<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:53:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5339</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/2906 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1995/272</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-02-28T09:41:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339 Centrale Raad van Beroep , 26-10-1995 / 94/2906 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verruimde jurisprudentie per 1-1-1993. Schade, aan ambtenaar toegebracht en veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van overheid, komt in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5339:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>94/2906 AW                                   O</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>de Minister van Binnenlandse Zaken, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>
    [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit, verzonden op 17 september 1993, heeft appellant</para>
    <para>geweigerd het verzoek van gedaagde om vergoeding van de wettelijke</para>
    <para>rente over het hem toekomende wachtgeld in te willigen,</para>
    <para>alsmede toegezegd gedaagde schadeloos te stellen voor door hem</para>
    <para>aantoonbaar geleden schade.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van</para>
    <para>22 september 1994, nr. AW 93/169, het door gedaagde tegen dit</para>
    <para>besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden</para>
    <para>besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit</para>
    <para>neemt met inachtneming van die uitspraak; voorts heeft zij</para>
    <para>onder meer het verzoek van gedaagde om toepassing van artikel</para>
    <para>8:73, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om appellant</para>
    <para>te veroordelen tot vergoeding van renteschade over de</para>
    <para>periode van 1 december 1992 tot het tijdstip waarop de te</para>
    <para>vergoeden (wettelijke) rente tot uitbetaling zal zijn gekomen,</para>
    <para>toegewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens gedaagde heeft mr D. Meindertsma, juridisch medewerkster</para>
    <para>van de Algemeen Christelijke Politiebond te Woerden, een</para>
    <para>verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van</para>
    <para>21 september 1995, waar appellant niet is verschenen en waar</para>
    <para>gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Meindertsma</para>
    <para>voornoemd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad het volgende ter</para>
    <para>zake van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde is bij besluit van 16 februari 1990, genomen namens</para>
    <para>de Minister van Justitie op grond van artikel 120, lid 1, sub</para>
    <para>f van het Ambtenarenreglement voor de</para>
    <para>Rijkspolitie 1975, met ingang van 1 februari 1990 eervol</para>
    <para>ontslag verleend als wachtmeester 1e klasse van het Korps</para>
    <para>Rijkspolitie. Appellant heeft bij besluit van 14 mei 1991</para>
    <para>gedaagdes aanvraag tot toekenning van wachtgeld krachtens het</para>
    <para>Rijkswachtgeldbesluit 1959 afgewezen. Dit besluit is door het</para>
    <para>voormalige Ambtenarengerecht te Zwolle bij uitspraak d.d. 10</para>
    <para>december 1992 nietig verklaard. Bij besluit van 25 maart 1993</para>
    <para>heeft appellant alsnog aan gedaagde per 1 februari 1990 (tot</para>
    <para>14 januari 1996) een wachtgelduitkering toegekend. Bij brief</para>
    <para>van 7 april 1993 heeft gedaagde aan appellant verzocht om</para>
    <para>vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 februari 1990.</para>
    <para>Gedaagde heeft vanaf 28 juli 1993 de wachtgelduitkering ontvangen,</para>
    <para>waarbij op die datum tevens het op dat moment achterstallige</para>
    <para>bedrag aan wachtgeld is uitbetaald. Bij het bestreden</para>
    <para>besluit is op gedaagdes verzoek om vergoeding van wettelijke</para>
    <para>rente afwijzend beslist.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd</para>
    <para>dat door gedaagde niet is gereageerd op zijn toezegging dat</para>
    <para>hij de schade, waarvan gedaagde kan aantonen dat hij die door</para>
    <para>het uitblijven van de betaling van zijn wachtgeld heeft geleden,</para>
    <para>zal vergoeden. In de tweede plaats heeft appellant het</para>
    <para>oordeel van de eerste rechter bestreden, die in de aangevallen</para>
    <para>uitspraak heeft geoordeeld dat de rechtsontwikkeling zodanig</para>
    <para>is voortgeschreden dat de van de burgerlijke rechter afwijkende</para>
    <para>jurisprudentie ten aanzien van de rentevergoeding bij</para>
    <para>nietig verklaarde besluiten in ambtenarenzaken niet langer kan</para>
    <para>worden gevolgd. Appellant acht onjuist het oordeel van de</para>
    <para>eerste rechter dat uit het feit dat gedaagde van appellant een</para>
    <para>nabetaling ontvangt (als gevolg van het nietig verklaren door</para>
    <para>het voormalige Ambtenarengerecht te Zwolle van appellants</para>
    <para>besluit van 16 september 1991) zonder meer voortvloeit dat</para>
    <para>gedaagde recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente</para>
    <para>over het na te betalen bedrag. Tenslotte heeft appellant</para>
    <para>aangevoerd dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld</para>
    <para>dat de wettelijke rente dient te worden vergoed vanaf 2 december</para>
    <para>1990 (de datum van de aanvraag om wachtgeld).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde daarentegen heeft in het namens hem ingediende verweerschrift</para>
    <para>het oordeel en de overwegingen van de eerste</para>
    <para>rechter onderschreven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een zogenoemd</para>
    <para>zelfstandig schadebesluit. Onder verwijzing naar 's-Raads</para>
    <para>uitspraken van 16 juni 1994, nr.</para>
    <para>AW 1993/235 (gepubliceerd in TAR 1994, nr. 177), en</para>
    <para>21 september 1995, nr. AWB 1994/519 AW (gepubliceerd in TAR</para>
    <para>1995, nr. 243), merkt de Raad op dat voor de beoordeling van</para>
    <para>zelfstandige schadebesluiten van belang is of deze betrekking</para>
    <para>hebben op de vergoeding van schade die vóór, dan wel na 1</para>
    <para>januari 1993 is, c.q. wordt geleden. In een geval, zoals het</para>
    <para>onderhavige, waarin zowel vóór als na genoemde datum schade</para>
    <para>wordt geleden, wordt de gehoudenheid van het bestuursorgaan</para>
    <para>tot vergoeding van schade deels volgens de oude normen beoordeeld,</para>
    <para>namelijk voor zover die schade geleden is in de periode</para>
    <para>vóór 1 januari 1993, en deels volgens de verruimde jurisprudentie,</para>
    <para>namelijk voor zover de schade na genoemde datum is</para>
    <para>geleden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op schade</para>
    <para>die gedaagde stelt te hebben geleden in de periode vóór 1</para>
    <para>januari 1993 dient derhalve te worden getoetst aan de ingevolge</para>
    <para>de vaste jurisprudentie van de Raad voor de desbetreffende</para>
    <para>periode geldende norm, inhoudende dat voor het ontstaan van</para>
    <para>een op het bestuursorgaan rustende vergoedingsplicht jegens de</para>
    <para>ambtenaar is vereist dat sprake is van een aan dat orgaan toe</para>
    <para>te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden</para>
    <para>en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn, dat</para>
    <para>de schade in redelijkheid voor vergoeding door dat orgaan in</para>
    <para>aanmerking dient te komen. Hetgeen daaromtrent namens gedaagde</para>
    <para>is aangevoerd, heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen</para>
    <para>brengen dat in de voorliggende zaak aan die norm is voldaan.</para>
    <para>Voor zover de afwijzing door appellant van gedaagdes verzoek</para>
    <para>om vergoeding van wettelijke rente betrekking heeft op de</para>
    <para>periode vóór 1 januari 1993 kan het bestreden besluit in</para>
    <para>rechte stand houden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op schade</para>
    <para>die gedaagde stelt te hebben geleden in de periode na 1 januari</para>
    <para>1993 is de Raad op grond van zijn verruimde jurisprudentie</para>
    <para>van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan</para>
    <para>houden. Door onrechtmatig handelen van appellant is aan gedaagde</para>
    <para>de tijdige uitbetaling van de door hem aangevraagde</para>
    <para>wachtgelduitkering onthouden. Dit brengt in beginsel voor</para>
    <para>gedaagde de verplichting mee de daardoor veroorzaakte schade</para>
    <para>te vergoeden. Voorzover deze schade in gederfde rente bestaat,</para>
    <para>die voortvloeit uit het niet-tijdig voldoen van een geldsom</para>
    <para>dient naar</para>
    <para>'s Raads oordeel aansluiting te worden gezocht bij de in het</para>
    <para>burgerlijk recht gegeven regeling van de wettelijke rente.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het voorliggende geval komt, naar analogie van artikel</para>
    <para>6:119 van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke rente over de</para>
    <para>niet-tijdige uitbetaling van het wachtgeld vanaf 1 januari</para>
    <para>1993 als volgt voor vergoeding in aanmerking. Over het ten</para>
    <para>onrechte over de betalingstijdvakken van januari 1993 tot en</para>
    <para>met juni 1993 niet-uitbetaalde wachtgeld dient de wettelijke</para>
    <para>rente te worden berekend steeds vanaf de dag waarop dat</para>
    <para>wachtgeld in het desbetreffende betalingstijdvak zou zijn</para>
    <para>uitbetaald tot de dag waarop de nabetaling heeft plaatsgehad, te</para>
    <para>weten 28 juli 1993. Dit impliceert, ruwweg gezegd, dat de</para>
    <para>wettelijke rente terzake van het niet-uitbetalen van het</para>
    <para>wachtgeld over het betalingstijdvak januari 1993 dient te</para>
    <para>worden berekend over zes maanden, de wettelijke rente terzake</para>
    <para>van het niet-uitbetalen van het wachtgeld over het betalingstijdvak</para>
    <para>februari 1993 over vijf maanden, en zo verder. Daarbij</para>
    <para>geldt dat de berekening van de wettelijke rente dient te</para>
    <para>geschieden over de bruto-bedragen van de nabetalingen en</para>
    <para>voorts dat telkens na afloop van een vol jaar het maandbedrag</para>
    <para>waarover de wettelijke rente is verschuldigd wordt vermeerderd</para>
    <para>met het bedrag van de over dat voorafgaande jaar verschuldigde</para>
    <para>rente (rente op rente).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op bovenstaande overwegingen komt de aangevallen uitspraak</para>
    <para>voor vernietiging in aanmerking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om appellant</para>
    <para>te veroordelen in de kosten van gedaagde, welke zijn begroot</para>
    <para>op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste</para>
    <para>aanleg en op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand</para>
    <para>in hoger beroep. Voorts dient appellant aan gedaagde het door</para>
    <para>hem in eerste aanleg betaalde griffierecht ad f 7,50 te vergoeden.</para>
    <para>Van andere kosten is de Raad niet gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Verklaart het inleidende beroep, voor zover betrekking hebbende</para>
    <para>op de betalingstijdvakken die zijn gelegen vóór 1 januari</para>
    <para>1993, alsnog ongegrond;</para>
    <para>Verklaart het inleidende beroep, voor zover betrekking hebbende</para>
    <para>op de betalingstijdvakken die zijn gelegen na</para>
    <para>1 januari 1993, gegrond;</para>
    <para>Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;</para>
    <para>Bepaalt dat aan gedaagde de wettelijke rente toekomt zoals in</para>
    <para>rubriek II van deze uitspraak is aangegeven, te betalen door</para>
    <para>de Staat der Nederlanden;</para>
    <para>Bepaalt dat appellant te dien aanzien een nieuw besluit dient</para>
    <para>te nemen;</para>
    <para>Veroordeelt app1ellant in de kosten van het geding in eerste</para>
    <para>aanleg en in hoger beroep aan de zijde van gedaagde gevallen,</para>
    <para>ten bedrage van f 2847,50, te betalen door de Staat der Nederlanden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr J. Boesjes als voorzitter en</para>
    <para>mr Ch. de Vrey  en mr H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid</para>
    <para>van P.H. Schippers als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 1995 door voornoemde</para>
    <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) J. Boesjes.</para>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>TM</para>
    <para>2710</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>