<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:24:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6146</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/902 CSV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16b&amp;g=1996-06-03">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1996/747</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:47:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146 Centrale Raad van Beroep , 03-06-1996 / 95/902 CSV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Ketenaansprakelijkheid; G-rekening; betalingen in hoofdzaak aan</para>
        <para> belastingdienst.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/902 CSV</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Hout- en</para>
      <para>Meubelindustrie en de Groothandel in Hout, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>B.V. X., gevestigd te Y., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op bij aanvullend beroepschrift d.d. 28 augustus 1995</para>
      <para>aangegeven gronden is appellant in hoger beroep gekomen</para>
      <para>van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder</para>
      <para>dagtekening 30 januari 1995 tussen partijen gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen. In deze uitspraak</para>
      <para>heeft de rechtbank het inleidende beroep van gedaagde</para>
      <para>tegen het bestreden besluit van 27 december 1991</para>
      <para>gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft drs H.Th. Kuipers, belastingadviseur</para>
      <para>te Rotterdam, bij schrijven van 10 oktober 1995 een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 9 januari 1996 en 22 februari 1996 heeft</para>
      <para>appellant enkele vragen van de Raad beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
      <para>op 22 april 1996, waar voor appellant zijn verschenen</para>
      <para>mr A.C.J.M. Schröder en mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door drs H.Th. Kuipers, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende</para>
      <para>feiten en omstandigheden (waarbij gedaagde wordt aangeduid</para>
      <para>als eiseres en appellant als verweerder):</para>
      <para>"Eiseres exploiteert een groothandel in dakconstructies.</para>
      <para>De assemblage van de te fabriceren daken besteedde</para>
      <para>eiseres gedurende de jaren 1986 tot en met</para>
      <para>1989 uit aan de heer A., handelend</para>
      <para>onder de naam B..</para>
      <para>Laatstgenoemde -te Y. gevestigde- onderneming</para>
      <para>verrichtte (nagenoeg) uitsluitend werkzaamheden</para>
      <para>voor eiseres middels een twintigtal bij</para>
      <para>B. in dienst zijnde werknemers.</para>
      <para>Ingaande 18 januari 1989 is B. gefailleerd, met achterlating van</para>
      <para>premieschulden over de jaren 1986, 1988 en 1989.</para>
      <para>Middels het bestreden besluit heeft verweerder</para>
      <para>eiseres terzake van deze premieschulden aangesproken.</para>
      <para>Verweerder heeft daarbij primair het standpunt ingenomen</para>
      <para>dat de verhouding tussen eiseres en</para>
      <para>B. (en zijn werknemers)</para>
      <para>beschouwd dient te worden als een dienstbetrekking</para>
      <para>in de zin van artikel 4 lid 1 sub a ZW, WW en WAO,</para>
      <para>op grond waarvan eiseres in haar hoedanigheid van</para>
      <para>werkgeefster premie ingevolge voornoemde wetten verschuldigd is.</para>
      <para>Subsidiair wordt eiseres op grond van artikel 16b</para>
      <para>Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) in de</para>
      <para>hoedanigheid van aannemer hoofdelijk aansprakelijk</para>
      <para>gesteld voor de premies welke B. als onderaannemer had dienen te voldoen</para>
      <para>met betrekking tot de voor eiseres uitgevoerde werken.</para>
      <para>Meer subsidiair wordt eiseres op grond van artikel</para>
      <para>16a CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de</para>
      <para>betaling van meergenoemde premies, welke B. als uitlenende werkgever</para>
      <para>verschuldigd is terzake van de voor eiseres (als</para>
      <para>inlener) uitgevoerde werkzaamheden.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het primaire standpunt van appellant</para>
      <para>heeft de rechtbank overwogen dat de werkzaamheden van</para>
      <para>A. werden verricht in de uitoefening van</para>
      <para>een bedrijf, zodat de arbeidsverhoudingen van A.</para>
      <para>en zijn personeel met gedaagde niet op grond van</para>
      <para>artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op</para>
      <para>de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), als</para>
      <para>dienstbetrekkingen kunnen worden aangemerkt.</para>
      <para>Met name gelet op de omstandigheid dat A.</para>
      <para>het risico en de verantwoordelijkheid droeg voor omstreeks</para>
      <para>twintig personeelsleden en daarnaast op het feit</para>
      <para>dat A. zich ook naar buiten toe presenteerde</para>
      <para>als zelfstandig ondernemer door - onder meer - opstelling</para>
      <para>van jaarrekeningen, inschrijving in het handelsregister</para>
      <para>en het beschikken over een BTW-nummer, kan de Raad</para>
      <para>zich met dit oordeel van de rechtbank verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van appellant</para>
      <para>heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit</para>
      <para>onzorgvuldig is voorbereid, omdat appellant onvoldoende</para>
      <para>heeft onderzocht in hoeverre aannemelijk is dat de niet-betaling</para>
      <para>van premies door A. aan hem te</para>
      <para>wijten is, zodat onvoldoende is komen vast te staan dat</para>
      <para>de uitzonderingsgrond van het zesde lid van artikel 16b</para>
      <para>van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CwSV)</para>
      <para>in het onderhavige geval al dan niet van toepassing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat de</para>
      <para>besluitvorming van appellant niet onzorgvuldig is voorbereid.</para>
      <para>Appellant heeft haar besluit kunnen gronden op het</para>
      <para>rapport van de belastingdienst, dat in samenwerking met</para>
      <para>een van haar looninspecteurs is opgesteld, en op het</para>
      <para>verslag van de bewindvoerder in de voorlopige surséance</para>
      <para>van betaling.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad kwalificeert gedaagde zich</para>
      <para>als aannemer en A. zich als onderaannemer</para>
      <para>in de zin van artikel 16b, eerste lid, (thans tweede lid</para>
      <para>van de) van de CwSV. Laatstgenoemde verbond zich tegenover</para>
      <para>gedaagde om daken ten behoeve van woningen te assembleren</para>
      <para>met behulp van materiaal en aan de hand van tekeningen van gedaagde.</para>
      <para>De Raad stelt verder vast dat A. een zodanig</para>
      <para>financieel beheer heeft gevoerd dat er forse achterstanden</para>
      <para>zijn ontstaan in de betaling van de aan appellant</para>
      <para>verschuldigde premies, waarbij appellant ten opzichte van</para>
      <para>de belastingdienst min of meer stelselmatig is achtergesteld.</para>
      <para>De omstandigheid dat het financieel beheer van</para>
      <para>A. voor een aanzienlijk deel werd uitgevoerd</para>
      <para>door een - kennelijk incompetente - boekhouder doet</para>
      <para>niet af aan de conclusie dat een dergelijk financieel</para>
      <para>beheer aan A. toe te rekenen valt. Voorts</para>
      <para>is gebleken dat A. aanmerkelijk hogere</para>
      <para>kasopnames heeft gedaan dan waartoe zijn</para>
      <para>netto-bedrijfsresultaten aanleiding gaven.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden is de Raad, anders dan de</para>
      <para>rechtbank, van oordeel dat in voldoende mate aannemelijk</para>
      <para>is gemaakt dat de niet-betaling van premies aan</para>
      <para>A. te wijten is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad verwerpt eveneens de stelling van de gedaagde dat</para>
      <para>zij niet aansprakelijk kan worden gehouden vanwege de</para>
      <para>toepassing van artikel 16b, elfde lid, (thans vierde</para>
      <para>lid), onder a, van de CwSV. De werkzaamheden werden uitgevoerd</para>
      <para>in de fabriekshal van gedaagde. Zij heeft haar</para>
      <para>bewering dat A. voor het gebruik van haar</para>
      <para>fabriekshal huurpenningen betaalde, niet aannemelijk</para>
      <para>gemaakt. De Raad stelt vast dat het aangenomen werk niet</para>
      <para>geheel of grotendeels is verricht op de plaats waar</para>
      <para>A. zijn onderneming had gevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft in eerste aanleg geklaagd over de omstandigheid</para>
      <para>dat A. vanaf zijn G-rekening in</para>
      <para>hoofdzaak betalingen deed aan de belastingdienst en</para>
      <para>slechts in geringe mate aan appellant, hetgeen tot</para>
      <para>benadeling van gedaagde zou hebben geleid.</para>
      <para>Appellant heeft daartegen aangevoerd dat het wettelijk</para>
      <para>vermoeden zoals genoemd in het vijfde lid van artikel 16b</para>
      <para>van de CwSV slechts geldt voor die bedragen die ook</para>
      <para>daadwerkelijk bij gedaagde terecht zijn gekomen.</para>
      <para>De Raad kan zich verenigen met deze stelling van</para>
      <para>appellant. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder</para>
      <para>meer in zijn uitspraak van 17 juli 1995, gepubliceerd in</para>
      <para>RSV 1996/11, wordt in een geval als het onderhavige de</para>
      <para>hoogte van de aansprakelijkstelling van gedaagde bepaald</para>
      <para>door de omvang van de door A. met het van</para>
      <para>gedaagde aangenomen werk gemoeide premies, verminderd met</para>
      <para>de in het vijfde lid van artikel 16b van de CwSV bedoelde</para>
      <para>stortingen van gedaagde op de G-rekening van</para>
      <para>A., voor zover die stortingen uiteindelijk</para>
      <para>daadwerkelijk door middel van een overmaking vanaf een</para>
      <para>G-rekening ten titel van premiebetaling zijn ontvangen.</para>
      <para>De omstandigheid dat A. er kennelijk voor</para>
      <para>koos om vanaf de G-rekening in hoofdzaak betalingen aan</para>
      <para>de belastingdienst te doen en slechts in relatief geringe</para>
      <para>mate aan appellant, leidt de Raad niet tot een ander</para>
      <para>oordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu vast is komen te staan dat appellant gedaagde terecht</para>
      <para>en op goede gronden aansprakelijk heeft gesteld op grond</para>
      <para>van artikel 16b van de CwSV, behoeft het meer subsidiaire</para>
      <para>standpunt van appellant geen bespreking meer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft ten slotte enige grieven geuit tegen de</para>
      <para>omstandigheid dat bij de vaststelling van de hoogte van</para>
      <para>de aansprakelijkstelling geen rekening is gehouden met de</para>
      <para>bedragen die naar aanleiding van een bodembeslag beschikbaar</para>
      <para>gekomen zijn, en daarnaast een aantal grieven geformuleerd</para>
      <para>met betrekking tot het incassobeleid van appellant.</para>
      <para>Aangezien deze grieven echter geen betrekking hebben op</para>
      <para>het onderwerp van het bestreden besluit, doch op de invordering</para>
      <para>van het bedrag waarvoor gedaagde aansprakelijk</para>
      <para>is gesteld, kunnen genoemde grieven in het onderhavige</para>
      <para>geding niet aan de orde komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend</para>
      <para>beroep van gedaagde alsnog ongegrond verklaard dient te</para>
      <para>worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven</para>
      <para>aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter</para>
      <para>en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en</para>
      <para>mr C.W.M. van Ballegooijen als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 3 juni 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.F. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AS</para>
      <para>126</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>