<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:44:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5338</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/2902 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5338">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5338</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:44:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5338 Centrale Raad van Beroep , 28-09-1995 / 94/2902 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5338:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Weigering ontheffing verbod nevenwerkzaamheden. Onvoldoende onderzoek naar aard</para>
        <para> en omvang van de nevenwerkzaamheden.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5338:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>94/2902 AW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 december 1993 heeft het hoofd van de</para>
      <para>eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [standplaats] namens gedaagde</para>
      <para>het verzoek van appellante om toestemming voor het</para>
      <para>naast haar dienstbetrekking verrichten van werkzaamheden</para>
      <para>als bestuurder van [naam BV] afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is door mr J.P.H.M. Caniëls-van Veggel,</para>
      <para>werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij</para>
      <para>N.V. te Amsterdam, tegen dit besluit</para>
      <para>bij het hoofd van de Belastingdienst/Directie Ondernemingen</para>
      <para>Zuid (intern) beroep ingesteld op grond van het Reglement</para>
      <para>Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is bij besluit van 28 februari 1994 door</para>
      <para>laatstgenoemd hoofd het verzoek van appellante om ontheffing</para>
      <para>van het verbod nevenwerkzaamheden te verrichten</para>
      <para>afgewezen, met de aantekening dat dit besluit in de</para>
      <para>plaats treedt van het besluit van 9 december 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens appellante door mr Caniëls-van Veggel voornoemd</para>
      <para>tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak</para>
      <para>van 2 mei 1994, nrs. AW 94/292 en 94/296, met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:86, lid 1, Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb), door de President van de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Middelburg ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door mr Caniëls-van Veggel voornoemd is namens appellante</para>
      <para>tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad.</para>
      <para>De gronden van het hoger beroep zijn bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>(met bijlagen) aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante zijn vervolgens nog nadere stukken</para>
      <para>ingebracht en is meegedeeld dat ter zitting een tweetal</para>
      <para>getuigen zal worden meegebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld op de zitting van de Raad van</para>
      <para>3 augustus 1995, waar appellante in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr I.E.H. Versteijlen, werkzaam bij</para>
      <para>D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij</para>
      <para>N.V. te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door zijn gemachtigde L.P. de Jonge,</para>
      <para>werkzaam bij de Belastingdienst/Directie Personeel en</para>
      <para>Organisatie, bureau juridische aangelegenheden. Als door</para>
      <para>appellante meegenomen getuige is verschenen en gehoord de</para>
      <para>heer H.P.M.J. van Gerven, bedrijfsmaatschappelijk werker</para>
      <para>bij de Belastingdienst/Directie Ondernemingen Zuid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is in vaste dienst aangesteld als behandelfunctionaris</para>
      <para>belast met de aanslagregeling en controle in</para>
      <para>de groepsfunctie E bij de Belastingdienst/Ondernemingen</para>
      <para>[standplaats]. Eind 1993 heeft appellante om toestemming verzocht</para>
      <para>voor het verrichten van werkzaamheden als bestuurder van</para>
      <para>[naam BV], waarbij als doel van die vennootschap werd</para>
      <para>aangegeven: het importeren, exporteren, alsmede handel in</para>
      <para>zeilboten (catamarans) en aanverwante artikelen. Tevens</para>
      <para>heeft zij daarbij aangegeven dat de werkzaamheden die een</para>
      <para>en ander met zich brengt, worden verricht in avonduren en</para>
      <para>weekends. Het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen</para>
      <para>[standplaats] heeft, namens gedaagde, op dit verzoek afwijzend</para>
      <para>beslist. Tegen dat besluit heeft appellante op grond van</para>
      <para>het bepaalde in het RPVB intern beroep doen instellen bij</para>
      <para>het hoofd van de Belastingdienst/Directie Ondernemingen</para>
      <para>Zuid, die, namens gedaagde, bij het bestreden besluit</para>
      <para>eveneens afwijzend op het verzoek heeft beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft het beroep van appellante ongegrond</para>
      <para>verklaard omdat naar zijn oordeel gedaagde zich</para>
      <para>terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien</para>
      <para>van de betreffende nevenwerkzaamheden geen ontheffing kan</para>
      <para>worden verleend van het in artikel 61 van het Algemeen</para>
      <para>Rijksambtenarenreglement (ARAR) neergelegde verbod. Het</para>
      <para>beroep van appellante, inhoudende dat het bestreden besluit</para>
      <para>in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, dan</para>
      <para>wel - in verband met een door het hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen</para>
      <para>[standplaats] gedane toezegging - in strijd</para>
      <para>met het beginsel van gewekte verwachtingen, kon naar het</para>
      <para>oordeel van de eerste rechter niet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de</para>
      <para>eerste rechter ten onrechte van oordeel was dat ten behoeve</para>
      <para>van haar nevenwerkzaamheden geen ontheffing kon</para>
      <para>worden verleend, gelet op de omvang van die werkzaamheden.</para>
      <para>Voorts is, nader onderbouwd, aangevoerd dat het</para>
      <para>bestreden besluit in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel,</para>
      <para>dan wel met het beginsel van gewekte verwachtingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is in hoger beroep aangevoerd dat, gelet</para>
      <para>op de criteria op grond waarvan wordt beslist op een</para>
      <para>verzoek als dat van appellante en die zijn neergelegd in</para>
      <para>het RPVB terecht de verzochte toestemming is geweigerd en</para>
      <para>voorts is namens gedaagde het beroep van appellante op</para>
      <para>het beginsel van gewekte verwachtingen en het gelijkheidsbeginsel</para>
      <para>gemotiveerd bestreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de eerste rechter is de Raad van oordeel dat</para>
      <para>het bestreden besluit geen stand kan houden. Naar zijn</para>
      <para>oordeel heeft gedaagde gehandeld in strijd met het beginsel</para>
      <para>van behoorlijk bestuur dat vereist dat besluiten op</para>
      <para>voldoende zorgvuldige wijze worden voorbereid en genomen,</para>
      <para>terwijl voorts het bestreden besluit een draagkrachtige</para>
      <para>motivering ontbeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het bestreden besluit en de nadere toelichting hierop</para>
      <para>van gedaagde in zijn verweerschrift en ter zitting blijkt</para>
      <para>dat gedaagde van doorslaggevend belang acht dat het in</para>
      <para>het onderhavige geval niet gaat om een hobby, desnoods</para>
      <para>een 'uit de hand gelopen' hobby, maar om een volwaardige</para>
      <para>onderneming. Daarbij heeft gedaagde van groot belang</para>
      <para>geacht de omvang van de investeringen en de daaraan</para>
      <para>mogelijk verbonden risico's in geval van faillissement, en</para>
      <para>voorts de aard en de omvang van de activiteiten mede</para>
      <para>bezien in het licht van de functie die appellante bij de</para>
      <para>belastingdienst vervult. Gedaagde heeft daarbij gewezen</para>
      <para>op het risico van een conflict van belangen en voor de</para>
      <para>dienst minder wenselijke verhoudingen (belangenverstrengeling),</para>
      <para>alsmede op het feit dat de onafhankelijkheid van</para>
      <para>betrokkene als ambtenaar van de belastingdienst en de</para>
      <para>integriteit van die dienst in gevaar komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt dat appellante is belast met</para>
      <para>de aanslagregeling en controle in de afdeling Bouw. Gelet</para>
      <para>op de geheel andere aard van de door appellante gewenste</para>
      <para>nevenactiviteiten acht de Raad de door gedaagde genoemde</para>
      <para>risico's van belangenverstrengeling en in gevaar brengen</para>
      <para>van de onafhankelijkheid van de betrokken ambtenaar en of</para>
      <para>de integriteit van de dienst niet reëel. De door gedaagde</para>
      <para>als aanzienlijk aangemerkte investeringen en omzetten</para>
      <para>geven naar het oordeel van de Raad eerst een goed inzicht</para>
      <para>in de omvang van de onderneming en de daaraan verbonden</para>
      <para>risico's indien zij worden gerelateerd aan de prijs van</para>
      <para>het te verkopen produkt (ongeveer f. 20.000,- per catamaran).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetzelfde geldt voor de omvang van de nevenwerkzaamheden.</para>
      <para>Gedaagde is voor de omvang van die activiteiten zonder</para>
      <para>meer afgegaan op de investeringen en de omzetten en is op</para>
      <para>grond van die gegevens gekomen tot zijn standpunt dat de</para>
      <para>aard en de omvang van de door appellante te verrichten</para>
      <para>nevenwerkzaamheden zodanig zullen zijn dat geen ontheffing</para>
      <para>kan worden verleend. Appellante heeft daarentegen</para>
      <para>aangegeven dat de nevenwerkzaamheden in een zodanige</para>
      <para>omvang zullen plaats hebben dat een en ander niet ten</para>
      <para>koste zal gaan van het vervullen van haar (sinds medio</para>
      <para>1994 part-time) dienstbetrekking. Nu de waardering van de</para>
      <para>aard en de omvang van de nevenwerkzaamheden in zo</para>
      <para>betekenende mate afwijkt van hetgeen namens appellante naar</para>
      <para>voren is gebracht, had gedaagde aan het bestreden besluit</para>
      <para>enig onderzoek naar aard en omvang der werkzaamheden</para>
      <para>vooraf dienen te laten gaan, dan wel hieromtrent appellante</para>
      <para>nader hebben moeten horen. Eerst dan zou hieromtrent</para>
      <para>enige duidelijkheid zijn verkregen, waarbij gedaagde</para>
      <para>in geval van twijfel had kunnen overwegen aan het</para>
      <para>verlenen van een eventuele toestemming bepaalde, eventueel</para>
      <para>beperkende, voorschriften met betrekking tot de nevenwerkzaamheden</para>
      <para>te stellen. Gedaagde heeft naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad in onvoldoende mate zorgvuldigheid</para>
      <para>betracht bij zijn besluitvorming naar aanleiding van</para>
      <para>appellantes aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts acht de Raad de motivering van het bestreden besluit</para>
      <para>niet deugdelijk. In de eerste plaats wordt naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad ten onrechte overwogen dat het in</para>
      <para>paragraaf 10.3.2 van het RPVB neergelegde algemene verbod</para>
      <para>tot het aanvaarden of uitoefenen van een nevenbetrekking</para>
      <para>of van nevenwerkzaamheden en het drijven van nering en</para>
      <para>handel is gebaseerd op het bepaalde in artikel 61, lid 1,</para>
      <para>ARAR; laatstgenoemde bepaling richt zich slechts tot de</para>
      <para>ambtenaar en behelst geen toekenning van een bevoegdheid</para>
      <para>tot het stellen van algemene regels. Voor zover het in</para>
      <para>genoemde paragraaf neergelegde verbod ruimer is dan het</para>
      <para>in artikel 61, lid 2, ARAR neergelegde verbod moet dat</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad geacht worden te zijn gebaseerd</para>
      <para>op de hiërarchische verhouding tussen gedaagde en</para>
      <para>de onder zijn gezag werkzame ambtenaren, waaronder appellante.</para>
      <para>Voorts acht de Raad de weigering om ontheffing te</para>
      <para>verlenen van het algemene verbod dat is neergelegd in</para>
      <para>meergenoemde paragraaf 10.3.2 van het RPVB niet op een</para>
      <para>deugdelijke wijze gemotiveerd, omdat daartoe wordt verwezen</para>
      <para>naar de algemene criteria van artikel 61, lid 2,</para>
      <para>ARAR. Als echter in een bepaalde situatie wordt voldaan</para>
      <para>aan laatstbedoelde criteria volgt uit het bepaalde in</para>
      <para>laatstgenoemd artikel dat er een wettelijk verbod is voor</para>
      <para>het verrichten van nevenwerkzaamheden, van welk verbod</para>
      <para>niet door gedaagde ontheffing kan worden verleend. Tot</para>
      <para>slot acht de Raad de verwijzing in het bestreden besluit</para>
      <para>naar artikel 63 ARAR onjuist, daar laatstgenoemd artikel</para>
      <para>ziet op een zich in het thans voorliggende geval niet-voordoende</para>
      <para>situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het bestreden besluit reeds op grond van bovenstaande</para>
      <para>overwegingen niet in stand kan blijven, kan naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad hetgeen overigens namens appellante</para>
      <para>is aangevoerd buiten beschouwing blijven. Bij het opnieuw</para>
      <para>beslissen op appellantes aanvraag zal gedaagde het in</para>
      <para>deze uitspraak overwogene in acht dienen te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om</para>
      <para>gedaagde als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen</para>
      <para>in de kosten van appellante, welke zijn begroot op</para>
      <para>f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste</para>
      <para>aanleg en op f 1420,- als kosten van verleende</para>
      <para>rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve f 2840,-.</para>
      <para>Van andere kosten is de Raad niet gebleken. Voorts dient</para>
      <para>gedaagde het door appellante betaalde griffierecht in</para>
      <para>eerste aanleg en in hoger beroep, totaal f. 307,50, aan</para>
      <para>haar te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het besluit van 28 februari 1994;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding in eerste</para>
      <para>aanleg en in hoger beroep aan de zijde van appellante</para>
      <para>gevallen, ten bedrage van f 2840,-;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde het door appellante in eerste aanleg</para>
      <para>en in hoger beroep betaalde griffierecht ad f. 307,50 aan</para>
      <para>haar vergoed;</para>
      <para>Wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon</para>
      <para>die deze kosten moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr Ch. de Vrey als voorzitter en</para>
      <para>mr H. Bolt en mr A.J.Th. Dörenberg als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 28 september 1995 door</para>
      <para>mr J. Boesjes als voorzitter, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Boesjes.           (get.) Ch. de Vrey.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>18.10</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>