<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:28:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5497</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 93/551</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;artikel=123&amp;g=1995-10-19">Ambtenarenwet 123</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;artikel=123b&amp;g=1995-10-19">Ambtenarenwet 123b</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1996/11</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:45:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497 Centrale Raad van Beroep , 19-10-1995 / AW 93/551</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verjaring in ambtenarenzaken met betrekking tot financiële aanspraken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1993/551                                    O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,</para>
      <para>eiser,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B. (India), gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 13 juli 1989 heeft eiser gedaagde in kennis gesteld van het</para>
      <para>op 7 juli 1989 genomen besluit haar niet ontvankelijk te verklaren in het</para>
      <para>verzoek om toekenning van bezoldiging-na-ontslag bij ziekte, voorzover</para>
      <para>dit verzoek betreft de periode van 1 februari 1982 tot 1 februari 1983 en</para>
      <para>voorts om het verzoek af te wijzen voorzover betreffende de periode van</para>
      <para>16 oktober 1980 tot 1 februari 1982 en de periode van 1 februari 1983 tot</para>
      <para>1 mei 1984.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 juni</para>
      <para>1993, nr. AW 89/510, als volgt beslist:</para>
      <para>"verklaart het beroep gegrond, voorzover betrekking hebbend op de periode</para>
      <para>van 1 februari 1982 tot 1 februari 1983;</para>
      <para>verklaart het bestreden besluit in zoverre nietig; verklaart klaagster</para>
      <para>niet-ontvankelijk in haar vordering terzake van pseudo-WAO;</para>
      <para>verklaart het beroep voor het overige ongegrond."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voorzover daarbij</para>
      <para>het beroep gegrond en het bestreden besluit nietig is verklaard (periode 1</para>
      <para>februari 1982 tot 1 februari 1983).</para>
      <para>Namens gedaagde is van contra-memorie gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 6 oktober 1994. Eiser heeft</para>
      <para>zich laten vertegenwoordigen door mr J.M. Dekker, werkzaam bij de</para>
      <para>Centrale Afdeling Personeelszaken van de gemeente Amsterdam; gedaagde is</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en de zaak opnieuw ter</para>
      <para>behandeling aan de orde gesteld ter terechtzitting van 21 september 1995,</para>
      <para>waar partijen niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
      <para>werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten:</para>
      <para>Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van</para>
      <para>overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep</para>
      <para>moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde</para>
      <para>vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding</para>
      <para>van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad verwijst voor een uitvoerig overzicht van de relevante feiten en</para>
      <para>omstandigheden naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld en</para>
      <para>volstaat met de volgende samenvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, sinds 1 maart 1980 werkzaam als arts bij de Gemeentelijke</para>
      <para>Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG &amp; GD), is met ingang van 1 februari</para>
      <para>1982 op haar verzoek ontslagen.</para>
      <para>Vanaf 8 november 1982 heeft zij (na weigering wachtgeld) een - gekorte -</para>
      <para>WWV-uitkering ontvangen.</para>
      <para>De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) heeft bij</para>
      <para>beschikkingen van 17 en 20 februari 1987 gedaagde blijvend ongeschikt</para>
      <para>verklaard uit hoofde van ziekten of gebreken voor haar betrekking van</para>
      <para>arts bij de GG &amp; GD voor 40, respectievelijk (per 16 oktober 1980) 20 uur</para>
      <para>per week. De ingangsdatum van het ABP-pensioen is uiteindelijk gesteld op</para>
      <para>1 mei 1984.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 september 1988 is namens gedaagde verzocht om</para>
      <para>uitbetaling van de bezoldiging bij ziekte na ontslag over de onder I</para>
      <para>genoemde perioden. Daarbij is aangevoerd dat gedaagde destijds in</para>
      <para>overspannen toestand de dienst heeft verlaten en sinds kort weer in staat</para>
      <para>is om haar belangen te behartigen.</para>
      <para>Bij het bestreden besluit is op dit verzoek beslist; op het hiertegen</para>
      <para>ingestelde beroep is door de arrondissementsrechtbank beslist als onder I</para>
      <para>weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is thans nog aan de orde de in het bestreden besluit</para>
      <para>vervatte niet-ontvankelijk verklaring van gedaagde voorzover haar verzoek</para>
      <para>om bezoldiging-na-ontslag bij ziekte betreft de periode van 1 februari 1982</para>
      <para>tot 1 februari 1983.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft dit doen steunen op artikel 1, lid 1, van de (per 1 januari</para>
      <para>1992 vervallen) Wet van 31 oktober 1924, Stb. 482.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft dit onderdeel van het bestreden besluit niet in</para>
      <para>stand gelaten overwegende dat een aanspraak nog geen vordering is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 521 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), zoals</para>
      <para>dat artikel destijds luidde, had de gewezen ambtenaar, die - kort</para>
      <para>weergegeven - bij zijn ontslag arbeidsongeschikt wegens ziekte was dan</para>
      <para>wel binnen 31 dagen na zijn ontslag arbeidsongeschikt was geworden</para>
      <para>aanspraak op zijn laatstgenoten bezoldiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit artikel garandeerde de ontslagen ambtenaar terzake van bestaande, dan</para>
      <para>wel kort na het ontslag ingetreden ongeschiktheid wegens ziekte gedurende</para>
      <para>maximaal 12 maanden (lid 5 van artikel 521 oud) een recht op zijn laatstelijk</para>
      <para>genoten bezoldiging; hij had terzake een aanspraak op de</para>
      <para>werkgever. De werkgever diende die aanspraak zonder meer te honoreren,</para>
      <para>tenzij de essentiële voorwaarden (de arbeidsongeschiktheid, het tijdstip</para>
      <para>van intreden na ontslag) niet zouden zijn vervuld. Eiseres zou, zo blijkt</para>
      <para>uit het bestreden besluit, aanspraak gehad hebben tot 1 februari 1983.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft aanvankelijk getracht de ingangsdatum van het ABP-pensioen</para>
      <para>te doen vervroegen; haar beroep op overmacht (ziekte) en onbekendheid met</para>
      <para>de wettelijke bepalingen heeft niet tot het gewenste resultaat geleid</para>
      <para>(uitspraak Centrale Raad van Beroep d.d. 21 november 1991, ABP 1989/27).</para>
      <para>Vervolgens is namens haar bij brief van 28 september 1988 alsnog getracht</para>
      <para>de vordering ex artikel 521 (oud) ARA bij de werkgever op te eisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 1 van de Wet van 31 oktober 1924,</para>
      <para>Stb. 482, ingevolge welke bepaling, kort weergegeven, rechtsvorderingen</para>
      <para>terzake van geldschulden ten laste van een openbaar lichaam in elk geval</para>
      <para>door verloop van vijf jaren na de 31e december van het jaar, waarin de</para>
      <para>schuld opvorderbaar is geworden, vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Genoemde wet is met ingang van 1 januari 1992 ingetrokken in verband met de</para>
      <para>invoering van de verjaringsbepalingen van het nieuwe Burgerlijk Wetboek,</para>
      <para>waarvan met betrekking tot een casus als de onderhavige met name kan worden</para>
      <para>gewezen op artikel 3:308. Aangezien deze verjaringsbepalingen, behoudens</para>
      <para>van toepassingverklaring, op de ambtelijke rechtsverhouding niet</para>
      <para>rechtstreeks van toepassing zijn, heeft de wetgever een overeenkomstige</para>
      <para>bepaling in de Ambtenarenwet 1929 opgenomen: artikel 123b met ingang van 1</para>
      <para>januari 1992, gewijzigd in artikel 123 met ingang van 1 december 1992.</para>
      <para>Laatstgenoemde artikelen hebben in wezen dezelfde strekking als artikel 1</para>
      <para>van de wet van 1924 en ook een overeenkomstige woordkeus: rechtsvorderingen</para>
      <para>verjaren door verloop van 5 jaren nadat de vordering opeisbaar</para>
      <para>is geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu heeft de wet van 1924 ondanks het feit, dat ze in de</para>
      <para>ambtenarenrechtspraak af en toe is toegepast, toch steeds twijfel</para>
      <para>opgeroepen met betrekking tot haar reikwijdte voor het ambtenarenrecht. De</para>
      <para>woordkeus, met name het woord "rechtsvordering", duidt er op, dat met name</para>
      <para>is gedacht aan de contentieuze procedure voor de gewone rechter. Daarop</para>
      <para>wijst ook de plaatsing van de verjaringsbepalingen in Boek 3, titel 11</para>
      <para>van het Burgerlijk Wetboek, waar het gaat om tot de gewone rechter</para>
      <para>gerichte vorderingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij komt dat op het terrein van het bestuursprocesrecht de figuur van</para>
      <para>de verjaring niet dan in uitzonderlijke situaties aan de orde kan komen.</para>
      <para>De aanwezigheid van termijnen voor het doen van een aanvraag, van</para>
      <para>vervaltermijnen en van beroepstermijnen maakt dat degene, die stelt jegens een</para>
      <para>bestuursorgaan een financiële aanspraak te hebben in de regel binnen een</para>
      <para>korte termijn actie dient te ondernemen teneinde te voorkomen dat de vraag,</para>
      <para>of van een rechtens geldende aanspraak sprake is, uiteindelijk niet meer</para>
      <para>(in volle omvang) aan de administratieve rechter kan worden voorgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts wenst de Raad te wijzen op de omstandigheid dat in de wet van 1924,</para>
      <para>alsook in de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek, de verjaring</para>
      <para>is gekoppeld aan de rechtsvordering, dat wil zeggen aan de mogelijkheid de</para>
      <para>rechter te adiëren. Een dergelijke koppeling zou op het terrein van het</para>
      <para>bestuursrecht tot enigszins ongerijmde gevolgen leiden. Immers, anders dan</para>
      <para>in het burgerlijk procesrecht, is de mogelijkheid om de rechter te benaderen</para>
      <para>in het bestuursrecht eerst aanwezig als sprake is van een appellabel</para>
      <para>besluit. Toepassing van artikel 123 Ambtenarenwet 1929 zou dan</para>
      <para>meebrengen, dat met betrekking tot een gestelde financiële aanspraak nog</para>
      <para>lang na het verstrijken van 5 jaren een besluit kan worden verzocht en</para>
      <para>dat vervolgens pas na het nemen van een besluit op dat verzoek de</para>
      <para>verjaringstermijn een aanvang neemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is na ampel overwegen tot de conclusie gekomen, dat artikel 123 van</para>
      <para>de Ambtenarenwet (1929) niet voor de bestuursrechter-in-ambtenarenzaken is</para>
      <para>geschreven. Dezelfde overwegingen brengen mee, dat ook aan de wet van</para>
      <para>1924 in deze procedures geen toepassing meer dient te worden gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt niet mee, dat het realiseren van financiële</para>
      <para>aanspraken zonder enige begrenzing naar tijd mogelijk zou blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft reeds meermalen overwogen, dat het beginsel van de</para>
      <para>rechtszekerheid in de ambtelijke rechtsverhouding zowel ten gunste van de</para>
      <para>ambtenaar als ten gunste van het betrokken openbaar lichaam zijn werking</para>
      <para>kan hebben. Zo zullen, wanneer de ambtenaar een bepaalde rechtspositionele</para>
      <para>situatie lange tijd onaangevochten heeft laten voortbestaan en dan een</para>
      <para>wijziging daarin wenst, de gebreken van die situatie te manifester moeten</para>
      <para>worden aangetoond naarmate de ambtenaar meer tijd heeft laten verstrijken.</para>
      <para>Met betrekking tot de terugvordering van hetgeen aan de</para>
      <para>ambtenaar onverschuldigd is uitbetaald is dit geconcretiseerd in een</para>
      <para>(jurisprudentiële) norm die in elk geval een terugvordering van meer dan</para>
      <para>vijf jaren na dato uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar 's Raads oordeel brengt het beginsel van de rechtszekerheid evenzeer</para>
      <para>mee, dat de ambtenaar financiële aanspraken, welke hij jegens de overheid</para>
      <para>kan doen gelden, na het verstrijken van een bepaalde termijn niet meer kan</para>
      <para>afdwingen. Daarbij ziet de Raad geen doorslaggevende redenen met betrekking</para>
      <para>tot de duur van die termijn af te wijken van hetgeen zich overigens in</para>
      <para>wetgeving en rechtspraak heeft ontwikkeld. Die termijn ware derhalve op</para>
      <para>vijf jaren te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens acht de Raad het inhaerent aan de rechtsfiguur van de verjaring</para>
      <para>dat het betrokken bestuursorgaan er reeds in de fase van de besluitvorming</para>
      <para>een beroep op kan doen. Het kenmerkende van de verjaring is immers dat</para>
      <para>gevolgen worden verbonden aan het achterwege laten van enig handelen vanaf</para>
      <para>het moment dat de belanghebbende in actie kon komen, bijvoorbeeld door zich</para>
      <para>tot het bestuursorgaan te wenden met het verzoek het gewenste te verstrekken.</para>
      <para>Dat moment zal in het algemeen dan zijn aangebroken wanneer</para>
      <para>redelijkerwijze kan worden gezegd dat op de geldende voorschriften tezamen</para>
      <para>met het vervuld zijn van de daarin gestelde feitelijke voorwaarden in</para>
      <para>beginsel een financiële aanspraak kan worden gebaseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook ingeval door de belanghebbende wordt verzocht om terug te komen van een</para>
      <para>eerder besluit, waarbij naar zijn opvatting ten onrechte een door hem</para>
      <para>gestelde financiële aanspraak niet is erkend, kan het bestuursorgaan de</para>
      <para>hierboven beschreven benadering hanteren. In het geval nieuw gebleken</para>
      <para>feiten of veranderde omstandigheden meebrengen dat inhoudelijk op het</para>
      <para>verzoek (in de terminologie van artikel 4:6 Awb: een nieuwe aanvraag)</para>
      <para>dient te worden beslist, kan het bestuursorgaan zich in zijn reactie op dat</para>
      <para>verzoek beroepen op de rechtsfiguur van de verjaring als sedert het in de</para>
      <para>voorgaande alinea aangegeven moment meer dan 5 jaren zijn verstreken.</para>
      <para>Anders ligt het als dat moment pas is ontstaan met het zich voordoen van</para>
      <para>die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden; in dat geval zal het</para>
      <para>bestuursorgaan zich eerst op verjaring kunnen beroepen als vanaf het moment</para>
      <para>dat die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan</para>
      <para>meer dan 5 jaren zijn verstreken. Een en ander impliceert dat de</para>
      <para>bevoegdheid van de belanghebbende om het bestuursorgaan te verzoeken</para>
      <para>terug te komen van een eerdergenomen, rechtens onaantastbaar geworden</para>
      <para>besluit, op zichzelf niet aan verjaring onderhevig is, maar het</para>
      <para>bestuursorgaan zich bij zijn reactie op het verzoek in beginsel op de</para>
      <para>rechtsfiguur van de verjaring kan beroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Toepassing van vorenstaande overwegingen leidt tot het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In casu gaat het om (een deel van) de bezoldiging over de maanden februari</para>
      <para>1982 tot en met februari 1983. Gedaagde heeft op 28 september 1988 haar</para>
      <para>verzoek gedaan alsnog het over die maanden ingehouden deel van haar</para>
      <para>bezoldiging uit te betalen. Gedaagde wist in elk geval aan het einde van</para>
      <para>elke genoemde maand dat en hoeveel werd ingehouden en had zich derhalve</para>
      <para>vanaf die tijdstippen tot eiser kunnen wenden met het verzoek de</para>
      <para>volledige bezoldiging uit te betalen. Het verzoek van september 1988 is</para>
      <para>derhalve ten aanzien van al deze maanden gedaan op een tijdstip waarop meer</para>
      <para>dan vijf jaren waren verstreken vanaf het moment waarop gedaagde in actie</para>
      <para>had kunnen komen. Eiser kon zich dan ook op verjaring beroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft dit beroep op verjaring vorm gegeven door het verzoek van</para>
      <para>gedaagde niet-ontvankelijk te verklaren. Naar 's Raads oordeel is deze</para>
      <para>afdoening onjuist en was een afwijzing van gedaagdes verzoek op zijn</para>
      <para>plaats geweest. Niet is in te zien op welke grond eiser een behandeling van</para>
      <para>gedaagdes verzoek achterwege had mogen laten. Daarbij moet worden bedacht</para>
      <para>dat het beginsel van de rechtszekerheid, waarvan de hier aan de orde</para>
      <para>zijnde verjaring een uitvloeisel is, niet meebrengt dat de</para>
      <para>verschuldigdheid vervalt doch slechts dat voldoening van de schuld niet</para>
      <para>meer kan worden afgedwongen voorzover de schuld door de rechtsfiguur van de</para>
      <para>verjaring wordt getroffen. Zo zou, indien eiser geen beroep op verjaring</para>
      <para>zou hebben gedaan en het door gedaagde gevraagde bedrag na het verstrijken</para>
      <para>van de verjaringstermijn alsnog zou hebben uitbetaald, dit bedrag niet</para>
      <para>wegens onverschuldigde betaling kunnen worden teruggevorderd. Dit brengt</para>
      <para>mee, dat in geval van een verzoek als het onderhavige steeds vooraf dient</para>
      <para>te worden overwogen of van de bevoegdheid om zich op verjaring te</para>
      <para>beroepen gebruik zal worden gemaakt. Ook dit leidt er toe, dat voor een</para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring geen plaats is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft het beroep gegrond en het bestreden besluit</para>
      <para>nietig verklaard. De Raad kan deze nietigverklaring, zij het op andere</para>
      <para>gronden, onderschrijven. Deze gronden zijn evenwel van formele aard; een</para>
      <para>afwijzing van gedaagdes verzoek zou 's Raads toetsing hebben kunnen</para>
      <para>doorstaan. Teneinde nodeloze besluitvorming en nodeloze procedures te</para>
      <para>voorkomen acht de Raad, nu ook de belangen van partijen met herhaling niet</para>
      <para>gediend zijn, redenen aanwezig de nietigheid voor gedekt te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte overweegt de Raad geen aanleiding aanwezig te achten voor</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart de nietigheid van het bestreden besluit, voorzover dit de</para>
      <para>periode van 1 februari 1982 tot 1 februari 1983 betreft, voor gedekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J. Boesjes als voorzitter</para>
      <para>en mr Ch. de Vrey en mr H. Bolt als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Boesjes.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>