<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:28:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5872</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0626</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/929 WW, 94/931 WW, 94/933 WW, 94/935 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=61&amp;g=1996-03-28">Werkloosheidswet 61</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=64&amp;g=1996-03-28">Werkloosheidswet 64</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002753&amp;artikel=7A:1638ii&amp;g=1996-03-28">Wet ziekenhuisvoorzieningen 7A:1638ii</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1996, 163 met annotatie van J.W. Mathies</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:46:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872 Centrale Raad van Beroep , 28-03-1996 / 94/929 WW, 94/931 WW, 94/933 WW, 94/935 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overneming niet genoten ATV-dagen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>94/929 WW</para>
    <para />
    <para>O.</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de erven en/of rechtverkrijgenden van wijlen [betrokkene], laatstelijk gewoond</para>
      <para>hebbende te Gieten, gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger</para>
      <para>beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Assen onder</para>
      <para>dagtekening 15 juni 1994 onder meer tussen appellant en wijlen [betrokkene]</para>
      <para>gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is, gevoegd met de gedingen, genummerd 94/931 WW, 94/933 WW en</para>
      <para>94/935 WW, behandeld ter zitting van de Raad op 15 februari 1996, waar</para>
      <para>appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij zijn gemachtigde</para>
      <para>mr L.M. Kos, werkzaam ten behoeve van appellants bedrijfsvereniging. Van de</para>
      <para>zijde van gedaagden is niemand verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In dit geding wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijlen [betrokkene], verder te noemen: [betrokkene], is van</para>
      <para>22 augustus 1988 tot en met 6 juli 1990 als opperman in dienst geweest bij</para>
      <para>aannemingsbedrijf [werkgever] (verder: [werkgever]) te [vestigingsplaats]. Op vrijdag 6 juli</para>
      <para>1990 is [betrokkene] met onmiddellijke ingang ontslagen, omdat [werkgever] niet langer</para>
      <para>aan zijn (loon)betalingsverplichtingen kon voldoen. Met ingang van maandag</para>
      <para>9 juli 1990 is [betrokkene] bij de hoofdaannemer in dienst getreden. Op 11 juli</para>
      <para>1990 heeft [betrokkene] appellant verzocht om op grond van hoofdstuk IV van de</para>
      <para>Werkloosheidswet (hierna: WW) betalingsverplichtingen van [werkgever] over te</para>
      <para>nemen, waaronder achterstallig loon, vakantierechten en vijf niet opgenomen</para>
      <para>ADV-dagen. Bij beslissing van 21 september 1990 is op dit verzoek door</para>
      <para>appellant afwijzend beslist, omdat [werkgever] ten tijde van het einde van de</para>
      <para>dienstbetrekking niet verkeerde in een toestand van betalingsonmacht als</para>
      <para>bedoeld in hoofdstuk IV van de WW. Nadat aan [werkgever] op 8 januari 1991</para>
      <para>surséance van betaling was verleend, heeft [betrokkene] op 12 januari 1991 nog-</para>
      <para>maals een aanvraag ingediend voor overneming van voornoemde</para>
      <para>betalingsverplichtingen. Daarop heeft appellant, van oordeel zijnde dat</para>
      <para>zich hier een situatie voordeed als bedoeld in artikel 62, aanhef en onder</para>
      <para>a, van de WW, alsnog de gevraagde betalingsverplichtingen overgenomen, met</para>
      <para>uitzondering van de niet genoten ADV-dagen. Overneming daarvan is door</para>
      <para>appellant bij het bestreden besluit van 12 december 1991 geweigerd op de</para>
      <para>grond dat deze dagen geacht worden te zijn opgenomen voor de beëindiging</para>
      <para>van het dienstverband. Appellant heeft hierbij gewezen op het bepaalde in</para>
      <para>artikel 35, vijfde lid, van de van toepassing zijnde CAO voor het</para>
      <para>Bouwbedrijf, waarin onder meer is bepaald dat niet opgenomen ADV-dagen voor</para>
      <para>beëindiging van het dienstverband dienen te worden opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit besluit vernietigd en -</para>
      <para>kennelijk met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (hierna: Awb) - bepaald dat [betrokkene] jegens appellant recht</para>
      <para>heeft op vergoeding van de door hem geclaimde ADV-dagen. Hiertoe heeft de</para>
      <para>rechtbank overwogen dat, gelet op de jurisprudentie met betrekking tot</para>
      <para>artikel (thans 7A:) 1638ii van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), moet</para>
      <para>worden aangenomen dat ADV-dagen dienen te worden gezien als een vervangende</para>
      <para>loonaanspraak waarvoor loon is ingeleverd, met name vergelijkbaar met een</para>
      <para>aanspraak op loon over vakantiedagen. Waar, gelet op het bepaalde in</para>
      <para>artikel 64 sub c van de WW, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk</para>
      <para>IV van de WW mede vakantiegeld omvat, kan dat recht, aldus de rechtbank,</para>
      <para>derhalve op dezelfde voet de loonwaarde van niet opgenomen ADV-dagen</para>
      <para>omvatten. Voorts was de rechtbank van oordeel dat appellant aan de tekst</para>
      <para>van de CAO geen argumenten kan ontlenen voor de conclusie dat de werkgever</para>
      <para>de niet opgenomen ADV-dagen in casu niet verschuldigd zou zijn, nu er geen</para>
      <para>sprake is geweest van opzegging als bedoeld in de betreffende CAO-bepaling,</para>
      <para>maar van een beëindiging met onmiddellijke ingang, waardoor [betrokkene] niet in</para>
      <para>de gelegenheid is geweest om de resterende ADV-dagen voor beëindiging van</para>
      <para>het dienstverband op te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft appellant in hoger beroep onder meer het</para>
      <para>volgende aangevoerd (waarbij voor eiser appellant dient te worden gelezen</para>
      <para>en waar onder verweerders [betrokkene] is begrepen):</para>
      <para>"Eiser meent dat het recht op uitkering op grond van art. 64</para>
      <para>onderdeel c van de WW niet mede kan omvatten het recht op loon</para>
      <para>over (niet opgenomen) ADV-dagen. Anders dan de rechtbank vindt</para>
      <para>eiser, dat recht op loon over niet opgenomen ADV-dagen niet</para>
      <para>vergelijkbaar is met recht op loon over niet-opgenomen</para>
      <para>vakantiedagen. De ratio achter de invoering van ADV-dagen is een</para>
      <para>duidelijk andere dan die van vakantiedagen. Vakantiedagen zijn</para>
      <para>ingevoerd met het doel werknemers meer vrije tijd te geven, de</para>
      <para>ADV-dagen met het doel een (her)verdeling van arbeid te bereiken.</para>
      <para>Laatstgenoemd doel wordt gefrustreerd wanneer in plaats van het</para>
      <para>opnemen van de ADV-dagen loon wordt uitgekeerd. Tegen die</para>
      <para>achtergrond moet ook de bepaling van art. 35 lid 5 van de CAO</para>
      <para>worden gezien.</para>
      <para>Gezien het wezenlijke verschil in betekenis tussen vakantiedagen</para>
      <para>en ADV-dagen acht eiser het niet op zijn plaats dat de rechtbank</para>
      <para>uitbreiding geeft aan art. 64 onderdeel c van de WW door te</para>
      <para>bepalen dat ook de loonwaarde van niet opgenomen ADV-dagen</para>
      <para>daaronder kan vallen. Overigens kan de vraag opgeworpen worden of</para>
      <para>een dergelijke uitbreiding van recht op uitkering op grond van</para>
      <para>hoofdstuk IV van de WW niet voorbehouden is aan de wetgever.</para>
      <para>Eisers visie is, dat aanspraken over de ADV-dagen alleen voor</para>
      <para>overname van betaling door de bedrijfsvereniging in aanmerking</para>
      <para>zouden kunnen komen indien en voor zover ze zijn toe te rekenen</para>
      <para>aan de in art. 64 onderdeel a en b bedoelde termijnen. In de</para>
      <para>onderhavige gevallen bestaat ook daarop, naar eisers oordeel,</para>
      <para>gezien het bepaalde in art. 35 lid 5 van de CAO, geen recht.</para>
      <para>Bij haar oordeelsvorming gaat de rechtbank er, volgens eiser, ten</para>
      <para>onrechte aan voorbij dat de vraag of verweerders bij einde</para>
      <para>dienstbetrekking jegens werkgever [werkgever] aanspraak maakten op een</para>
      <para>vergoeding in geld voor niet opgenomen ADV-dagen wordt beheerst</para>
      <para>door de partij-afspraak die daaromtrent in de CAO is neergelegd</para>
      <para>en niet, naar anologie, door art. 1638ii van het BW.</para>
      <para>In art. 35 lid 5 onder a laatste volzin van de CAO, zoals die</para>
      <para>gold ten tijde hier aan de orde, is bepaald dat "indien bij de</para>
      <para>opzegging van het dienstverband blijkt dat de werknemer op het</para>
      <para>tijdstip van beëindiging van het dienstverband recht zal kunnen</para>
      <para>doen gelden op een groter aantal dan de feitelijke opgenomen</para>
      <para>roostervrije dagen (=ADV-dagen), dienen deze dagen alsnog na</para>
      <para>overleg met de werkgever voor de beëindiging van het</para>
      <para>dienstverband te worden opgenomen". De bedoeling die uit deze</para>
      <para>bepaling spreekt is, zo meent eiser, niet voor meerdere uitleg</para>
      <para>vatbaar en gezien de hiervoor besproken ratio achter de invoering</para>
      <para>van ADV-dagen ook zeer begrijpelijk. Wanneer bij opzegging van</para>
      <para>het dienstverband nog niet alle opgebouwde ADV-dagen zijn</para>
      <para>opgenomen kunnen die niet in geld worden uitbetaald, maar dienen</para>
      <para>ze voor het einde van de dienstbetrekking te zijn opgenomen. Dit</para>
      <para>betekent nu overigens ook weer niet dat er zich volgens eiser</para>
      <para>nimmer een situatie kan voordoen waarbij een werknemer bij</para>
      <para>opzegging van de dienstbetrekking jegens werkgever aanspraak kan</para>
      <para>maken op loon over niet opgenomen ADV-dagen. Te denken valt</para>
      <para>hierbij aan de situatie dat de werkgever met de noorderzon is</para>
      <para>vertrokken en het hierdoor werknemer(s) niet mogelijk is tijdens</para>
      <para>een opzegtermijn de ADV-dagen nog op te nemen. Een zodanige</para>
      <para>situatie doet zich in het geval van verweerders echter niet voor.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienaangaande overweegt de Raad dat hij met appellant van oordeel is</para>
      <para>dat in het kader van hoofdstuk IV van de WW ADV-dagen niet gelijk</para>
      <para>gesteld kunnen worden aan vakantiedagen en derhalve niet vallen onder</para>
      <para>het toepassingsbereik van artikel 64 onder c van de WW. Zo [betrokkene]</para>
      <para>tegenover [werkgever] aanspraak kon maken op een vergoeding terzake van</para>
      <para>niet opgenomen ADV-dagen, ziet de Raad deze vergoeding als een</para>
      <para>bestanddeel van het loon, vallende onder het bereik van de onderdelen</para>
      <para>a en b van artikel 64 van de WW. In zoverre komt appellant terecht op</para>
      <para>tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de gemachtigde van appellant is ter zitting van de Raad niet</para>
      <para>ontkend dat [betrokkene], op het moment dat [werkgever] op 6 juli 1990 de</para>
      <para>dienstbetrekking opzegde, jegens [werkgever] nog aanspraak had op één of</para>
      <para>meer ADV-dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan appellant kan worden toegegeven dat de ratio van meergenoemde</para>
      <para>CAO-bepaling is dat die dagen, uit een oogpunt van herverdeling van</para>
      <para>arbeid, ook feitelijk worden opgenomen en dat, indien die dagen in</para>
      <para>geld worden vergoed, het doel van de regeling van ADV wordt gefrustreerd.</para>
      <para>Anders dan appellant leidt de Raad uit de laatste volzin van</para>
      <para>artikel 35, vijfde lid, van de CAO geen volstrekte verhindering af om</para>
      <para>de loonwaarde van niet opgenomen ADV-dagen uit te betalen. Overigens</para>
      <para>wil de Raad niet onvermeld laten dat appellant, blijkens mededeling</para>
      <para>van zijn gemachtigde, in een geval dat de werkgever met de noorderzon</para>
      <para>is vertrokken, wel niet-opgenomen ADV-dagen vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad was het voor [betrokkene] onmogelijk de ADV-dag(en)</para>
      <para>alsnog voor het einde van het dienstverband op te nemen,</para>
      <para>omdat het dienstverband met onmiddellijke ingang eindigde en [betrokkene]</para>
      <para>aansluitend elders in dienst trad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu [betrokkene] in de onmogelijkheid verkeerde om reeds opgebouwde ADV-dagen</para>
      <para>op te nemen, was [werkgever], naar het oordeel van de Raad, op grond</para>
      <para>van de in artikel (thans 7A:) 1638z BW neergelegde norm, die hem</para>
      <para>verplicht als een goed werkgever te handelen, gehouden zijn werknemer</para>
      <para>de dag(en) waarop nog aanspraak bestond, alsnog in geld te vergoeden.</para>
      <para>Aangezien [werkgever] om redenen, die verband hielden met de later</para>
      <para>ingetreden betalingsonmacht, niet aan die betalingsverplichting kon</para>
      <para>voldoen, kon [betrokkene] daarop jegens appellant aanspraak doen gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft derhalve ten onrechte op de in het bestreden besluit</para>
      <para>neergelegde grond overneming van die dag(en) geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit</para>
      <para>door de rechtbank terecht is vernietigd, zij het op gronden, die de</para>
      <para>Raad niet geheel kan onderschrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van mening dat door de rechtbank ten onrechte</para>
      <para>toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Het</para>
      <para>voert de Raad in het onderhavige geval te ver om aan het feit dat</para>
      <para>appellant de omvang van de claim niet had bestreden, de door de</para>
      <para>rechtbank getrokken conclusie te verbinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ter zitting de hoogte van de aanspraak van [betrokkene] niet duidelijk</para>
      <para>is kunnen worden, komt het de Raad geraden voor dat appellant zich</para>
      <para>hieromtrent nog nader beraadt en een nieuw besluit neemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien niet is gebleken dat gedaagden met betrekking tot de</para>
      <para>onderhavige procedure kosten hebben gemaakt, welke op grond van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding door appellant in aanmerking</para>
      <para>komen, acht de Raad geen termen aanwezig om aan voormeld artikel</para>
      <para>toepassing te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist zoals hieronder</para>
      <para>aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij ten aanzien</para>
      <para>van [betrokkene] zelf is voorzien met betrekking tot de gevraagde</para>
      <para>overneming van ADV-dagen;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van [betrokkene] voor het</para>
      <para>overige;</para>
      <para>Verstaat dat appellant een nader besluit zal nemen met inachtneming</para>
      <para>van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en </para>
      <para>mr J.C.F.Talman en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para> mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>28 maart 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Hugenholtz.</para>
    <para />
    <para>(get.) G. Leppink-Kooistra.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>