<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-17T10:08:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5954</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/1899 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:18&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 6:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:19&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 6:19</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:70&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 8:70</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-17T10:06:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954 Centrale Raad van Beroep , 16-04-1996 / 94/1899 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procesbelang, niet-ontvankelijkverklaring, beroep mede-gericht tegen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>94/1899 AAW/WAO</para>
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, gedaagde.</para>
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven</para>
    <para>gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te</para>
    <para>'s-Gravenhage onder dagtekening 13 juli 1994 tussen partijen</para>
    <para>gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para>Beide partijen hebben nadere informatie verstrekt en nadere</para>
    <para>stukken ingezonden.</para>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 maart</para>
    <para>1996, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl</para>
    <para>gedaagde na schriftelijke kennisgeving niet is verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant ging op 11 mei 1987 na een langdurige periode van</para>
    <para>werkloosheid werken als verhuizer/bijrijder. Hij staakte dit</para>
    <para>werk op 14 augustus 1987 wegens ziekte. Gedaagde heeft hem in</para>
    <para>verband daarmee tot en met 20 november 1987 ziekengeld</para>
    <para>toegekend. Appellants beroep tegen zijn hersteldverklaring per</para>
    <para>21 november 1987 is door de Voorzitter van de toenmalige Raad</para>
    <para>van Beroep te 's-Gravenhage gegrond verklaard.</para>
    <para>Gedaagde heeft bij beslissing van 26 juli 1989 aan appellant</para>
    <para>met ingang van 27 juli 1988 uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
    <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend</para>
    <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    <para>Tevens heeft gedaagde bij die beslissing de uitkeringen van</para>
    <para>gedaagde met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken onder</para>
    <para>overweging dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum</para>
    <para>was afgenomen naar minder dan 15%. De toenmalige Raad van</para>
    <para>Beroep te 's-Gravenhage heeft appellants beroep tegen die beslissing</para>
    <para>gegrond verklaard en die beslissing bij uitspraak van 22</para>
    <para>oktober 1991 vernietigd.</para>
    <para>Gedaagde heeft in die uitspraak berust en de aanspraken van</para>
    <para>appellant opnieuw beoordeeld. Deze beoordeling is uitgemond in</para>
    <para>de bestreden beslissing van 13 mei 1992. Gedaagde heeft</para>
    <para>daarbij geweigerd aan appellant uitkering ingevolge de AAW toe</para>
    <para>te kennen op de grond dat hij vanaf 1 januari 1986</para>
    <para>arbeidsongeschikt is en dat hij in het refertejaar 1985 geen</para>
    <para>inkomen heeft genoten. Gedaagde heeft daarbij voorts beslist</para>
    <para>dat aan appellant ingaande 27 juli 1988 een uitkering</para>
    <para>ingevolge de WAO wordt toegekend, berekend naar een mate van</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft daarbij</para>
    <para>tenslotte beslist dat laatstgenoemde uitkering met ingang van</para>
    <para>1 juli 1989 wordt ingetrokken op de grond dat appellant bij de</para>
    <para>aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO, derhalve op 11</para>
    <para>mei 1987, reeds volledig arbeidsongeschikt was.</para>
    <para>De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de bestreden beslissing</para>
    <para>van 13 mei 1992 bij de aangevallen uitspraak vernietigd en</para>
    <para>gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met</para>
    <para>inachtneming van hetgeen in die uitspraak overwogen is.</para>
    <para>Gedaagde heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld, maar dit</para>
    <para>beroep nadien ingetrokken.</para>
    <para>De Raad zal eerst onderzoeken of appellant in zijn beroep</para>
    <para>tegen de aangevallen uitspraak kan worden ontvangen.</para>
    <para>De Raad stelt vast dat appellant uitsluitend beroep heeft</para>
    <para>ingesteld tegen een niet dragende overweging van die</para>
    <para>uitspraak. De rechtbank merkt daarin ter voorlichting van</para>
    <para>appellant op dat uit de overwegingen van de rechtbank die</para>
    <para>leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing niet</para>
    <para>zonder meer voortvloeit dat appellant al dan niet aanspraak</para>
    <para>heeft op een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering.</para>
    <para>Nu de rechtbank met deze overweging geen bindende uitspraak</para>
    <para>heeft gedaan over appellants aanspraken ingevolge de AAW en de</para>
    <para>WAO is de Raad van oordeel dat appellant geen in rechte te</para>
    <para>honoreren belang heeft bij zijn hoger beroep. De Raad is van</para>
    <para>oordeel dat het hoger beroep van appellant om deze reden</para>
    <para>niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
    <para>Gedaagde heeft bij besluit van 13 december 1995 een nieuwe</para>
    <para>beslissing genomen over appellants aanspraken. Gedaagde heeft</para>
    <para>daarbij aan appellant met ingang van 27 juli 1989 uitkeringen</para>
    <para>ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate</para>
    <para>van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en deze uitkeringen</para>
    <para>met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken omdat appellant op die</para>
    <para>datum minder dan 25%, respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was.</para>
    <para>Daar het hier gelet op de gedingstukken een kennelijke misslag</para>
    <para>betreft zal de Raad de ingangsdatum van dit toekenningsbesluit</para>
    <para>lezen als 27 juli 1988.</para>
    <para>De Raad is van oordeel dat het besluit van 13 december 1995</para>
    <para>moet worden aangemerkt als een besluit strekkende tot</para>
    <para>intrekking of wijziging van een besluit, in casu de bestreden</para>
    <para>beslissing, waartegen ten tijde van het nemen van dat besluit</para>
    <para>een beroep aanhangig was in de zin van artikel 6:18, eerste</para>
    <para>lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat appellants</para>
    <para>hoger beroep, zoals hierboven is overwogen, niet-ontvankelijk</para>
    <para>dient te worden  verklaard doet daaraan niet af, omdat dit</para>
    <para>beroep ten tijde van het nemen van dat besluit nog niet</para>
    <para>niet-ontvankelijk was verklaard.</para>
    <para>De Raad is voorts van oordeel dat het beroep in verband met</para>
    <para>het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, Awb geacht moet</para>
    <para>worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 13 december</para>
    <para>1995 voor zover dat besluit strekt tot intrekking van</para>
    <para>appellants uitkeringen met ingang van 1 juli 1989. Voor zover</para>
    <para>dat besluit de toekenning van uitkeringen behelst, komt het</para>
    <para>geheel aan het beroep  tegemoet; derhalve wordt het beroep</para>
    <para>niet geacht mede te zijn gericht tegen deze toekenning.</para>
    <para>De Raad zal thans treden in een beoordeling van dat beroep.</para>
    <para>Dit betekent dat de vraag dient te worden beantwoord of het</para>
    <para>besluit van 13 december 1995 in rechte stand kan houden voor</para>
    <para>zover appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO</para>
    <para>daarbij met ingang van 1 juli 1989 zijn ingetrokken.</para>
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe</para>
    <para>als volgt.</para>
    <para>Gedaagde heeft op 26 juli 1989 een beslissing genomen die in</para>
    <para>essentie gelijk is aan het thans bestreden besluit. Bij die</para>
    <para>beslissing werden aan appellant met ingang van 27 juli 1988</para>
    <para>uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend</para>
    <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en</para>
    <para>werden die uitkeringen met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken</para>
    <para>op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant wegens</para>
    <para>geschiktheid voor passende functies was afgenomen naar minder</para>
    <para>dan 15%.</para>
    <para>Deze beslissing is door de toenmalige Raad van Beroep te 's-Gravenhage</para>
    <para>bij uitspraak van 22 oktober 1991 vernietigd aan</para>
    <para>welke vernietiging ten grondslag is gelegd dat appellant</para>
    <para>blijkens rapportage van de zenuwarts J.G.M. Barnhoorn op de</para>
    <para>datum in geding volledig arbeidsongeschikt was. De Raad stelt</para>
    <para>op grond van de gedingstukken vast dat gedaagde in deze</para>
    <para>uitspraak uitdrukkelijk heeft berust en dat die uitspraak in</para>
    <para>rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat het</para>
    <para>gedaagde niet meer vrij stond ter zake van appellants</para>
    <para>aanspraken ingevolge de AAW en de WAO op de datum in geding</para>
    <para>een van die uitspraak afwijkend besluit te nemen.</para>
    <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep voor zover</para>
    <para>het geacht wordt mede te zijn gericht tegen het</para>
    <para>intrekkingsbesluit van 13 december 1995 gegrond is en dat dit</para>
    <para>besluit voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    <para>Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het</para>
    <para>volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel</para>
    <para>8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van</para>
    <para>appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op</para>
    <para>ƒ 31,55 aan reiskosten.</para>
    <para>Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet</para>
    <para>gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.</para>
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para>Verklaart het beroep voor zover het mede geacht wordt gericht</para>
    <para>te zijn tegen het besluit tot intrekking van appellants uitkeringen</para>
    <para>van 13 december 1995 gegrond en vernietigt dit besluit;</para>
    <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger</para>
    <para>beroep tot een bedrag groot ƒ 31,55, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van der Kade</para>
    <para>en mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van M.M.F. Holtrop als</para>
    <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 1996.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
  <para />
  <para>(get.) M.M.F. Holtrop.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>BvW</para>
    <para>3/4</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>