<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:49:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6248</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/1321 CSV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16a&amp;g=1996-07-22">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16b&amp;g=1996-07-22">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 45</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1996, 251 met annotatie van C.F. de Lemos Benvindo</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:48:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248 Centrale Raad van Beroep , 22-07-1996 / 95/1321 CSV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Gelijke behandeling van aannemer en inlener bij hoofdelijke</para>
        <para> aansprakelijkstelling? Wetsinterpreterende regels; motiveringsplicht.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/1321 CSV</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K                        O.</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en</para>
      <para>aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>B.V. X., gevestigd te Y., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 17 augustus 1992 heeft appellant aan</para>
      <para>gedaagde kennis gegeven van zijn beslissing dat gedaagde</para>
      <para>op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale</para>
      <para>Verzekering (hierna: CwSV) tot een bedrag van f 36.905,56</para>
      <para>hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de premies</para>
      <para>ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet</para>
      <para>die b.v. Q. te P. (hierna: Q.) verschuldigd is in verband met door</para>
      <para>haar werknemers in 1985 voor gedaagde in onderaanneming</para>
      <para>uitgevoerde werkzaamheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 17 maart 1995 het door gedaagde tegen voormelde</para>
      <para>beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en de</para>
      <para>bestreden beslissing vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. In een aanvullend beroepschrift van 19 juli</para>
      <para>1995 (met bijlage) zijn de gronden voor het hoger beroep</para>
      <para>uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 6 oktober 1995 is namens gedaagde door</para>
      <para>mr G.A.M. Lieshout, belastingadviseur te Amstelveen, een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 22 december 1995 heeft appellant desgevraagd</para>
      <para>nadere stukken ingezonden en daarnaast gereageerd</para>
      <para>op het verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>25 maart 1996. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr A.C.J.M. Schröder, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr Lieshout, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad</para>
      <para>is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest,</para>
      <para>in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek</para>
      <para>te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 24 april 1996 heeft de Raad aan appellant</para>
      <para>nadere vragen gesteld. Bij brief van 30 mei 1996 zijn</para>
      <para>deze door appellant beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad,</para>
      <para>gehouden op 10 juni 1996. Appellant heeft zich daar doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr Lieshout, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de in geding zijnde beslissing heeft appellant op</para>
      <para>grond van artikel van de 16b CwSV gedaagde tot een bedrag</para>
      <para>van f 36.905,56 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de</para>
      <para>premies die haar onderaannemer Q. verschuldigd was</para>
      <para>ter zake van in 1985 voor gedaagde in onderaanneming</para>
      <para>uitgevoerde werkzaamheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de bestreden</para>
      <para>beslissing vernietigd. Allereerst heeft appellant</para>
      <para>naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd</para>
      <para>op welke grond hij de door gedaagde aangeleverde stukken</para>
      <para>niet betrouwbaar of volledig acht. Daarnaast acht de</para>
      <para>rechtbank de gehanteerde methode van procentuele toerekening</para>
      <para>van de op de G-rekening van Q. gestorte gelden</para>
      <para>in het onderhavige geval een te grove methode. Ten overvloede</para>
      <para>overweegt de rechtbank nog dat de looncorrectie</para>
      <para>ten onrechte (indirect) is gebruteerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het</para>
      <para>antwoord op de vraag of de bestreden beslissing in rechte</para>
      <para>stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de berekening van de premie die door Q. is verschuldigd</para>
      <para>ter zake van de voor gedaagde verrichte werkzaamheden,</para>
      <para>is in de bestreden beslissing als premieloon</para>
      <para>60% genomen van de gefactureerde omzet, zoals die blijkt</para>
      <para>uit de aan gedaagde gerichte facturen. Appellant heeft</para>
      <para>gekozen voor het werken met een procentuele schatting,</para>
      <para>omdat naar zijn oordeel de administratie van Q.</para>
      <para>verworpen diende te worden. Door gedaagde is daarentegen</para>
      <para>een berekeningswijze bepleit, waarbij wordt uitgegaan van</para>
      <para>een schatting van het premieloon op basis van de door</para>
      <para>gedaagde bijgehouden urenadministratie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is er onvoldoende aanleiding</para>
      <para>om aan deze door gedaagde - jaren later - gemaakte schatting</para>
      <para>de voorkeur te geven boven een berekening op basis</para>
      <para>van de eigen opgave van het premieloon door Q. op de</para>
      <para>facturen aan gedaagde. Gedaagde heeft zich aanvankelijk</para>
      <para>ook daaraan geconformeerd. Aangezien die berekeningswijze</para>
      <para>leidt tot een iets hoger percentage (62,7) van de gefactureerde</para>
      <para>omzet dan de 60% die door appellant is gehanteerd,</para>
      <para>is gedaagde bij de berekening van de aansprakelijkstelling</para>
      <para>niet ongunstig behandeld en kan de bestreden</para>
      <para>beslissing in zoverre in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de bestreden beslissing is ten onrechte niet gemotiveerd</para>
      <para>waarom de door gedaagde - in de voorafgaande procedure -</para>
      <para>bepleite schattingsmethode niet is gehanteerd en</para>
      <para>aan de door appellant gehanteerde schattingsmethode de</para>
      <para>voorkeur is gegeven. Daardoor kan aan de hand van de</para>
      <para>bestreden beslissing niet worden gecontroleerd of de door</para>
      <para>gedaagde bepleite schattingsmethode op goede gronden is</para>
      <para>verworpen. Aangezien gedaagde door dit gebrek aan motivering</para>
      <para>niet ernstig in zijn processuele mogelijkheden is</para>
      <para>geschaad, en de bestreden beslissing dateert van voor de</para>
      <para>inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:</para>
      <para>Awb), zal de Raad aan dit gebrek voorbijgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is niet meer in geschil dat als de door</para>
      <para>appellant gehanteerde benaderingswijze met een schattingspercentage</para>
      <para>van 60 wordt aanvaard, er geen sprake is</para>
      <para>van een brutering van de looncorrectie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wél in geschil is nog of de gehanteerde methode van procentuele</para>
      <para>toerekening van de op de G-rekening van Q.</para>
      <para>gestorte gelden in het onderhavige geval een te grove</para>
      <para>methode vormt. Gedaagde heeft ter zake aangevoerd dat,</para>
      <para>aangezien er slechts drie opdrachtgevers van Q. zijn</para>
      <para>geweest die hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld, van</para>
      <para>appellant gevergd kan worden dat hij een specifieke toerekening</para>
      <para>per aansprakelijkstelling maakt. Daarnaast heeft</para>
      <para>gedaagde aangevoerd dat de beide opdrachtgevers die naast</para>
      <para>gedaagde Q. hebben ingeschakeld, aansprakelijk zijn</para>
      <para>gesteld als inleners op grond van artikel 16a van de</para>
      <para>CwSV. Aangezien gedaagde naar zijn oordeel heeft voldaan</para>
      <para>aan de formele vereisten voor vrijwaring op grond van</para>
      <para>artikel 16b, vijfde lid, van de CwSV, verdient hij, als</para>
      <para>aannemer die aansprakelijk is gesteld op grond van artikel</para>
      <para>16b van de CwSV, een andere, gunstigere behandeling</para>
      <para>dan de twee inleners. In ieder geval was er voldoende</para>
      <para>aanleiding om tot een meer individuele toerekening te</para>
      <para>komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt het volgende vast. Omdat appellant van de</para>
      <para>op de G-rekening van Q. gestorte bedragen via betalingen</para>
      <para>van Q. 22,43% heeft ontvangen, heeft appellant</para>
      <para>de aanvankelijke omvang van de aansprakelijkheid van</para>
      <para>gedaagde verminderd met 22,43% van de door gedaagde op de</para>
      <para>G-rekening van Q. gestorte bedragen, terwijl bij de</para>
      <para>twee aansprakelijk gestelde inleners weliswaar de omvang</para>
      <para>van de aansprakelijkheid niet met 22,43% wordt verminderd,</para>
      <para>maar bij de uiteindelijke invordering wel voor dat</para>
      <para>percentage korting wordt gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stelling van gedaagde dat hij een gunstigere behandeling</para>
      <para>verdient dan de twee inleners, berust op de gedachte</para>
      <para>dat artikel 16b, vijfde lid - ten tijde van de eerste</para>
      <para>aansprakelijkstelling artikel 16b, zevende lid -, van de</para>
      <para>CwSV een preferente positie verschaft aan aannemers in</para>
      <para>die zin dat zij door stortingen op de G-rekening hun</para>
      <para>risico van hoofdelijke aansprakelijkstelling kunnen beperken,</para>
      <para>doordat een - sterk geclausuleerd - wettelijk vermoeden</para>
      <para>bestaat dat elke betaling door de onderaannemer</para>
      <para>van premie ten laste van een G-rekening die betrekking</para>
      <para>heeft op het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd, ook</para>
      <para>inderdaad op dat werk betrekking heeft. Daarentegen werkt</para>
      <para>zo'n - sterk geclausuleerd - wettelijk vermoeden niet ten</para>
      <para>gunste van inleners die op grond van artikel 16a van de</para>
      <para>CwSV aansprakelijk kunnen worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag is nu of dit door de wetgever geschapen verschil</para>
      <para>tussen de rechtspositie van een inlener en die van een</para>
      <para>aannemer, impliceert dat in een geval als het onderhavige,</para>
      <para>de door appellant van de G-rekening van Q. ontvangen</para>
      <para>G-gelden allereerst ten goede zouden moeten komen</para>
      <para>aan gedaagde als aannemer, en pas daarna - voor zover er</para>
      <para>dan nog via de G-rekening ontvangen gelden over zijn - aan</para>
      <para>de inleners.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de praktijk hanteert appellant ter zake wetsinterpreterende</para>
      <para>regels. Deze zijn niet bekend gemaakt, maar in de</para>
      <para>loop van de onderhavige procedure aan de Raad medegedeeld.</para>
      <para>Deze wetsinterpreterende regels houden uiteindelijk</para>
      <para>een gelijke toerekening van de ontvangen G-gelden</para>
      <para>aan aannemers én inleners die op de G-rekening hebben</para>
      <para>gestort, in.</para>
      <para>Ter verdediging van deze wetsinterpreterende regels heeft</para>
      <para>appellant allereerst aangevoerd dat het in de praktijk</para>
      <para>niet te voorkomen valt dat naast aannemers ook inleners</para>
      <para>bedragen storten op een G-rekening. Daarbij wordt het</para>
      <para>saldo van de G-rekening als het ware vermengd, dat wil</para>
      <para>zeggen dat het bestaat uit gelden van aannemers én inleners.</para>
      <para>Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur</para>
      <para>en op grond van de redelijkheid behandelt appellant</para>
      <para>aannemers en inleners die op de G-rekening hebben gestort,</para>
      <para>gelijk, door bij beide categorieën rekening te</para>
      <para>houden met een zelfde kortingspercentage, zij het bij de</para>
      <para>aannemers al bij de vaststelling van de hoogte van de</para>
      <para>hoofdelijke aansprakelijkstelling, en bij de inleners</para>
      <para>eerst bij de invordering.</para>
      <para>Daarnaast is volgens appellant een belangrijk argument</para>
      <para>voor de gekozen benadering dat het onderscheid tussen</para>
      <para>inlener en aannemer in de praktijk vaak moeilijk te maken</para>
      <para>valt, waarbij een groot risico van het maken van fouten</para>
      <para>bestaat, en dat er bij een andere benadering uitvoeringstechnische</para>
      <para>problemen ontstaan.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden kan volgens appellant het door</para>
      <para>een aannemer én een onderaannemer nauwkeurig opvolgen van</para>
      <para>het tot 1 oktober 1991 geldende Besluit van de Staatssecretaris</para>
      <para>van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei</para>
      <para>1982, Stcrt. 1982, 109 (hierna: G-rekeningenbesluit),</para>
      <para>respectievelijk van de vanaf 1 oktober 1991 geldende</para>
      <para>Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en</para>
      <para>Werkgelegenheid van 23 mei 1991, Stcrt. 1991, 105 (hierna:</para>
      <para>G-rekeningenbesluit 1991) niet leiden tot een andere</para>
      <para>benadering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de</para>
      <para>weergegeven wetsinterpreterende regels rechtens aanvaardbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat artikel 16a, tweede lid, van de</para>
      <para>CwSV aan een inlener een volledige vrijwaring toekent</para>
      <para>indien voldaan is aan de daarin opgenomen voorwaarden.</para>
      <para>Indien daaraan niet is voldaan, zoals bij de beide inleners</para>
      <para>van Q. in het onderhavige geval, heeft de inlener</para>
      <para>geen wettelijke bescherming tegen hoofdelijke aansprakelijkstelling.</para>
      <para>Artikel 16b, vijfde lid, van de CwSV</para>
      <para>kent daarentegen ten gunste van de aannemer die op een</para>
      <para>G-rekening heeft gestort, een - sterk geclausuleerd - wettelijk</para>
      <para>vermoeden dat elke betaling door de onderaannemer</para>
      <para>van premie ten laste van die G-rekening, die betrekking</para>
      <para>heeft op het tijdvak waarin een werk is uitgevoerd, ook</para>
      <para>inderdaad op dat werk betrekking heeft. Naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad kan het feit dat de mogelijkheid van - onder</para>
      <para>omstandigheden vrijwarende - stortingen op een G-rekening</para>
      <para>door de wetgever wél is geopend voor een aannemer, maar</para>
      <para>niet voor een inlener, niet geheel zonder betekenis zijn</para>
      <para>voor de inhoud van hun respectievelijke rechten en plichten.</para>
      <para>De door appellant ontwikkelde wetsinterpreterende</para>
      <para>regels waarin aan dit door de wetgever gemaakte onderscheid</para>
      <para>in het geheel geen betekenis toekomt, zijn dan ook</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad in zoverre onjuist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De andere door appellant aangevoerde argumenten om geen</para>
      <para>verschil te maken tussen inleners en aannemers kunnen de</para>
      <para>Raad niet overtuigen.</para>
      <para>Dat het onderscheid tussen inleners en aannemers in de</para>
      <para>praktijk vaak moeilijk te maken valt, kan appellant niet</para>
      <para>ontslaan van de hem door de wetgever opgelegde plicht tot</para>
      <para>het wél maken van dit onderscheid, terwijl de gevolgen</para>
      <para>van een verkeerde wetsinterpretatie en wetstoepassing in</para>
      <para>beginsel voor risico van appellant behoren te komen.</para>
      <para>Verder is het voor appellant toch al noodzakelijk om de</para>
      <para>opdrachtgevers in te delen in inleners en aannemers omdat</para>
      <para>het van het resultaat van die indeling afhangt in welke</para>
      <para>fase de procentuele korting wordt verrekend. Voorts is</para>
      <para>het in het onderhavige geval ook mogelijk gebleken om de</para>
      <para>betrokken opdrachtgevers te splitsen in aannemers en</para>
      <para>inleners.</para>
      <para>Appellant heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt</para>
      <para>dat de uitvoeringstechnische problemen bij een andere</para>
      <para>benadering zo zeer de vereiste wetstoepassing zouden</para>
      <para>bemoeilijken dat dit ten koste zou mogen gaan van de aan</para>
      <para>de wet ontleende rechten van de betrokken aannemer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad moet derhalve een aannemer</para>
      <para>in een geval waarin zowel de aannemer zélf als de onderaannemer</para>
      <para>volledig hebben voldaan aan alle voorschriften</para>
      <para>die voortvloeien uit artikel 16b van de CwSV en uit het</para>
      <para>G-rekeningenbesluit dan wel het G-rekeningenbesluit 1991,</para>
      <para>niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de</para>
      <para>bedragen die door hem op de G-rekening van de betrokken</para>
      <para>onderaannemer zijn gestort en die door de onderaannemer</para>
      <para>met inachtneming van alle voorschriften van het (van</para>
      <para>toepassing zijnde) G-rekeningenbesluit dan wel het</para>
      <para>G-rekeningenbesluit 1991 aan de bedrijfsvereniging zijn</para>
      <para>doorgestort.</para>
      <para>Aangezien gedaagde stelt dat wel aan alle genoemde voorschriften</para>
      <para>is voldaan, maar appellant zulks niet heeft</para>
      <para>onderzocht, is de bestreden beslissing in zoverre onvoldoende</para>
      <para>zorgvuldig voorbereid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>zij het op andere gronden, bevestigd dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen</para>
      <para>in de kosten van het geding in hoger beroep, begroot</para>
      <para>op f 2.130,-- voor de kosten van rechtsbijstand aan</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande houdt tevens in dat, gelet op artikel</para>
      <para>22, derde lid, van de Beroepswet, van appellant een recht</para>
      <para>van f 600,-- dient te worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in</para>
      <para>hoger beroep tot een bedrag groot f 2.130,--, te betalen</para>
      <para>door appellants bedrijfsvereniging;</para>
      <para>Bepaalt dat van appellant een recht van f 600,-- wordt</para>
      <para>geheven, te betalen door appellants bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter</para>
      <para>en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr H.D. Wolthuis als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juli</para>
      <para>1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H.D. Wolthuis.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AS</para>
      <para>128</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>