<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5901</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:04:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:1996:ZF2113</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5901</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/5134 ABW,   95/5148 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=14&amp;g=1996-04-16">Algemene bijstandswet 14</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=30&amp;g=1996-04-16">Algemene bijstandswet 30</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1996-04-16">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:20&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 6:20</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:2&amp;g=1996-04-16">Algemene wet bestuursrecht 6:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1996, 126</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1996/117</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5901">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5901</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:46:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5901 Centrale Raad van Beroep , 16-04-1996 / 95/5134 ABW,   95/5148 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5901:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5901:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>95/5134 ABW</para>
      <para>95/5148 ABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Tilburg, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift (met bijlagen)</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak</para>
      <para>van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 13 juni 1995,</para>
      <para>nummers 94/294 RWW WO en 94/621 RWW WO, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 17 oktober 1995 een verweerschrift ingediend</para>
      <para>en desverzocht op 30 januari 1996 een aantal stukken aan de</para>
      <para>Raad gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 31 oktober 1995 en 8 februari 1996 (beide met</para>
      <para>bijlagen) heeft appellant zich nog tot de Raad gewend. In</para>
      <para>eerstvermeld schrijven heeft hij verzocht gedaagde te</para>
      <para>veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade,</para>
      <para>bestaande uit renteschade en smartegeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van</para>
      <para>20 februari 1996, waar appellant in persoon is verschenen,</para>
      <para>terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W.A.</para>
      <para>van den Oord, werkzaam bij de gemeente Tilburg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vaststaande feiten</para>
      <para>De Raad ontleent aan de gedingstukken het volgende.</para>
      <para>Appellant ontving sedert augustus 1985 een uitkering ingevolge</para>
      <para>de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW). Sedert medio</para>
      <para>1990 woonde hij in een caravan aan de P.straat te B.</para>
      <para>Middels het formulier "Periodiek onderzoek Rww" dat</para>
      <para>betrekking had op de maand november 1993 en dat bij gedaagde</para>
      <para>op 18 oktober 1993 is binnengekomen, heeft appellant doen</para>
      <para>weten dat hij bij slecht weer e.d. op het adres Q.straat te B. woont.</para>
      <para>Toen aan het adres P.straat te B. gerichte post</para>
      <para>retour werd ontvangen met de mededeling "vertrokken", heeft</para>
      <para>gedaagde bij beschikking van 15 november 1993 besloten de</para>
      <para>uitkering ingevolge de RWW van appellant met ingang van 1</para>
      <para>november 1993 te beëindigen op de grond dat is komen vast te</para>
      <para>staan dat appellant niet woonachtig is op het door hem</para>
      <para>aangegeven adres.</para>
      <para>Appellant heeft bij brief van 1 december 1993 bezwaar gemaakt</para>
      <para>tegen de beëindiging van zijn uitkering per</para>
      <para>1 november 1993. Hij heeft in het bezwaarschrift aangevoerd</para>
      <para>dat hij op de hem toegezonden post niet kon reageren omdat een</para>
      <para>zekere postbode geen post bezorgde op het adres P.straat</para>
      <para>te B. omdat dat geen door de gemeente toegekend,</para>
      <para>officieel adres is. Tevens heeft hij er op gewezen dat het in</para>
      <para>de rede had gelegen indien gedaagde de retour ontvangen post</para>
      <para>andermaal zou hebben verzonden en wel naar het op het</para>
      <para>formulier "Periodiek onderzoek Rww" over de maand november</para>
      <para>1993 vermelde adres Q.straat te B.</para>
      <para>Eveneens bij brief van 1 december 1993 heeft appellant bij</para>
      <para>gedaagde opnieuw een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend.</para>
      <para>In verband met deze nieuwe aanvraag heeft de behandelend</para>
      <para>bijstandsconsulent het dossier van appellant opnieuw</para>
      <para>doorgenomen. Omdat op grond daarvan het vermoeden rees dat</para>
      <para>appellant over een groter vermogen beschikte dan het in</para>
      <para>artikel 7, eerste lid, onder b, van de ABW bedoelde bescheiden</para>
      <para>vermogen, is appellant bij brief van 23 december 1993 uitgenodigd</para>
      <para>voor een gesprek op de Sociale Dienst op 4 januari 1994. Hem werd</para>
      <para>verzocht daarbij een aantal bescheiden mee te brengen.</para>
      <para>D.d. 28 december 1993 heeft appellant op die uitnodiging</para>
      <para>gereageerd met onder andere de mededeling dat alle gevraagde</para>
      <para>bescheiden in het verleden zijn overgelegd en dus bij gedaagde</para>
      <para>aanwezig en bekend zijn. Aan het slot van de brief heeft hij</para>
      <para>gesteld dat hij ervan uitgaat dat de uitnodiging voor 4</para>
      <para>januari 1994 als gevolg van de door hem gegeven toelichting</para>
      <para>komt te vervallen.</para>
      <para>Op 27 januari 1994 heeft appellant op grond van artikel 41</para>
      <para>(oud) van de ABW bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant</para>
      <para>beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het</para>
      <para>door hem op 1 december 1993 ingediende bezwaarschrift. Genoemd</para>
      <para>College heeft het beroepschrift van appellant ter verdere</para>
      <para>behandeling doorgezonden aan de Arrondissementsrechtbank te Breda.</para>
      <para>Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 31 januari 1994 het</para>
      <para>bezwaar van appellant d.d. 1 december 1993 ongegrond</para>
      <para>verklaard. Hij heeft daarbij het volgende overwogen:</para>
      <para>"Ingevolge artikel 30 lid 2 Algemene Bijstandswet, is</para>
      <para>de persoon te wiens behoeve bijstand is gevraagd of</para>
      <para>wordt verleend verplicht, om van al datgene wat van</para>
      <para>belang is voor de verlening van bijstand of voortzetting</para>
      <para>van verleende bijstand mededeling te doen,</para>
      <para>zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken.</para>
      <para>Blijkens artikel 3, vijfde lid, Abw kunnen Burgemeester</para>
      <para>en Wethouders, indien een aan de bijstand</para>
      <para>verbonden voorwaarde niet is nagekomen, de bijstand</para>
      <para>beëindigen of in afwijking van artikel 1 vaststellen.</para>
      <para>Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming</para>
      <para>van artikel 30, mede bezien in verband met artikel</para>
      <para>3, vijfde lid, Abw, kan de bijstand worden geweigerd</para>
      <para>of beëindigd, dan wel op een lager bedrag worden</para>
      <para>vastgesteld, indien aan vorenbedoelde rechtsplicht</para>
      <para>niet of in onvoldoende mate wordt voldaan.</para>
      <para>In verband met het bepaalde in artikel 14 Abw is het</para>
      <para>voor het bijstandsverlenend orgaan van essentieel</para>
      <para>belang te weten waar de betrokkene zich feitelijk</para>
      <para>bevindt. De bewijslast met betrekking tot zijn</para>
      <para>verblijfplaats ligt niet bij het bijstandsverlenend</para>
      <para>orgaan, doch bij betrokkene zelf. (Rsv 26.10.1992,</para>
      <para>G04.90.0362).</para>
      <para>U bent er zelf ook verantwoordelijk voor dat de post</para>
      <para>u tijdig bereikt.</para>
      <para>U hebt van uw gewijzigde woonsituatie geen melding</para>
      <para>gemaakt aan de Dienst.</para>
      <para>Bovendien is gebleken dat u over een meer dan bescheiden</para>
      <para>vermogen beschikt en u niet bereid bent</para>
      <para>hierover nadere inlichtingen te verstrekken.</para>
      <para>Een beëindiging van de uitkering met terugwerkende</para>
      <para>kracht is in dit geval geoorloofd nu u niet bereid</para>
      <para>bent alle noodzakelijke inlichtingen, die verband</para>
      <para>houden met de bijstandsverlening, aan de Sociale</para>
      <para>Dienst te geven.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen dat besluit bij brief van 5 maart</para>
      <para>1994 beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bij</para>
      <para>beroepschriften van 27 januari 1994 en 5 maart 1994</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad staat nu op zijn beurt voor de beantwoording van</para>
      <para>twee vragen:</para>
      <para>1) is het beroep voorzover dat gericht is tegen het</para>
      <para>uitblijven van een besluit op het bezwaarschrift van</para>
      <para>1 december 1993 terecht ongegrond verklaard, en</para>
      <para>2) is het beroep voorzover dat gericht is tegen het</para>
      <para>besluit van 31 januari 1994 terecht ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal eerst de tweede vraag beantwoorden en, bij</para>
      <para>ontkennende beantwoording van die vraag, tevens bezien of</para>
      <para>en zo ja, in hoeverre er termen aanwezig zijn om toepassing</para>
      <para>te geven aan de artikelen 8:73 en 8:75 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit van 31 januari 1994</para>
      <para>Blijkens het bestreden besluit van 31 januari 1994 stelt</para>
      <para>gedaagde zich allereerst op het standpunt dat appellant</para>
      <para>er zelf verantwoordelijk voor is dat post hem tijdig</para>
      <para>bereikt en dat appellant geen melding heeft gemaakt van</para>
      <para>zijn gewijzigde woonsituatie.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat appellant gedaagde vóór 1 november</para>
      <para>1993 op de hoogte heeft gesteld van zijn woonsituatie.</para>
      <para>Hij heeft immers op het formulier "Periodiek onderzoek</para>
      <para>Rww" dat betrekking heeft op de maand november 1993 en</para>
      <para>dat bij gedaagde op 18 oktober 1993 is binnengekomen,</para>
      <para>aangegeven bij slecht weer e.d. op het adres Q.straat</para>
      <para>te B. te wonen. Voorts heeft appellant in zijn bezwaarschrift d.d.</para>
      <para>1 december 1993 nogmaals een uiteenzetting van zijn woonsituatie</para>
      <para>gegeven en de omstandigheden uitgelegd waardoor hij niet op de</para>
      <para>hem toegezonden post heeft gereageerd.</para>
      <para>Gedaagde beschikte derhalve reeds voor 1 november 1993 en</para>
      <para>in elk geval voor de datum van het thans bestreden besluit</para>
      <para>over alle relevante gegevens met betrekking tot de</para>
      <para>postbezorging en de woon- en verblijfplaats van appellant.</para>
      <para>Het bestreden besluit kan derhalve niet worden</para>
      <para>gedragen door de daarvoor gebezigde motivering dat appellant</para>
      <para>geen melding zou hebben gemaakt van zijn gewijzigde</para>
      <para>woonsituatie en ten onrechte niet op aan hem gezonden</para>
      <para>post zou hebben gereageerd.</para>
      <para>Voorts heeft gedaagde zich bij het bestreden besluit van</para>
      <para>31 januari 1994 op het standpunt gesteld dat appellant</para>
      <para>over een groter vermogen beschikt dan het in artikel 7,</para>
      <para>eerste lid, onder b, van de ABW bedoelde bescheiden</para>
      <para>vermogen en niet bereid is daarover nadere inlichtingen</para>
      <para>te verstrekken.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat aan appellant niet zonder meer</para>
      <para>het bepaalde in artikel 30, tweede lid, van de ABW kon</para>
      <para>worden tegengeworpen.</para>
      <para>Vast staat immers dat appellant op 23 december 1993 is</para>
      <para>uitgenodigd voor een gesprek over zijn vermogenspositie,</para>
      <para>omdat op basis van een hernieuwd dossieronderzoek,</para>
      <para>derhalve op grond van bij gedaagde bekende gegevens, het</para>
      <para>vermoeden was gerezen dat appellant over een groter</para>
      <para>vermogen beschikte dan het te dien tijde in artikel 18</para>
      <para>onder b van het Bijstandsbesluit landelijke normering</para>
      <para>vermelde bedrag van f 8.900,--.</para>
      <para>Appellant heeft op deze uitnodiging gereageerd bij brief</para>
      <para>van 28 december 1993 en in die brief een nadere toelichting</para>
      <para>verstrekt. Gelet op de inhoud van die brief stond</para>
      <para>het aan gedaagde om te beoordelen of die toelichting te</para>
      <para>zamen met de reeds bekende gegevens beoordeling van de</para>
      <para>vermogenspositie van appellant mogelijk maakte en</para>
      <para>- voorzover dat nog niet het geval zou blijken te zijn -</para>
      <para>aan appellant kenbaar te maken welke bescheiden nog</para>
      <para>noodzakelijk waren voor de evenbedoelde beoordeling en</para>
      <para>hem in de gelegenheid te stellen die ontbrekende informatie</para>
      <para>schriftelijk of mondeling binnen een nader te stellen</para>
      <para>termijn te verstrekken. De stelling dat appellant niet</para>
      <para>bereid zou zijn om nadere inlichtingen te verstrekken</para>
      <para>vindt geen steun in de gedingstukken en kan - gezien ook</para>
      <para>het gestelde in de brief van 28 december 199 -  in dit</para>
      <para>geval niet worden afgeleid uit het enkele niet verschijnen</para>
      <para>van appellant bij de gemeentelijke sociale dienst op</para>
      <para>4 januari 1994.</para>
      <para>De Raad overweegt vervolgens dat voor het beëindigen van</para>
      <para>een uitkering met terugwerkende kracht in het algemeen</para>
      <para>slechts plaats is indien de betrokkene weet of redelijkerwijs</para>
      <para>kan vermoeden dat hem in strijd met de bij of</para>
      <para>krachtens de ABW gestelde regels een uitkering wordt</para>
      <para>verleend. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat</para>
      <para>appellant op 1 november 1993 ook maar kon vermoeden dat</para>
      <para>zijn uitkering met ingang van die datum op grond van zijn</para>
      <para>vermogenspositie zou kunnen worden beëindigd. Onder die</para>
      <para>omstandigheden moet de beëindiging van de uitkering met</para>
      <para>terugwerkende kracht in strijd geacht worden met het</para>
      <para>rechtszekerheidsbeginsel. De aangevallen uitspraak kan</para>
      <para>dan ook niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit van 31 januari 1994 komt voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking wegens strijd met het motiveringsbeginsel</para>
      <para>en het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad</para>
      <para>acht het voorts aangewezen de primaire beschikking van</para>
      <para>15 november 1993 eveneens te vernietigen, omdat deze</para>
      <para>gedeeltelijk op dezelfde, niet houdbaar gebleken, grond berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Renteschade</para>
      <para>Appellant heeft verzocht om gedaagde te veroordelen tot</para>
      <para>vergoeding van renteschade. Dat verzoek vindt zijn basis</para>
      <para>in artikel 8:73 van de Awb.</para>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om aan dit verzoek te voldoen.</para>
      <para>De gevorderde schade bestaat uit het nadeel dat appellant</para>
      <para>heeft geleden doordat gedaagde onrechtmatige besluiten</para>
      <para>heeft genomen. Zou op 15 november 1993, onderscheidenlijk</para>
      <para>31 januari 1994, een juiste beslissing zijn genomen, dan</para>
      <para>zou de uitkering van appellant niet met ingang van</para>
      <para>1 november 1993 zijn beëindigd - althans dat dient hier</para>
      <para>thans het uitgangspunt te zijn - en zouden de betalingen</para>
      <para>aan appellant zijn voortgezet.</para>
      <para>Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden</para>
      <para>rust op de gemeente Tilburg de plicht die schade te</para>
      <para>vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van</para>
      <para>het Burgerlijk Wetboek (BW). Die rente moet worden berekend</para>
      <para>over de RWW-uitkering waarop appellant vanaf</para>
      <para>1 november 1993 alsnog recht heeft.</para>
      <para>Onder de werking van de ABW, zoals deze tot 1 januari</para>
      <para>1996 luidde, golden er geen algemeen verbindende voorschriften</para>
      <para>met betrekking tot de termijnen waarin en de</para>
      <para>dag waarop de uitkering aan appellant had moeten zijn</para>
      <para>betaald. Gelet hierop neemt de Raad omwille van een</para>
      <para>praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt</para>
      <para>dat ingeval van verlaging of beëindiging van een</para>
      <para>uitkering op grond van de ABW welke per maand wordt</para>
      <para>uitbetaald, zoals is casu het geval is, het juiste bedrag</para>
      <para>aan uitkering had moeten zijn uitgekeerd uiterlijk op de</para>
      <para>laatste dag van de maand waarin de datum is gelegen met</para>
      <para>ingang waarvan de uitkering ten onrechte is verlaagd of</para>
      <para>ingetrokken. De eerste dag waarop de rente over de maand</para>
      <para>november 1993 is verschuldigd, wordt derhalve gesteld op</para>
      <para>1 december 1993. De ingangsdatum van de rentevergoeding</para>
      <para>over de volgende termijnen dient telkens te worden gesteld</para>
      <para>op de eerste dag na afloop van de betreffende termijn.</para>
      <para>Bij het voorgaande geldt dat in het voetspoor van de</para>
      <para>rechtspraak van de Hoge Raad - recentelijk nog bevestigd</para>
      <para>in zijn arrest van 24 juni 1994, NJ 1994, 596 - voor die</para>
      <para>berekening wordt uitgegaan van het bruto-bedrag dat</para>
      <para>appellant aan RWW-uitkering had moeten worden betaald.</para>
      <para>Daarbij dient telkens na afloop van een jaar het bedrag</para>
      <para>waarover de wettelijke rente wordt berekend, te worden</para>
      <para>vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Immateriële schade</para>
      <para>Appellant heeft tevens verzocht om gedaagde te veroordelen</para>
      <para>tot betaling van f 10.000,-- aan smartegeld op grond</para>
      <para>van het onrecht dat de gemeente Tilburg hem heeft aangedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad begrijpt dit verzoek van appellant aldus dat</para>
      <para>verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade op de</para>
      <para>voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b,</para>
      <para>van het BW. De Raad onderkent dat geestelijk leed van een</para>
      <para>benadeelde onder omstandigheden kan worden aangemerkt als</para>
      <para>een aantasting van zijn persoon, die recht geeft op</para>
      <para>vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter</para>
      <para>niet snel sprake zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld</para>
      <para>artikelonderdeel moet immers worden afgeleid dat de</para>
      <para>wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken</para>
      <para>op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere</para>
      <para>persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.</para>
      <para>Voorts moet worden bedacht - overeenkomstig het arrest van</para>
      <para>de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in RvdW</para>
      <para>1995, 29 c - dat in gevallen als het onderhavige in de</para>
      <para>regel wel sprake zal zijn van meer of minder sterk</para>
      <para>psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een</para>
      <para>onrechtmatig besluit of een daarmee gelijk te stellen</para>
      <para>onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan.</para>
      <para>De Raad acht het aannemelijk dat ook bij appellant dergelijke</para>
      <para>gevoelens zijn ontstaan naar aanleiding van de</para>
      <para>besluiten van gedaagde van 15 november 1993 en 31 januari 1994.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is appellant er echter niet</para>
      <para>in geslaagd aannemelijk te maken dat hij - in afwijking</para>
      <para>van het zojuist overwogene - zodanig onder de besluiten</para>
      <para>van gedaagde heeft geleden dat sprake was van geestelijk</para>
      <para>leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn</para>
      <para>persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Het verzoek om</para>
      <para>vergoeding van immateriële schade moet dan ook worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Proceskosten</para>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten</para>
      <para>van appellant in beroep en in hoger beroep, nu van</para>
      <para>voor vergoeding in aanmerking komende kosten de Raad niet</para>
      <para>is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar</para>
      <para>De vraag rijst of appellant thans nog belang heeft bij</para>
      <para>het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet</para>
      <para>tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 1 december</para>
      <para>1993. Dat belang kan gelegen zijn in het verkrijgen van</para>
      <para>een veroordeling tot vergoeding van schade als gevolg van</para>
      <para>het niet tijdig beslissen op het bezwaar of van een</para>
      <para>veroordeling in verband met gemaakte proceskosten als</para>
      <para>gevolg van het feit dat gedaagde niet tijdig op het</para>
      <para>bezwaar heeft beslist. In het geval van appellant is van</para>
      <para>een dergelijk belang niet gebleken, zodat het inleidend</para>
      <para>beroep inzoverre alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het</para>
      <para>besluit van 31 januari 1994 gegrond en vernietigt dat</para>
      <para>besluit en de daaraan voorafgegane beschikking van</para>
      <para>15 november 1993;</para>
      <para>Verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het</para>
      <para>niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van</para>
      <para>1 december 1993 niet-ontvankelijk;</para>
      <para>Veroordeelt de gemeente Tilburg tot vergoeding van</para>
      <para>renteschade als hiervoor is aangegeven;</para>
      <para>Wijst af het meer of anders gevorderde;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellant het gestorte</para>
      <para>griffierecht van f 200,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 16 april 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>RH</para>
      <para>2803</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>