<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:29:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6236</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/986 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=1996-07-04">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1996-07-04">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1996/141</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:47:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6236 Centrale Raad van Beroep , 04-07-1996 / 95/986 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Waardering organieke functies; ontvankelijkheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/986 AW                               O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het dagelijks bestuur van het Streekgewest Westelijk Noord-Brabant,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift (met bijlagen)</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Breda op 2 mei 1995 onder nr. 94/2173</para>
      <para>AW RE gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd, waarna van de zijde</para>
      <para>van appellante nadere stukken zijn ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is - (deels) gevoegd met de gedingen bij de Raad</para>
      <para>bekend onder de nrs. 95/7898 AW, 95/8004 AW,  95/4395 AW, 95/5895</para>
      <para>AW, 95/8779 AW, 95/6593 AW en 95/6598 AW - behandeld ter zitting</para>
      <para>van 6 juni 1996, waar appellante in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr K. ten Broek, werkzaam bij AbvaKabo regio</para>
      <para>Zuid-West te Bergen op Zoom, en waar gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door H.M. van Crugten, werkzaam bij gedaagdes</para>
      <para>streekgewest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer</para>
      <para>uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde</para>
      <para>feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van het bij gedaagdes streekgewest geldende</para>
      <para>functiewaarderingssysteem heeft waardering plaatsgevonden van de</para>
      <para>organieke functie van hoofd van de afdeling gezondheidsvoorlichting</para>
      <para>en -opvoeding. Deze waardering leidde tot indeling in</para>
      <para>hoofdgroep V met een score van 12 punten, waarmee een inschaling</para>
      <para>van de functie in loongroep 11 correspondeert. Deze waarderingsuitkomst</para>
      <para>is bij brief van 22 oktober 1992 aan appellante, die de</para>
      <para>betrokken functie vervulde, kenbaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen die waarderingsuitkomst heeft appellante ingevolge de in de</para>
      <para>op 1 januari 1992 in werking getreden Richtlijnen functiewaardering</para>
      <para>streekgewest opgenomen bezwarenprocedure functiewaardering</para>
      <para>bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft dat bezwaar in overeenstemming</para>
      <para>met het advies van de bezwarencommissie bij het thans bestreden</para>
      <para>besluit van 31 mei 1994 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het besluit van 31</para>
      <para>mei 1994 niet-ontvankelijk verklaard. Blijkens de aangevallen</para>
      <para>uitspraak was zij van oordeel dat appellante niet als belanghebbende</para>
      <para>in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)</para>
      <para>kon worden aangemerkt omdat een besluit betreffende de waardering</para>
      <para>van een organieke functie als hier aan de orde een zodanig</para>
      <para>algemeen karakter draagt dat ter zake daarvan nog niet gezegd kan</para>
      <para>worden dat de belangen van een personeelslid dat een dergelijke</para>
      <para>functie vervult bij dat waarderingsbesluit rechtstreeks zijn</para>
      <para>betrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellante het standpunt herhaald dat</para>
      <para>haar belangen rechtstreeks bij het besluit van 31 mei 1994 zijn</para>
      <para>betrokken en is onder meer gevorderd de aangevallen uitspraak te</para>
      <para>vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat het namens appellante in eerste aanleg</para>
      <para>ingestelde beroep was gericht tegen een haar na 1 januari 1994</para>
      <para>bekend gemaakte beslissing op een door haar ingediend bezwaarschrift,</para>
      <para>ten aanzien van welk besluit appellante alleszins als</para>
      <para>belanghebbende is aan te merken, stelt de Raad voorop dat hij de</para>
      <para>rechtbank niet kan volgen in haar oordeel dat appellantes beroep</para>
      <para>niet-ontvankelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiermee is niet gezegd dat de rechtbank tot een beoordeling van</para>
      <para>de zaak ten gronde had moeten komen. Waar het in casu gaat om een</para>
      <para>beslissing op bezwaar waarbij een bezwarenprocedure is gevolgd</para>
      <para>die dateert van vóór 1 januari 1994, de datum van inwerkingtreding</para>
      <para>van de Awb, acht de Raad voor het antwoord op de vraag of</para>
      <para>tot inhoudelijke beoordeling van het voorliggende geschil kan</para>
      <para>worden overgegaan doorslaggevend of het bestreden besluit op één</para>
      <para>lijn kan worden gesteld met een besluit dat op bezwaar is genomen</para>
      <para>als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de</para>
      <para>Awb. Naast de vraag of de in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb</para>
      <para>vervatte procedurele waarborgen in de in casu toegepaste bezwarenregeling</para>
      <para>voldoende zijn verzekerd, welke vraag de Raad bevestigend</para>
      <para>beantwoordt, dient met name te worden bezien of de brief</para>
      <para>van 22 oktober 1992 een appellabel besluit in de zin van de Awb</para>
      <para>behelst en zo ja, of appellante te dien aanzien kan worden</para>
      <para>aangemerkt als belanghebbende in de zin van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de in de brief van 22 oktober 1992</para>
      <para>vervatte beslissing omtrent de waardering van de organieke</para>
      <para>functie van hoofd van de afdeling gezondheidsvoorlichting en</para>
      <para>-opvoeding moet worden aangemerkt als een appellabel besluit in de</para>
      <para>zin van de Awb. Naar de opvatting van de Raad beantwoordt die</para>
      <para>beslissing aan de in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb neergelegde</para>
      <para>definitie van het besluitbegrip en kan niet worden gezegd</para>
      <para>dat sprake is van een in hoofdstuk 8 van de Awb van beroep</para>
      <para>uitgezonderd besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens dient te worden bezien of appellantes belangen rechtstreeks</para>
      <para>bij het besluit van 22 oktober 1992 zijn betrokken en zij</para>
      <para>derhalve in zoverre kan worden aangemerkt als belanghebbende in</para>
      <para>de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van een besluit betreffende de waardering van een</para>
      <para>organieke functie als hier aan de orde is de Raad van oordeel dat</para>
      <para>in ieder geval ten aanzien van diegene die in de betrokken</para>
      <para>organisatie een functie vervult die (in essentie) overeenkomt met</para>
      <para>de gewaardeerde organieke functie en van wie de salarispositie op</para>
      <para>grond van de toepasselijke rechtspositionele voorschriften (mede)</para>
      <para>wordt bepaald aan de hand van de waardering van die functie, niet</para>
      <para>kan worden gezegd dat zijn belangen niet rechtstreeks bij dat</para>
      <para>besluit zijn betrokken. Nog daargelaten dat de waardering van een</para>
      <para>organieke functie voor de vervuller ervan ook overigens van</para>
      <para>belang is voor diens ambtelijke positie, moet in het bijzonder</para>
      <para>worden vastgesteld dat met de waardering van de organieke functie</para>
      <para>en de daaraan verbonden rangindeling een voor de functievervuller</para>
      <para>in acht te nemen salarisbandbreedte is gegeven. De enkele</para>
      <para>omstandigheid dat een besluit betreffende de waardering van een</para>
      <para>organieke functie kan worden gevolgd door een op die organieke</para>
      <para>waardering gebaseerd, individueel salarisinpassingsbesluit, acht</para>
      <para>de Raad in dit verband van onvoldoende gewicht voor een andersluidende</para>
      <para>conclusie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu vast staat dat appellante ten tijde hier van belang de organieke</para>
      <para>functie van hoofd van de afdeling gezondheidsvoorlichting</para>
      <para>en -opvoeding feitelijk vervulde, kan de Raad tegen de achtergrond</para>
      <para>van het hogeroverwogene tot geen andere conclusie komen dan</para>
      <para>dat zij ten aanzien van het besluit van 22 oktober 1992 als</para>
      <para>belanghebbende in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de Raad, mede gelet op hetgeen partijen dienaangaande ter</para>
      <para>zitting hebben medegedeeld, van oordeel is dat de onderhavige</para>
      <para>zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, ziet hij</para>
      <para>voldoende grond het geding zonder terugwijzing af te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Resteert de vraag of gedaagdes besluit van 31 mei 1994 voor zover</para>
      <para>daarbij de door appellante aangevochten onderdelen van de waardering</para>
      <para>van de functie zijn gehandhaafd in rechte stand kan houden.</para>
      <para>In dit verband merkt de Raad in de eerste plaats op dat de</para>
      <para>rechterlijke toetsing in een geval als het onderhavige terughoudend</para>
      <para>dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de</para>
      <para>overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden</para>
      <para>besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht, moet</para>
      <para>beperken tot de vraag, of de in geding zijnde waardering op</para>
      <para>onvoldoende gronden berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de namens appellante aangevoerde bezwaren van formele aard</para>
      <para>heeft de Raad onvoldoende grond kunnen vinden voor het oordeel</para>
      <para>dat het bestreden besluit - en het daaraan ten grondslag liggende</para>
      <para>besluit - niet in stand zou kunnen worden gelaten. Met betrekking</para>
      <para>tot appellantes beroep op schending van het motiveringsbeginsel</para>
      <para>heeft de Raad niet eraan voorbij kunnen zien dat van de zijde van</para>
      <para>gedaagde de gronden waarop de waardering van de in geding zijnde</para>
      <para>secundaire factoren functionele vorming (FV), handelingsvrijheid</para>
      <para>(HV) en contact (C) berusten, zijn aangevuld en toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft voor FV de score 1 vastgesteld. Daarmee is blijkens</para>
      <para>het toepasselijke functiewaarderingssysteem tot uitdrukking</para>
      <para>gebracht dat voor de vervulling van de functie naast de aan de</para>
      <para>hoofdgroep V inherente niet mee te tellen ervaring van ca. 4 à 5</para>
      <para>jaar, maximaal 1 jaar school- en of praktijkopleiding nodig is.</para>
      <para>De Raad acht dit standpunt van gedaagde niet onhoudbaar. Appellantes</para>
      <para>beroep op de door haar in opdracht van gedaagde gevolgde</para>
      <para>cursussen ziet de Raad niet slagen, nu hij - evenals gedaagde -</para>
      <para>niet vermag in te zien dat van bedoelde cursussen moet worden</para>
      <para>gezegd dat zij niet kunnen worden gemist om de betrokken functie</para>
      <para>op normaal goede wijze te vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De secundaire factor HV heeft gedaagde gewaardeerd met 3 punten</para>
      <para>omdat de voor de bepaling van die score relevante werkzaamheden</para>
      <para>(die functiebestanddelen die van overwegende invloed zijn geweest</para>
      <para>op de bepaling van het totale werk- en denkniveau) aan eindcontrole/-toetsing</para>
      <para>of -beoordeling kunnen worden onderworpen, zij</para>
      <para>het dat die toetsing in de praktijk niet of nauwelijks plaatsvindt.</para>
      <para>Appellante heeft de Raad niet ervan kunnen overtuigen dat</para>
      <para>die standpuntbepaling op onvoldoende gronden zou berusten.</para>
      <para>Appellantes stelling dat het hoofd van de afdeling gezondheidsvoorlichting</para>
      <para>en -opvoeding geheel zelfstandig projecten uitvoert,</para>
      <para>miskent dat die uitvoering door het hiërarchisch naasthogere</para>
      <para>niveau kán worden getoetst op inhoud en beleidsrelevantie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de voor de secundaire factor C toegekende score</para>
      <para>van 3 punten heeft de Raad evenmin kunnen vaststellen dat deze de</para>
      <para>hier aan te leggen terughoudende toetsing niet kan doorstaan.</para>
      <para>Hieraan staat naar zijn opvatting reeds in de weg dat de door</para>
      <para>appellante gewenste score van 4 punten niet kan worden toegekend</para>
      <para>omdat uitgaande van de beschrijving van de functie niet kan</para>
      <para>worden gezegd dat zich een situatie voordoet waarin zonder</para>
      <para>machtsmiddel ten aanzien van niet in een hiërarchische verhouding</para>
      <para>staande personen autonome beslissingen moeten worden genomen,</para>
      <para>waarbij de functionaris verantwoordelijk is voor de beslissing en</para>
      <para>waarop niet kan worden teruggekomen (of alleen met een ernstige</para>
      <para>afbreuk van het vertrouwen in de gesprekspartner of organisatie</para>
      <para>dan wel met hoge kosten). Tot die situatie kunnen naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad noch de door appellante genoemde binnen het</para>
      <para>financieel en/of personeelsbudget vallende beslissingen noch de</para>
      <para>door haar vermelde interne en externe overlegcontacten worden</para>
      <para>gerekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep</para>
      <para>van appellante tegen het besluit van 31 mei 1994 alsnog ongegrond</para>
      <para>dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de Raad in de gegeven omstandigheden geen termen ziet om</para>
      <para>toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb,</para>
      <para>wordt dan ook beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep van appellante alsnog ongegrond;</para>
      <para>Bepaalt dat het Streekgewest Westelijk Noord-Brabant aan appellante</para>
      <para>het door haar betaalde griffierecht van f 300,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. Bekker als voorzitter en</para>
      <para>mr H.A.A.G. Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 4 juli 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. Bekker.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Beijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>24.06</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>