet is gekomen, omdat</para>
    <para>ook als dit het geval zou zijn de rechtbank onvoldoende</para>
    <para>gronden aanwezig achtte om gedaagde te veroordelen in de</para>
    <para>proceskosten van appellante. In dit verband heeft de</para>
    <para>rechtbank overwogen dat niet gezegd kan worden dat het</para>
    <para>bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het aanvullend hoger beroepschrift is namens</para>
    <para>appellante gevorderd dat het bestreden besluit wordt</para>
    <para>vernietigd. Voorts heeft appellante doen aanvoeren dat</para>
    <para>gedaagde, door te beslissen dat appellante met ingang van</para>
    <para>30 maart 1995 geschikt wordt geacht om haar eigen werk te</para>
    <para>hervatten wel degelijk tegemoet gekomen is aan</para>
    <para>appellante. Om die reden acht appellante het aangewezen</para>
    <para>dat gedaagde door de Raad veroordeeld wordt in de</para>
    <para>proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om</para>
    <para>een voorlopige voorziening, alsmede in de proceskosten</para>
    <para>ter zake van het beroep in eerste aanleg. Ten slotte</para>
    <para>heeft appellante de Raad verzocht gedaagde te veroordelen</para>
    <para>in de proceskosten in hoger beroep.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad overweegt allereerst dat de vormgeving van de</para>
    <para>aangevallen uitspraak erop zou kunnen duiden dat deze</para>
    <para>uitspraak is gedaan door de rechtbank. De Raad is echter</para>
    <para>van oordeel dat niet de rechtbank maar de president van</para>
    <para>de rechtbank deze uitspraak heeft gegeven. Dit leidt de</para>
    <para>Raad af uit het dictum van die uitspraak, waarin zowel</para>
    <para>een beslissing is gegeven omtrent appellantes verzoek tot</para>
    <para>veroordeling in de proceskosten ter zake van de door haar</para>
    <para>gevraagde toepassing van artikel 8:81 van de Awb als ter</para>
    <para>zake van het beroep tegen het bestreden besluit. Nu het</para>
    <para>hier naar het oordeel van de Raad een kennelijke misslag</para>
    <para>betreft, zal de Raad deze uitspraak lezen als te zijn</para>
    <para>gedaan door de president van de rechtbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts overweegt de Raad dat de president van de</para>
    <para>rechtbank kennelijk toepassing heeft gegeven aan artikel</para>
    <para>8:86, eerste lid, van de Awb. De Raad is hieromtrent van</para>
    <para>oordeel dat deze bepaling in het onderhavige geval</para>
    <para>toegepast kon worden, nu namens appellante ter zitting</para>
    <para>van de president van de rechtbank, onder intrekking van</para>
    <para>het verzoek tot een voorlopige voorziening, alsmede onder</para>
    <para>intrekking van het beroep in de hoofdzaak, is verzocht om</para>
    <para>het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten ter</para>
    <para>zake van die procedures.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ten aanzien van de namens appellante in hoger beroep</para>
    <para>gedane vordering tot vernietiging van het bestreden</para>
    <para>besluit overweegt de Raad dat, aangezien appellante het</para>
    <para>beroep tegen het bestreden besluit ter zitting van de</para>
    <para>president van de rechtbank heeft ingetrokken, dat besluit</para>
    <para>als zodanig geen onderwerp van het geding meer uitmaakt,</para>
    <para>zodat appellantes hoger beroep op dit punt niet-ontvankelijk</para>
    <para>moet worden verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met betrekking tot de vraag die partijen in hoger beroep</para>
    <para>verdeeld houdt, voor zover de proceskosten betreffende,</para>
    <para>heeft de Raad het volgende overwogen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge artikel 8:75, derde lid (oud) van de Awb kan de</para>
    <para>rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat</para>
    <para>het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener</para>
    <para>van het beroepschrift tegemoet is gekomen, het</para>
    <para>bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke</para>
    <para>uitspraak in de kosten veroordelen. Op grond van</para>
    <para>artikel 8:84, vierde lid (oud) van de Awb komt een gelijke</para>
    <para>bevoegdheid toe aan de president van de rechtbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van artikel 18, eerste lid van de Beroepswet</para>
    <para>(Bw) kan een belanghebbende bij de Raad hoger beroep</para>
    <para>instellen tegen, voor zover hier van belang, een</para>
    <para>uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6</para>
    <para>van de Awb en tegen een uitspraak van de president van de</para>
    <para>rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge artikel 18, tweede lid, onder c van de Bw kan</para>
    <para>geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak</para>
    <para>van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel</para>
    <para>8:84, tweede lid van de Awb. Gelet op deze bepaling is de</para>
    <para>Raad van oordeel dat evenmin hoger beroep kan worden</para>
    <para>ingesteld tegen een beslissing van die president over de</para>
    <para>proceskosten ter zake van het verzoek om een voorlopige</para>
    <para>voorziening, ook wanneer een dergelijke beslissing wordt</para>
    <para>gegeven met toepassing van artikel 8:86 van de Awb.</para>
    <para>Derhalve moet ook in zoverre het hoger beroep van</para>
    <para>appellante niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is voorts van oordeel dat het hoger beroep van</para>
    <para>appellante gericht tegen de aangevallen uitspraak voor</para>
    <para>zover betrekking hebbend op de proceskosten ter zake van</para>
    <para>het beroep tegen het bestreden besluit niet kan slagen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Daartoe overweegt de Raad dat ingevolge artikel 8:75,</para>
    <para>derde lid (oud) van de Awb het bestuursorgaan slechts in</para>
    <para>de proceskosten kan worden veroordeeld in het geval dat</para>
    <para>het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel</para>
    <para>of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift</para>
    <para>tegemoet is gekomen. Het beroep van appellante is niet</para>
    <para>ingetrokken omdat gedaagde geheel of gedeeltelijk aan</para>
    <para>appellante tegemoet gekomen is, maar omdat gedaagde ter</para>
    <para>zitting van de president van de rechtbank toegezegd had</para>
    <para>dat zijn Medische Dienst het oordeel van dr Bolhuis over</para>
    <para>zou nemen waarbij appellante per 30 maart 1995 weer</para>
    <para>arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen</para>
    <para>werkzaamheden. Het bestreden besluit is niet ingetrokken.</para>
    <para>Het is evenmin gewijzigd ten aanzien van het bij dat</para>
    <para>besluit beoogde rechtsgevolg noch ten aanzien van de</para>
    <para>daaraan gegeven motivering. Dat besluit bleef mitsdien op</para>
    <para>de datum waarop het betrekking heeft onverkort de</para>
    <para>rechtsbetrekking tussen partijen bepalen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor</para>
    <para>bevestiging in aanmerking voor zover daarbij appellantes</para>
    <para>verzoek is afgewezen om gedaagde te veroordelen in de</para>
    <para>kosten die appellante in verband met de behandeling van</para>
    <para>het beroep heeft moeten maken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht geen termen aanwezig om voor de procedure in</para>
    <para>hoger beroep toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
    <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek</para>
    <para>tot vernietiging van het bestreden besluit en in haar</para>
    <para>hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover</para>
    <para>betrekking hebbend op de kosten die appellante in verband</para>
    <para>met de behandeling van het verzoek om toepassing van</para>
    <para>artikel 8:81 van de Awb heeft moeten maken;</para>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
    <para>mr M.M. van der Kade en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 1996.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
  <para />
  <para>(get.) B.C. Rog.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>BvW</para>
    <para>23/8</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>