<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:29:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5991</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6183</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/3414 AW, 95/3416 AW, 95/9397 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1996/119</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:47:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991 Centrale Raad van Beroep , 11-04-1996 / 95/3414 AW, 95/3416 AW, 95/9397 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vermindering wachtgeld i.v.m. inkomsten uit arbeid; verrekening met wegens beëindiging arbeidsovereenkomst toegekende vergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/3414 + 3416 + 9397 AW</para>
    <para />
    <para>O</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Binnenlandse Zaken, appellant tevens</para>
      <para>gedaagde, verder te noemen: appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>G.H.H. Noestheden, wonende te Losdorp, gedaagde tevens</para>
      <para>appellant, verder te noemen: gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 november 1993 heeft appellant aan</para>
      <para>gedaagde meegedeeld dat de aan hem door de</para>
      <para>kantonrechter toegekende vergoeding van f 150.000,-- terzake</para>
      <para>van de beëindiging van zijn</para>
      <para>arbeidsovereenkomst met de stichting Delfzicht</para>
      <para>Ziekenhuis te Delfzijl, zal worden verrekend met het</para>
      <para>hem over de periode van 1 juni 1989 tot 8 juni 2004</para>
      <para>toegekende wachtgeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagdes tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij</para>
      <para>besluit van 7 april 1994 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft het</para>
      <para>namens gedaagde door mr E.C.M. Roelvink, advocaat te</para>
      <para>Winschoten, tegen dit besluit ingestelde beroep bij</para>
      <para>uitspraak van</para>
      <para>29 maart 1995, nr. AWB 94/746 AW VO1, gegrond</para>
      <para>verklaard en het besluit vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Namens appellant is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tevens door appellant gedane verzoek om een</para>
      <para>voorlopige voorziening is door de President van de</para>
      <para>Raad bij uitspraak van 23 juni 1995, nr. VV 1995/62 -</para>
      <para>AW 1995/169, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van 29 februari</para>
      <para>1996. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr A.H. Langguth, werkzaam bij de stichting USZO,</para>
      <para>als zijn gemachtigde. Voor gedaagde is verschenen zijn</para>
      <para>gemachtigde mr Roelvink voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde was werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis</para>
      <para>Utrecht. Naar aanleiding van zijn ontslag wegens</para>
      <para>overtolligheid werd hem een wachtgeld toegekend voor</para>
      <para>de periode van 1 juni 1989 tot 8 juni 2004. Van 1 juni</para>
      <para>1989 tot</para>
      <para>1 april 1993 was gedaagde op arbeidsovereenkomst</para>
      <para>werkzaam bij de stichting Delfzicht Ziekenhuis te</para>
      <para>Delfzijl. Met ingang van 1 april 1993 werd deze</para>
      <para>arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ontbonden op</para>
      <para>grond van een onherstelbaar verstoorde</para>
      <para>arbeidsverhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn beschikking van 31 maart 1993 heeft de kantonrechter</para>
      <para>onder meer overwogen:</para>
      <para>"2. Op grond van de hiervoor in rechte vastgestelde</para>
      <para>gewijzigde omstandigheden dient de arbeidsovereenkomst</para>
      <para>tussen partijen naar mijn oordeel met ingang</para>
      <para>van 1 april 1993 te worden ontbonden, echter onder</para>
      <para>toekenning aan de werknemer ten laste van de werkgeefster</para>
      <para>van een vergoeding naar billijkheid bestaande</para>
      <para>uit een bedrag groot f 150.000,-- bruto als</para>
      <para>vergoeding terzake van toekomstige inkomstenderving</para>
      <para>alsmede van te maken onkosten zoals pensioenopbouw,</para>
      <para>kosten van outplacement en dergelijke en uit een</para>
      <para>bedrag groot f 5000,-- als tegemoetkoming terzake</para>
      <para>van kosten rechtsbijstand van de werknemer.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft blijkens het primaire besluit van</para>
      <para>29 november 1993 en het besluit van 7 april 1994 het</para>
      <para>bedrag van f 150.000,--  met toepassing van artikel 8,</para>
      <para>lid 1, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) in</para>
      <para>aanmerking gebracht voor verrekening met het wachtgeld in</para>
      <para>die zin dat dit bedrag gelijkmatig verdeeld zal worden</para>
      <para>over de periode, vanaf 1 april 1993, waarover gedaagde</para>
      <para>wachtgeld zal ontvangen. Dit houdt in dat gedurende een</para>
      <para>periode van 175 maanden het wachtgeld met een bedrag van</para>
      <para>ongeveer f 857,-- per maand zal worden verminderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft overwogen dat, voor zover de toegekende</para>
      <para>vergoeding bedoeld is terzake van (toekomstige) inkomstenderving,</para>
      <para>terecht vermindering met toepassing van</para>
      <para>artikel 8, lid 1, Rwb is toegepast nu zodanige inkomsten</para>
      <para>moeten worden aangemerkt als inkomsten in verband met</para>
      <para>arbeid als vermeld in dat artikel. Het bestreden besluit</para>
      <para>is echter vernietigd omdat appellant ten onrechte het</para>
      <para>gehele bedrag voor verrekening in aanmerking heeft doen</para>
      <para>komen zonder rekening te houden met onder meer de terzake</para>
      <para>van outplacement gestelde kosten ad f 25.000,-- en eventuele</para>
      <para>kosten voor herstel van pensioenschade. Voorts</para>
      <para>heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de door appellant</para>
      <para>overgelegde interne instructie inzake toepassing van</para>
      <para>artikel 8 Rwb - gesteld dat appellant had dienen te</para>
      <para>bezien of in redelijkheid kon worden overgegaan tot</para>
      <para>verrekening en daarbij tevens had dienen te beoordelen of</para>
      <para>er sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in</para>
      <para>artikel 8, lid 6, Rwb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft naar aanleiding van die uitspraak (en</para>
      <para>naar aanleiding van 's Raads uitspraak van 8 juni 1995,</para>
      <para>nr. AW 1994/676) bij gedaagde geïnformeerd of en zo ja,</para>
      <para>welk bedrag van de toegekende f 150.000,-- is aangewend</para>
      <para>voor het treffen van voorzieningen terzake van de pensioenschade.</para>
      <para>Uit de daarna gevoerde correspondentie,</para>
      <para>waarbij alsnog ook andere kosten zoals immateriële schade,</para>
      <para>ziektekosten, etc. door gedaagde zijn gesteld, is</para>
      <para>gebleken dat het gehele bedrag (met uitzondering van</para>
      <para>f 25.000,--, gereserveerd voor kosten van outplacement)</para>
      <para>is gebruikt ter verbetering van gedaagdes huis; van de</para>
      <para>zijde van gedaagde is bepleit dat dit ook als een soort</para>
      <para>pensioenvoorziening is te duiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft vervolgens een nader besluit, gedateerd</para>
      <para>13 november 1995, genomen. Hierin is het te verrekenen</para>
      <para>bedrag verminderd tot f 125.000,--, zulks in verband met</para>
      <para>het hiervoor genoemde bedrag van f 25.000,-- voor kosten</para>
      <para>van outplacement. Van een voorziening ter opvang van</para>
      <para>pensioenschade is naar de mening van appellant geen</para>
      <para>sprake. Voorts heeft appellant in dit besluit overwogen</para>
      <para>dat van een omstandigheid die aanleiding zou vormen tot</para>
      <para>het toepassen van het zesde lid van artikel 8 Rwb, niet</para>
      <para>is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:19 juncto 6:24</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het hoger</para>
      <para>beroep van gedaagde mede geacht te zijn gericht tegen het</para>
      <para>nieuwe besluit van 13 november 1995, tenzij dat besluit</para>
      <para>aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Gedaagde</para>
      <para>heeft verklaard dat hij het niet met het besluit van 13</para>
      <para>november 1995 eens is, omdat a. in het geheel niet verrekend</para>
      <para>dient te worden; b. indien verrekend wordt ten</para>
      <para>onrechte diverse onkosten niet buiten beschouwing zijn</para>
      <para>gelaten; c. een inhoudelijke afweging in het kader van</para>
      <para>artikel 8, lid 6, Rwb niet heeft plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt terzake het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alvorens het geschil ten materiële te bezien merkt de</para>
      <para>Raad op voorbij te gaan aan de namens gedaagde geuite</para>
      <para>twijfel aan de bevoegdheid van appellant terzake van de</para>
      <para>in geding zijnde besluiten. De Raad overweegt daartoe dat</para>
      <para>- zoals hij al vaker te kennen heeft gegeven - een stuk</para>
      <para>dat zich naar inhoud en ondertekening aandient als een</para>
      <para>besluit van het daartoe bevoegde bestuursorgaan, behoudens</para>
      <para>tegenbewijs, in het algemeen tot bewijs strekt dat zulk een besluit</para>
      <para>ook daadwerkelijk door dat orgaan is genomen.</para>
      <para>Nu appellant heeft doen weten zijn in het besluit van</para>
      <para>7 april 1994 neergelegde standpunt voor wat betreft de</para>
      <para>vaststelling van de omvang van het voor verrekening op</para>
      <para>grond van artikel 8, lid 1, Rwb in aanmerking komende</para>
      <para>bedrag rechtens niet meer onverkort te handhaven, maar te</para>
      <para>hebben gewijzigd zoals in zijn nadere besluit van</para>
      <para>13 november 1995 aangegeven, ziet de Raad reeds daarin</para>
      <para>voldoende grond voor het oordeel dat het besluit van</para>
      <para>7 april 1994 wegens het ontbreken van een deugdelijke</para>
      <para>motivering niet in stand kan blijven. De aangevallen</para>
      <para>uitspraak komt dan ook - zij het op andere dan de door de</para>
      <para>rechtbank gebezigde overwegingen - op die grond voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking. De Raad merkt daarbij op</para>
      <para>(onder verwijzing naar het hierna overwogene) dat niet</para>
      <para>worden onderschreven de overwegingen in de aangevallen</para>
      <para>uitspraak met betrekking tot de ambtshalve toepassing</para>
      <para>door appellant van artikel 8, lid 6, Rwb en met betrekking</para>
      <para>tot een aan appellant toekomende bevoegdheid tot</para>
      <para>verrekening op grond van de overgelegde interne instructie</para>
      <para>inzake toepassing van artikel 8 Rwb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het partijen verdeeld houdende materiële punt van geschil</para>
      <para>zoals vervat in het besluit van 13 november 1995 betreft</para>
      <para>de beantwoording  van de vraag of (en zo ja, in welke</para>
      <para>omvang) de vergoeding, die de kantonrechter terzake van</para>
      <para>de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het kader</para>
      <para>van artikel 1639w Burgerlijk Wetboek (BW) heeft toegekend,</para>
      <para>voor verrekening met het wachtgeld in aanmerking</para>
      <para>dient te komen.</para>
      <para>Artikel 8, lid 1, Rwb bepaalt dat inkomsten die de betrokkene</para>
      <para>geniet of gaat genieten uit of in verband met</para>
      <para>arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na</para>
      <para>de dag waarop het ontslag, terzake waarvan het wachtgeld</para>
      <para>is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd,</para>
      <para>met het wachtgeld worden verrekend over de maand</para>
      <para>waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen</para>
      <para>worden betrekking te hebben. Dit houdt in dat het wachtgeld</para>
      <para>wordt verminderd met het bedrag waarmee het wachtgeld,</para>
      <para>vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging</para>
      <para>overschrijdt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft uit zijn dienstbetrekking bij de stichting</para>
      <para>Delfzicht Ziekenhuis inkomsten genoten. Terzake van de</para>
      <para>beëindiging van die arbeidsovereenkomst is hem door de</para>
      <para>kantonrechter een vergoeding ex artikel 1639w BW toegekend.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat een vergoeding als bedoeld in</para>
      <para>artikel 1639w, lid 8, BW in beginsel dient te worden</para>
      <para>aangemerkt als inkomen uit of in verband met arbeid als</para>
      <para>bedoeld in artikel 8, lid 1, Rwb.</para>
      <para>Dit beginsel lijdt echter uitzondering ingeval de vergoeding</para>
      <para>geheel of gedeeltelijk moet worden geacht een zodanige</para>
      <para>bestemming te hebben dat daaraan het karakter van</para>
      <para>'inkomsten in verband met arbeid' komt te vervallen.</para>
      <para>Indien voldoende duidelijk blijkt dat de vergoeding</para>
      <para>geheel of gedeeltelijk is bestemd ter dekking van of</para>
      <para>tegemoetkoming in bepaalde onkosten, of voor vergoeding</para>
      <para>van immateriële schade, komt die vergoeding geheel of</para>
      <para>gedeeltelijk een ander karakter toe dan dekking van of</para>
      <para>tegemoetkoming in inkomensschade, welke de werknemer als</para>
      <para>gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in</para>
      <para>de daarna intredende periode van werkloosheid zal gaan</para>
      <para>lijden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter beantwoording van de vraag of de vergoeding geheel of</para>
      <para>gedeeltelijk zodanige bestemming toekomt, dient naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad in de eerste plaats te worden bezien</para>
      <para>of en zo ja, welke bestemming door de kantonrechter aan</para>
      <para>de vergoeding wordt gegeven. Voor zover uit de beschikking</para>
      <para>van de kantonrechter die bestemming niet duidelijk</para>
      <para>blijkt, kunnen mogelijk andere - onderliggende - stukken</para>
      <para>(de correspondentie tussen werkgever en werknemer, het</para>
      <para>verzoek- en verweerschrift in de ontbindingsprocedure)</para>
      <para>daaromtrent aanvullende informatie verschaffen. Voorop</para>
      <para>staat evenwel steeds dat het moet gaan om een genoegzaam</para>
      <para>gebleken en geloofwaardige andere (reële) bestemming.</para>
      <para>In het onderhavige geval is door de kantonrechter</para>
      <para>f 5000,-- apart als vergoeding van de kosten van rechtsbijstand</para>
      <para>toegekend, terwijl gelet op de brief van gedaagdes</para>
      <para>toenmalige raadsman van 19 februari 1993 in de vergoeding</para>
      <para>van f 150.000,-- een bedrag van f 25.000,-- voor</para>
      <para>kosten van outplacement is bedoeld; het resterende bedrag</para>
      <para>- zo blijkt uit die brief - komt overeen met een bruto</para>
      <para>jaarsalaris (inclusief werkgeverslasten).</para>
      <para>Namens gedaagde is ter zitting aangevoerd dat in de</para>
      <para>toegekende vergoeding ook een bedrag ter vergoeding van</para>
      <para>immateriële schade is begrepen. Daartoe is gewezen op de</para>
      <para>gehele situatie omtrent de verstoorde arbeidsverhouding</para>
      <para>en de voor gedaagde onverwachte - en gelet op zijn carrière</para>
      <para>nadelige - beëindiging van het dienstverband.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene is de Raad</para>
      <para>van oordeel dat van zodanige bestemming niet blijkt uit</para>
      <para>de beschikking van de kantonrechter terwijl evenmin is</para>
      <para>gebleken dat zodanige vergoeding expliciet is gevorderd</para>
      <para>tijdens die procedure; daartoe kan met name worden verwezen</para>
      <para>naar eerdergenoemde brief van 19 februari 1993, waar</para>
      <para>vergoeding van immateriële schade niet in de opsomming</para>
      <para>van de diverse onderdelen van gedaagdes vordering wordt</para>
      <para>genoemd. Het zelfde geldt ten aanzien van de door gedaagde</para>
      <para>gestelde bestemming van de vergoeding voor de periode</para>
      <para>na beëindiging van de WW-uitkering.</para>
      <para>Waar gedaagdes toenmalige raadsman voorts in zijn brief</para>
      <para>van 19 februari 1993 expliciet te kennen heeft gegeven de</para>
      <para>eerdere claims terzake van zes maanden opzegtermijn en</para>
      <para>pensioenschade te laten vallen en uit de beschikking van</para>
      <para>de kantonrechter niet onmiskenbaar blijkt welk bedrag aan</para>
      <para>pensioenschade in het toegekende bedrag van f 150.000,-- zou</para>
      <para>zijn begrepen, ziet de Raad niet dat van de aan</para>
      <para>gedaagde toegekende vergoeding een bedrag terzake van</para>
      <para>tegemoetkoming in pensioenschade buiten aanmerking had</para>
      <para>moeten worden gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de wijze van verrekening van het</para>
      <para>daarvoor in aanmerking komende bedrag van de aan gedaagde</para>
      <para>toegekende vergoeding, overweegt de Raad dat hij, nu uit</para>
      <para>meergegenoemde beschikking van de kantonrechter en de</para>
      <para>daaraan ten grondslag liggende stukken niet onmiskenbaar</para>
      <para>blijkt aan welke periode bedoeld bedrag zou moeten worden</para>
      <para>toegerekend, geen grond ziet voor het oordeel dat appellants</para>
      <para>besluit om deze verrekening gelijkelijk over de</para>
      <para>resterende looptijd van het wachtgeld te doen plaatsvinden,</para>
      <para>geen stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is voorts gesteld (en door de rechtbank</para>
      <para>in de aangevallen uitspraak onderschreven) dat appellant</para>
      <para>- gelet op de overgelegde interne instructie inzake</para>
      <para>toepassing van artikel 8 Rwb, waarin sprake is van betalingen</para>
      <para>die 'kunnen' worden verrekend - in het kader van</para>
      <para>die bevoegdheid had moeten bezien of in redelijkheid kon</para>
      <para>worden overgegaan tot verrekening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft de interpretatie van gedaagde en</para>
      <para>van de rechtbank van die interne instructie niet. Hij</para>
      <para>volstaat daarbij met te wijzen op de dwingendrechtelijke</para>
      <para>bepaling van artikel 8, lid 1, Rwb en op de toelichting</para>
      <para>in het verweerschrift van appellant, inhoudende dat met</para>
      <para>de - in de interne instructie gebruikte - passage</para>
      <para>"Betalingen m.b.t. categorie 1 kunnen niet worden verrekend"</para>
      <para>en "Betalingen m.b.t. categorie 2 kunnen niet</para>
      <para>worden verrekend" slechts is bedoeld een tegenstelling</para>
      <para>aan te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot artikel 8, lid 6, Rwb, ingevolge welk</para>
      <para>artikellid appellant bevoegd is om in bijzondere gevallen</para>
      <para>ten gunste van betrokkene af te wijken van het daarvoor</para>
      <para>bepaalde, overweegt de Raad dat hem, nu van de zijde van</para>
      <para>gedaagde niet nader is aangegeven op welke gronden zijn</para>
      <para>geval zou kunnen en moeten worden beschouwd als een</para>
      <para>bijzonder geval, niet is gebleken van een bijzonder geval</para>
      <para>als hier bedoeld. Naar zijn oordeel kan reeds om die</para>
      <para>reden niet worden gezegd dat appellants besluit van</para>
      <para>13 november 1995 in het onderhavige geval geen toepassing</para>
      <para>te geven aan de hem in voornoemd lid 6 gegeven bevoegdheid</para>
      <para>een besluit is waartoe appellant in redelijkheid</para>
      <para>niet heeft kunnen komen. De Raad merkt in dit verband nog</para>
      <para>op dat hij - anders dan de rechtbank en gedaagde - niet</para>
      <para>vermag in te zien dat appellant gehouden zou zijn ambtshalve</para>
      <para>de toepasselijkheid van artikel 8, lid 6, Rwb te</para>
      <para>overwegen in die gevallen waarin, zoals in het onderhavige,</para>
      <para>daarom niet is verzocht en daarvoor in de beschikbare</para>
      <para>gegevens evenmin aanknopingspunten zijn te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt tenslotte dat - gelet op al het vorenoverwogene</para>
      <para>- het beroep van gedaagde, voor zover gericht</para>
      <para>tegen appellants nadere besluit van 13 november 1995,</para>
      <para>ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om</para>
      <para>met toepassing van artikel 8:75 Awb appellant te veroordelen</para>
      <para>tot vergoeding van de helft van de aan de zijde van</para>
      <para>gedaagde in hoger beroep gemaakte kosten wegens aan</para>
      <para>gedaagde verleende rechtsbijstand, in totaal f 710,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de</para>
      <para>gronden;</para>
      <para>Verklaart het beroep van gedaagde voor zover geacht te</para>
      <para>zijn gericht tegen het besluit van 13 november 1995</para>
      <para>ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot</para>
      <para>een bedrag groot f 710,--, te betalen door de Staat der</para>
      <para>Nederlanden;</para>
      <para>Bepaalt dat van appellant een griffierecht van f 600,--</para>
      <para>wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr Ch. de Vrey als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H. Bolt als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 11 april 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) Ch. de Vrey.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>TM</para>
      <para>154</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>