<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:18:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5892</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/97 ABP</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:68&amp;g=1996-04-11">Algemene wet bestuursrecht 8:68</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:56&amp;g=1996-04-11">Algemene wet bestuursrecht 8:56</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:57&amp;g=1996-04-11">Algemene wet bestuursrecht 8:57</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1996, 257 met annotatie van P.J. Stolk</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5892">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:46:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5892 Centrale Raad van Beroep , 11-04-1996 / 95/97 ABP</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5892:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Na heropening vooronderzoek geen nieuwe behandeling ter zitting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5892:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/97 ABP</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Stichting ABP als rechtsopvolger van het</para>
      <para>bestuur van het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 8 juni 1993 heeft het bestuur van het</para>
      <para>voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds ten aanzien van</para>
      <para>appellant een besluit genomen, waarvan een afschrift aan deze</para>
      <para>uitspraak is gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de</para>
      <para>Rechtbank) heeft bij een uitspraak van 2 februari 1995, nummer</para>
      <para>93/764 ABP, het beroep dat appellant tegen het zojuist</para>
      <para>genoemde besluit heeft ingesteld, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen die uitspraak heeft appellant bij de Raad hoger beroep</para>
      <para>ingesteld. In het aanvullend beroepschrift d.d. 9 oktober 1995</para>
      <para>is uiteengezet waarom appellant zich met de aangevallen</para>
      <para>uitspraak niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de directieraad van het voormalige Algemeen burgerlijk</para>
      <para>pensioenfonds is een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij schrijven d.d. 29 februari 1996 heeft appellant daarop</para>
      <para>gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 maart</para>
      <para>1996. Aldaar is appellant in persoon verschenen, terwijl</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P. Geurst,</para>
      <para>werkzaam bij de Stichting USZO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet in dit geding aanleiding om in de eerste plaats</para>
      <para>te onderzoeken of de aangevallen uitspraak van de Rechtbank op</para>
      <para>juiste wijze is tot stand gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken is het door appellant aldaar</para>
      <para>ingestelde beroep door de Rechtbank behandeld ter zitting van</para>
      <para>13 oktober 1994. Naar is vermeld in het van die zitting</para>
      <para>opgemaakte proces-verbaal, heeft de Rechtbank het onderzoek</para>
      <para>van de zaak ter zitting gesloten en meegedeeld dat over zes</para>
      <para>weken uitspraak zal worden gedaan.</para>
      <para>Op diezelfde datum heeft de Rechtbank vervolgens beslist tot</para>
      <para>heropening van het onderzoek, onder overweging dat is gebleken</para>
      <para>dat het onderzoek niet volledig is geweest, en bepaald dat</para>
      <para>appellant in de gelegenheid wordt gesteld een reactie te geven</para>
      <para>op een brief van gedaagdes rechtsvoorganger van 29 september</para>
      <para>1994.</para>
      <para>Nadat bedoelde reactie was gegeven bij schrijven d.d. 22</para>
      <para>december 1994 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan, zonder</para>
      <para>nieuwe behandeling van het geding ter zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>kan de Rechtbank, na de sluiting van de behandeling ter</para>
      <para>zitting als bedoeld in artikel 8:65 van de Awb, het onderzoek</para>
      <para>heropenen, indien zij van oordeel is dat het onderzoek niet</para>
      <para>volledig is geweest. De Rechtbank bepaalt daarbij op welke</para>
      <para>wijze het onderzoek wordt voortgezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar uit de systematiek van de Awb, als neergelegd in Titel</para>
      <para>8.2, blijkt, bestaat de behandeling van het beroep in beginsel</para>
      <para>uit twee onderdelen, te weten het vooronderzoek (afdeling</para>
      <para>8.2.2) en het onderzoek ter zitting (afdeling 8.2.5).</para>
      <para>Uit de inhoud van de terzake door de Rechtbank genomen</para>
      <para>beslissing leidt de Raad af dat in dezen de heropening van het</para>
      <para>vooronderzoek is beoogd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar luid van de artikelen 8:56 en 8:57 van de Awb worden</para>
      <para>partijen na afloop van het vooronderzoek uitgenodigd om op een</para>
      <para>zitting te verschijnen, behoudens toestemming van partijen om</para>
      <para>het onderzoek ter zitting achterwege te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan deze bepalingen niet anders lezen dan dat ook in</para>
      <para>een geval als het onderhavige, waarin sprake is van heropening</para>
      <para>van het vooronderzoek, een (nieuwe) behandeling ter zitting</para>
      <para>dient plaats te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken is aan partijen geen toestemming</para>
      <para>gevraagd om een nieuwe zitting achterwege te laten; volstaan</para>
      <para>is met schriftelijke mededeling dat een nieuwe behandeling ter</para>
      <para>zitting door de Rechtbank niet nodig werd geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat een, uit oogpunt</para>
      <para>van een behoorlijke procesvoering wezenlijk, onderdeel van de</para>
      <para>behandeling van het beroep ten onrechte achterwege is</para>
      <para>gebleven.</para>
      <para>Dit brengt mee dat de Raad de aangevallen uitspraak niet in</para>
      <para>stand kan laten en voorts, dat de zaak met toepassing van</para>
      <para>artikel 26 van de Beroepswet dient te worden teruggewezen naar</para>
      <para>de Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande acht de Raad het geraden op grond van</para>
      <para>artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet de Staat der</para>
      <para>Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te gelasten aan</para>
      <para>appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ad f 150,- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht voorts termen aanwezig om ook de Staat der</para>
      <para>Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellant in hoger beroep, welke zijn begroot</para>
      <para>op f 27,50 als reiskosten.</para>
      <para>Van andere kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Wijst de zaak voor hernieuwde behandeling terug naar de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage;</para>
      <para>Veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van</para>
      <para>appellant tot een bedrag groot f 27,50;</para>
      <para>Gelast de Staat der Nederlanden aan appellant het in dit</para>
      <para>geding betaalde griffierecht ad f 150,-- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr R.C. Schoemaker en mr G.L.M.J. Stevens als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr M.C.T. Ehrencron als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 11 april 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.C.T. Ehrencron.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>09.04</para>
      <para>+B</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>