<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T11:35:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6126</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0649</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/770 CSV,  94/806 CSV,  94/803 CSV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=12&amp;g=1996-05-20">Coördinatiewet Sociale Verzekering 12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=13&amp;g=1996-05-20">Coördinatiewet Sociale Verzekering 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16d&amp;g=1996-05-20">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16d</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1996, 231</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:47:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126 Centrale Raad van Beroep , 20-05-1996 / 94/770 CSV,  94/806 CSV,  94/803 CSV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>(Geen) verjaring van aansprakelijkheidsstelling van bestuurders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>94/770 CSV, 94/806 CSV, 94/803 CSV</para>
      <para>O.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel,</para>
      <para>Ambachten en Huisvrouwen, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 1 juni 1992 en 6 april 1993 heeft appellant</para>
      <para>gedaagde als voormalig bestuurder van een tweetal besloten</para>
      <para>venootschappen, te weten B.V. X. (hierna: X.), te Y,</para>
      <para>en B.V. Q. (hierna: Q.), te P., op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale</para>
      <para>Verzekering (hierna: CwSV), tot bedragen van respectievelijk f</para>
      <para>78.325,85 en f 95.002,89 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor</para>
      <para>de premies die X. over de jaren 1986 tot en met 1989, en</para>
      <para>Q. over de jaren 1987 tot en met 1989 onbetaald heeft</para>
      <para>gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van</para>
      <para>24 oktober 1994 de tegen voormelde beslissingen ingestelde</para>
      <para>beroepen gegrond verklaard en die beslissingen vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d.</para>
      <para>22 februari 1995 zijn de gronden uiteengezet waarop het hoger</para>
      <para>beroep steunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 15 juni 1995 heeft mr R.T.M. Borsjé, advocaat te</para>
      <para>Haarlem, namens gedaagde een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van</para>
      <para>10 april 1996, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr H.J. van Werven, werkzaam bij de Uitvoeringsinstelling</para>
      <para>BVG/DETAM B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr Borsjé voornoemd als zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beslissingen tot aansprakelijkstelling</para>
      <para>van 1 juni 1992 vernietigd, omdat de in die beslissingen aan</para>
      <para>de aansprakelijkstelling ten grondslag gelegde rechtsgrond</para>
      <para>niet langer werd gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beslissingen tot aansprakelijkstelling</para>
      <para>van 6 april 1993 op diverse gronden vernietigd. De rechtbank</para>
      <para>heeft weliswaar geoordeeld dat appellant aannemelijk heeft</para>
      <para>gemaakt dat het niet betalen van de premies het gevolg was van</para>
      <para>aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De</para>
      <para>rechtbank heeft echter de aansprakelijkstelling voor de premie</para>
      <para>van X. over het jaar 1986 - zonder aan een beoordeling toe te</para>
      <para>komen van de juistheid van het premiebedrag - vernietigd vanwege</para>
      <para>verjaring. De rechtbank heeft geoordeeld dat een aansprakelijkstelling</para>
      <para>op grond van artikel 16d van de CwSV een bijzondere</para>
      <para>vorm van premievaststelling is. Aangezien gedaagde pas</para>
      <para>op 1 juni 1992 aansprakelijk is gesteld voor de premie van</para>
      <para>X. over 1986, stuit de mogelijkheid tot aansprakelijkstelling</para>
      <para>volgens de rechtbank af op het bepaalde in artikel 13 van</para>
      <para>de CwSV.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft het premiejaar 1989 heeft ambtshalve vaststelling</para>
      <para>van premie plaatsgevonden met verhoging van 100% op grond van</para>
      <para>artikel 12, tweede lid, van de CwSV. De rechtbank heeft in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak vermeld dat (de gemachtigde van) appellant</para>
      <para>ter zitting zou hebben erkend dat bij ambtshalve premievaststelling</para>
      <para>en verhoging sprake is van een "criminal charge"</para>
      <para>als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van</para>
      <para>de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:</para>
      <para>EVRM) en zich achter die opvatting gesteld. De rechtbank heeft</para>
      <para>voorts overwogen dat er weliswaar aanleiding is om een verhoging</para>
      <para>op te leggen, echter tevens als zijn oordeel uitgesproken</para>
      <para>dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van</para>
      <para>opzet of grove schuld. Ook overigens heeft de rechtbank overwogen</para>
      <para>dat onvoldoende inzicht is gegeven in de premievaststelling</para>
      <para>over 1989.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft het hoger beroep beperkt tot een tweetal</para>
      <para>grieven.</para>
      <para>"Eiser is van mening dat artikel 13 van de CSV</para>
      <para>- anders dan bij aansprakelijkstelling op grond van</para>
      <para>artikel 16a of b CSV - niet van overeenkomstige</para>
      <para>toepassing is bij hoofdelijke aansprakelijkstelling</para>
      <para>op grond van artikel 16d CSV. De wetgever heeft de</para>
      <para>verjaringstermijnen van artikel 13 CSV in tegenstelling</para>
      <para>tot bij de artikelen 16 a en b van de CSV,</para>
      <para>uitdrukkelijk niet van overeenkomstige toepassing</para>
      <para>verklaard bij artikel 16 d CSV. Dit hangt naar de</para>
      <para>mening van eiser samen met het anderssoortige</para>
      <para>karakter van deze aansprakelijkstelling. De wetgever</para>
      <para>heeft met artikel 16a en b CSV een risicoaansprakelijkheid</para>
      <para>beoogd voor inleners en hoofdaannemers en</para>
      <para>dit willen koppelen aan een bepaalde verjaringstermijn.</para>
      <para>Daarbij komt dat voor aansprakelijkstelling de</para>
      <para>premie waarvoor de betreffende inlener/hoofdaannemer</para>
      <para>aansprakelijk kan worden gesteld opnieuw dient te</para>
      <para>worden vastgesteld en berekend aan de hand van de</para>
      <para>bij deze inlener/hoofdaannemer uitgevoerde werkzaamheden.</para>
      <para>Bij aansprakelijkstelling van de bestuurders op</para>
      <para>grond van artikel 16d CSV gaat het om hoofdelijke</para>
      <para>aansprakelijkstelling van door hun kennelijk onbehoorlijk</para>
      <para>bestuur veroorzaakte onbetaald gebleven</para>
      <para>premie. De bestuurder wordt als het ware vereenzelvigd</para>
      <para>met de rechtspersoon de werkgever.</para>
      <para>Deze doorbraak van aansprakelijkheid is meer gericht</para>
      <para>op invordering en niet op een hernieuwde vaststelling</para>
      <para>van premies.</para>
      <para>Eiser meent voor haar zienswijze steun te vinden in</para>
      <para>de uitspraak van Uw Raad d.d. 10 maart 1993, RSV 94,</para>
      <para>35. Uw Raad stelt hierin met betrekking tot de tijdigheid</para>
      <para>van de aansprakelijkstelling vast dat binnen</para>
      <para>de ingevolge artikel 13 CSV geldende verjaringstermijn</para>
      <para>aanvullend premies zijn vastgesteld ten laste</para>
      <para>van de vennootschap.</para>
      <para>Voorts wordt in de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Haarlem gesteld dat eiser het standpunt</para>
      <para>dat bij de ambtshalve premievaststelling en verhoging</para>
      <para>over het jaar 1989 sprake is van een "criminal</para>
      <para>charge" in de zin van artikel 6 EVRM ter zitting</para>
      <para>heeft onderschreven.</para>
      <para>Dit is evenwel niet juist. Eiser is van mening dat</para>
      <para>slechts sprake is van een "criminal charge" in de</para>
      <para>zin van artikel 6 EVRM met betrekking tot de verhoging</para>
      <para>van artikel 12 CSV, echter niet voor wat betreft</para>
      <para>de ambtshalve premievaststelling op zichzelf.</para>
      <para>Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van</para>
      <para>uw Raad d.d. 11 maart 1992 AB/NJ 92,462.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van gedaagde heeft in het verweerschrift het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank met betrekking tot de verjaring</para>
      <para>onderschreven. Bovendien handelt appellant, naar de opvatting</para>
      <para>van gedaagde, "in strijd met het beginsel van het instellen</para>
      <para>van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM door na</para>
      <para>zovele jaren eerst gedaagde op voornoemde wijze op vorengenoemde</para>
      <para>gronden voor pretense niet betaalde premie aansprakelijk te stellen".</para>
      <para>De gemachtigde heeft er voorts ten aanzien van de premieaanslag</para>
      <para>over 1986 van X. nog op gewezen dat deze premie niet op</para>
      <para>goede gronden en niet tot het juiste bedrag is vastgesteld en</para>
      <para>dat er van valse facturen in dat jaar geen sprake was.</para>
      <para>De gemachtigde heeft er ten slotte bezwaar tegen gemaakt dat</para>
      <para>appellant thans terugkomt op het ter zitting van de rechtbank</para>
      <para>ingenomen standpunt dat de "ambtshalve premievaststelling en</para>
      <para>verhoging over het jaar 1989 een 'criminal charge' is". Hij</para>
      <para>heeft er op gewezen dat in het systeem van de CwSV de ambtshalve</para>
      <para>premievaststelling onverbrekelijk verbonden is met de</para>
      <para>wettelijke verhoging, dat de ambtshalve premievaststelling</para>
      <para>over 1989 geen verantwoorde schatting was, dat er in 1989 geen</para>
      <para>sprake was van valse facturen en van kennelijk onbehoorlijk</para>
      <para>bestuur en dat artikel 6 van het EVRM vergt dat uitgegaan</para>
      <para>dient te worden van het vermoeden van onschuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>Verjaring</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de</para>
      <para>rechtbank ten onrechte de aansprakelijkstelling van gedaagde</para>
      <para>voor de premieschuld van X. over 1986 wegens verjaring heeft</para>
      <para>vernietigd.</para>
      <para>Ook de Raad wijst er daarbij allereerst op dat artikel 16d</para>
      <para>(evenals artikel 16c) van de CwSV, in expliciete afwijking van</para>
      <para>de artikelen 16a en 16b van de CwSV, het bepaalde in artikel</para>
      <para>13 van de CwSV niet van overeenkomstige toepassing verklaart.</para>
      <para>Dat zulks geen omissie is van de wetgever, leidt de Raad af</para>
      <para>uit de memorie van toelichting bij die wet (Tweede Kamer, zitting</para>
      <para>1980-1981, 16 530, nrs. 3-4). Daarin is op de pagina's 16</para>
      <para>en 17 onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"De Commissie Vennootschapsrecht heeft in haar advies</para>
      <para>van 16 mei 1979 bepleit dat de verbintenis uit de</para>
      <para>wet van bestuurders en daarmee gelijkgestelde personen</para>
      <para>gebonden wordt aan een vrij korte vervaltermijn.</para>
      <para>Zij meent dat het in strijd is met de rechtszekerheid</para>
      <para>dat bestuurders en daarmee gelijkgestelde personen</para>
      <para>voor zulk een verbintenis, die de schuld van</para>
      <para>een ander - het lichaam - betreft nog jaren nadat de</para>
      <para>schuld is vastgesteld, kunnen worden aangesproken.</para>
      <para>Hetgeen door de commissie in dit verband wordt aangevoerd</para>
      <para>spreekt ons op het eerste gezicht wel aan.</para>
      <para>Het is inderdaad niet onredelijk dat de periode</para>
      <para>gedurende welke bestuurders kunnen worden</para>
      <para>aangesproken, in beginsel niet van al te lange duur is. Het</para>
      <para>eventueel stellen van een termijn op dit punt kan</para>
      <para>echter niet los worden gezien van de andere in de</para>
      <para>Coördinatiewet en de belastingwetgeving voorkomende</para>
      <para>termijnen inzake vaststelling en invordering van</para>
      <para>premie en belastingen. In artikel 13, eerste lid,</para>
      <para>van de Coördinatiewet is bepaald dat premie niet</para>
      <para>meer wordt vastgesteld, indien meer dan drie jaren</para>
      <para>(oud, thans vijf jaren) sedert het einde van het</para>
      <para>kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is</para>
      <para>geworden zijn verstreken.</para>
      <para>Premie welke niet is ingevorderd binnen tien jaren</para>
      <para>na de vaststelling kan ingevolge het tweede lid van</para>
      <para>dit artikel niet meer worden ingevorderd.</para>
      <para>(......)</para>
      <para>Aan de voorgestelde aansprakelijkheidsregeling ligt</para>
      <para>de gedachte ten grondslag dat de verjarings- en</para>
      <para>vervaltermijnen voor de aansprakelijke bestuurder</para>
      <para>zijn gekoppeld aan die van de hoofdschuldenaar.</para>
      <para>Het lijkt ons dan ook niet juist, dat voor een aansprakelijk</para>
      <para>gestelde bestuurder andere termijnen</para>
      <para>zouden gaan gelden dan voor de hoofdschuldenaar, nu</para>
      <para>de aansprakelijkstelling juist geschiedt in verband</para>
      <para>met een verwijtbaar handelen van de betrokken bestuurder.</para>
      <para>(.....)</para>
      <para>Er is dan ook geen behoefte aan een speciale termijnstelling</para>
      <para>voor deze aansprakelijkheid, omdat,</para>
      <para>wanneer de interne verhoudingen binnen de rechtspersoon</para>
      <para>duidelijk zijn, een aansprakelijkstelling</para>
      <para>kan plaatsvinden zodra de rechtspersoon in gebreke</para>
      <para>is en er voor de bestuurders geen disculpatiegronden</para>
      <para>zijn. In andere gevallen daarentegen - bij voorbeeld</para>
      <para>wanneer de bestuurlijke verhoudingen binnen de rechtspersoon</para>
      <para>gecompliceerd zijn, wanneer er andere</para>
      <para>lichamen als bestuurder optreden of wanneer de bestuurders</para>
      <para>in wezen slechts stromannen zijn - kunnen</para>
      <para>uitgebreide onderzoeken nodig zijn om tot een aansprakelijkstelling</para>
      <para>te komen die de toets van de</para>
      <para>rechter zal kunnen doorstaan. Zeker in de gevallen</para>
      <para>waarin ingewikkelde constructies zijn opgebouwd zou</para>
      <para>een korte termijnstelling een belemmering zijn om</para>
      <para>dergelijke onderzoeken in te stellen. Hiermede zou</para>
      <para>de doelstelling van het wetsontwerp, te weten de</para>
      <para>bestrijding van het misbruik van rechtspersonen</para>
      <para>worden ondergraven. De ondergraving zou zich zeker</para>
      <para>ook voordoen als mala fide figuren, die door vertrek</para>
      <para>naar het buitenland of op andere wijze kans zien een</para>
      <para>tijd buiten schot te blijven niet meer zouden kunnen</para>
      <para>worden aangesproken doordat de termijn intussen</para>
      <para>verstreken is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet betwist is dat de aanvullende premienota ten laste van</para>
      <para>X. over 1986 op 4 september 1989, derhalve binnen de</para>
      <para>daarvoor geldende verjaringstermijn van artikel 13 CwSV is</para>
      <para>vastgesteld. Aangezien artikel 16d geen eigen verjaringstermijn</para>
      <para>bevat voor de aansprakelijkstelling van de bestuurder, kan</para>
      <para>niet gezegd worden dat de mogelijkheid tot aansprakelijkstelling</para>
      <para>op 1 juni 1992 als gevolg van verjaring was teniet gegaan.</para>
      <para>De Raad markeert daarbij dat verjarings- en vervaltermijnen in</para>
      <para>het algemeen beogen de rechtszekerheid te dienen. Wanneer - bij</para>
      <para>het ontbreken van een verjarings- of vervaltermijn - een uitvoeringsorgaan</para>
      <para>evenwel zonder noodzaak te lang talmt met een</para>
      <para>aansprakelijkstelling, kan een dergelijk talmen onder omstandigheden</para>
      <para>in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk</para>
      <para>bestuur, dan wel kan de daardoor ontstane vertraging in</para>
      <para>de toegang tot de rechter strijd opleveren met het recht op</para>
      <para>rechtspraak binnen een redelijke termijn als vastgelegd in</para>
      <para>artikel 6, eerste lid, van het EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de rechtbank ten onrechte de hoofdelijke aansprakelijkstelling</para>
      <para>over 1986 heeft vernietigd wegens verjaring,</para>
      <para>slaagt het hoger beroep van appellant in zoverre. De Raad</para>
      <para>stelt daarbij wel vast dat de rechtbank overigens niet is</para>
      <para>toegekomen aan beoordeling van de juistheid van de premievaststelling</para>
      <para>over 1986. Het komt de Raad deswege geraden voor dat</para>
      <para>appellant, wanneer hij overweegt gedaagde opnieuw aansprakelijk</para>
      <para>te stellen, de juistheid van de premievaststelling over</para>
      <para>1986 ten laste van X., nogmaals kritisch beziet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ambtshalve premievaststelling.</para>
      <para>De Raad deelt eveneens het standpunt van appellant dat ambtshalve</para>
      <para>premievaststelling als zodanig nog niet inhoudt het</para>
      <para>instellen van een strafvervolging, als bedoeld in artikel 6,</para>
      <para>tweede lid, van het EVRM, voorzover zulks door de rechtbank, -</para>
      <para>al dan niet in navolging van een mededeling van de gemachtigde</para>
      <para>van appellant ter zitting van de rechtbank - is aangenomen.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is van het instellen van een</para>
      <para>strafvervolging als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het</para>
      <para>EVRM, eerst sprake indien aan die ambtshalve vastgestelde</para>
      <para>premie daadwerkelijk overeenkomstig de leden 2 en 3 van artikel</para>
      <para>12 van de CwSV, een verhoging wordt verbonden.</para>
      <para>De Raad wijst er daarbij wel op dat de wijze waarop appellant</para>
      <para>blijkens de gedingstukken in het geval van gedaagde uitvoering</para>
      <para>heeft gegeven aan de ambtshalve premievaststelling over 1989,</para>
      <para>alle aanleiding geeft tot het oordeel van de rechtbank. In de</para>
      <para>premienota van 9 april 1990 is eenvoudigweg sprake van een</para>
      <para>premieloon voor de Ziektewet in 1989 van f 510.000,--. Niet</para>
      <para>gebleken is dat bij deze ambtshalve vastgestelde premienota</para>
      <para>een brief is gevoegd waarin uiteen wordt gezet dat de ingevolge</para>
      <para>artikel 12, eerste lid, van de CwSV ambtshalve op</para>
      <para>f 254.800,-- vastgestelde premieloonsom, op grond van het</para>
      <para>tweede lid van artikel 12 met 100% is verhoogd en op welke</para>
      <para>gronden die verhoging is geschied en voorts dat en waarom er</para>
      <para>geen aanleiding is om overeenkomstig artikel 12, derde lid,</para>
      <para>van de CwSV deze opgelegde verhoging geheel of gedeeltelijk</para>
      <para>kwijt te schelden. De Raad wijst in dit verband op de vaste</para>
      <para>jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de uit het</para>
      <para>EVRM voortvloeiende waarborgen, onder meer in het arrest van</para>
      <para>20 december 1989, gepubliceerd in BNB 1990/102, inhoudend dat</para>
      <para>de gronden van een administratieve boete uiterlijk bij het</para>
      <para>opleggen daarvan aan de belastingplichtige moeten worden</para>
      <para>medegedeeld. De Raad is van oordeel dat deze waarborgen</para>
      <para>evenzeer gelden bij het opleggen van een verhoging overeenkomstig</para>
      <para>artikel 12, tweede en derde lid, van de CwSV.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>voorzover in hoger beroep aangevochten, niet in stand kan</para>
      <para>blijven en dient te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad beslist mitsdien als hierna in rubriek III van deze</para>
      <para>uitspraak is weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
      <para>Recht doende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep</para>
      <para>aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en</para>
      <para>mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 20 mei 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>RH 2405</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>