<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:53:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5214</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">MAW 93/12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003482&amp;artikel=153a&amp;g=1995-03-31">Algemeen militair ambtenarenreglement 153a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001952&amp;artikel=2&amp;g=1995-03-31">Militaire Ambtenarenwet 1931 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1995/147</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:44:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214 Centrale Raad van Beroep , 31-03-1995 / MAW 93/12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Administratief orgaan; bestuursorgaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>MAW 1993/12</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 januari 1991 heeft de Minister van Defensie eisers</para>
      <para>bezwaarschrift d.d. 9 mei 1990, gericht tegen een besluit d.d. 11 april</para>
      <para>1990 van de voorzitter van het Onderdeelsoverlegorgaan Centrale Organisatie</para>
      <para>inzake eisers inschrijving in het kiezersregister, niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 22 december 1992, reg.nr. MAW 91/00097, heeft de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage het door eiser tegen dit besluit</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift d.d. 14 mei 1993 aangevoerde gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van</para>
      <para>9 september 1994. Eiser is daar in persoon verschenen. Gedaagde (die als</para>
      <para>uitvloeisel van de ministeriële beschikking d.d. 24 augustus 1994, Stcrt.</para>
      <para>1994, 171, houdende de taakomschrijving van de Staatssecretaris van</para>
      <para>Defensie, als procespartij in de plaats is getreden van de Minister van</para>
      <para>Defensie) heeft zich doen vertegenwoordigen door mr S.E.J. van der Sande,</para>
      <para>werkzaam bij het Ministerie van Defensie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering van 's Raads bevel van 23 september 1994 heeft gedaagde een</para>
      <para>ontbrekend stuk ingezonden, waarna de behandeling van het geding is</para>
      <para>voortgezet ter terechtzitting van 10 maart 1995. Eiser is daar wederom in</para>
      <para>persoon verschenen. Gedaagde heeft heeft zich doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>Th.J.A.M. van Lochem, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking</para>
      <para>getreden en is de Ambtenarenwet 1929 gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
      <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige</para>
      <para>hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht</para>
      <para>zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid</para>
      <para>van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser, sergeant-majoor der Koninklijke luchtmacht, was geplaatst op een</para>
      <para>functie bij de Directie Economisch Beheer Koninklijk luchtmacht (DEBKLu)</para>
      <para>van het Ministerie van Defensie en ressorteerde uit dien hoofde op het punt</para>
      <para>van de medezeggenschap onder het Onderdeelsoverlegorgaan Korps</para>
      <para>Luchtmachtstaven (OOO-KLS). Om hem moverende redenen wenst eiser tevens</para>
      <para>deel te hebben aan de medezeggenschap binnen de Centrale Organisatie (CO)</para>
      <para>van het Ministerie van Defensie.</para>
      <para>Daartoe heeft hij op 19 maart 1990 met toepassing van artikel 9, derde lid,</para>
      <para>eerste volzin, van het Reglement Onderdeelsoverlegorgaan Centrale</para>
      <para>Organisatie (hierna: Reglement OOO-CO) aan de verkiezingscommissie van het</para>
      <para>OOO-CO verzocht hem op te nemen in het kiezersregister van het OOO-CO.</para>
      <para>Dit verzoek is door de verkiezingscommissie afgewezen bij schrijven van 3</para>
      <para>april 1990.</para>
      <para>Eiser heeft vervolgens met toepassing van artikel 9, derde lid, derde</para>
      <para>volzin, van het Reglement OOO-CO bezwaar gemaakt bij de voorzitter van het</para>
      <para>OOO-CO.</para>
      <para>Dit bezwaar is door de voorzitter van het OOO-CO bij schrijven van 11 april</para>
      <para>1990 afgewezen.</para>
      <para>Daartegen heeft eiser met toepassing van de bezwarenprocedure als bedoeld</para>
      <para>in artikel 153a AMAR een bezwaarschrift ingediend bij de Minister van</para>
      <para>Defensie.</para>
      <para>Dit bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit d.d. 8</para>
      <para>januari 1991 niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat</para>
      <para>een onderdeelsoverlegorgaan geen bestuursbevoegdheden bezit, noch</para>
      <para>bestempeld kan worden als een publiek orgaan, zodat het bezwaar zich richt</para>
      <para>tegen een besluit dat niet afkomstig is van een administratief orgaan.</para>
      <para>Als tweede grond voor niet-ontvankelijkverklaring is in het bestreden</para>
      <para>besluit vermeld dat eiser naar het oordeel van de Minister van Defensie</para>
      <para>door het in bezwaar bestreden besluit niet rechtstreeks als militair in</para>
      <para>zijn belang wordt getroffen, omdat een onderdeelsoverlegorgaan niet is</para>
      <para>bedoeld om individuele militairen rechtstreeks te laten meespreken over</para>
      <para>bepaalde onderwerpen, doch bedoeld is om groepen personeel zich in het</para>
      <para>overleg te doen vertegenwoordigen.</para>
      <para>De rechtbank heeft eisers beroep ongegrond verklaard, van oordeel zijnde</para>
      <para>dat de voorzitter van het OOO-CO geen administratief orgaan in de zin van</para>
      <para>artikel 2, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) juncto</para>
      <para>artikel 153a, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement</para>
      <para>(AMAR) is, aangezien (de voorzitter van) het Onderdeelsoverlegorgaan</para>
      <para>Centrale Organisatie niet is aan te merken als een aan de Minister van</para>
      <para>Defensie ondergeschikte administratie en dus geen openbaar lichaam is, en</para>
      <para>dit orgaan voorts geen publiekrechtelijke status heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit onjuist en</para>
      <para>heeft daartoe het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 9, derde lid, van het Reglement OOO-CO luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Een militair kan tot uiterlijk vier weken voor de datum der verkiezingen</para>
      <para>de verkiezingscommissie verzoeken alsnog in het kiezersregister te worden</para>
      <para>opgenomen. De verkiezingscommissie beslist onder opgave van redenen</para>
      <para>binnen drie werkdagen op het verzoek. Indien de verkiezingscommissie geen</para>
      <para>gehoor geeft aan dit verzoek, kan de militair tot uiterlijk drie weken voor</para>
      <para>de datum der verkiezingen bezwaar maken bij de voorzitter van het</para>
      <para>onderdeelsoverlegorgaan. De voorzitter van het onderdeelsoverlegorgaan</para>
      <para>beslist binnen één week. Diens beslissing, met de daaraan ten grondslag</para>
      <para>liggende redenen, wordt aan de betrokken militair en aan de</para>
      <para>verkiezingscommissie medegedeeld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Reglement OOO-CO is vastgesteld ter uitvoering van de Regeling</para>
      <para>onderdeelsoverlegorganen, welke regeling op haar beurt een uitwerking vormt</para>
      <para>van artikel 127 AMAR, waarvan de wettelijke basis is gelegen in artikel</para>
      <para>12, aanhef en onder l, van de MAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is een onderdeelsoverlegorgaan, gelet op de</para>
      <para>publiekrechtelijke regeling waarbij het is ingesteld, aan te merken als een</para>
      <para>orgaan van een openbaar lichaam, te weten de Staat der Nederlanden.</para>
      <para>Daaraan doet niet af dat dat orgaan slechts overlegbevoegdheden bezit en de</para>
      <para>bevoegdheid tot het nemen van besluiten mist.</para>
      <para>De in artikel 9, derde lid, vierde volzin, van het Reglement OOO-CO aan</para>
      <para>de voorzitter van het OOO-CO toegekende bevoegdheid om te beslissen over</para>
      <para>het wel of niet opnemen van een individuele ambtenaar in het</para>
      <para>kiezersregister is naar het oordeel van de Raad een bestuursbevoegdheid.</para>
      <para>Een dergelijke beslissing treft de ambtenaar rechtstreeks in een onderdeel</para>
      <para>van zijn rechtspositie, te weten zijn - in casu in het AMAR verankerde -</para>
      <para>recht op toegang tot de medezeggenschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar 's Raads oordeel dient de voorzitter van het OOO-CO, voor zover hij de</para>
      <para>hem bij artikel 9, derde lid, vierde volzin, van het Reglement OOO-CO</para>
      <para>toegekende bevoegdheid uitoefent, dan ook te worden aangemerkt als een</para>
      <para>administratief orgaan, terwijl een bij de uitoefening van die bevoegdheid</para>
      <para>ten aanzien van een individuele ambtenaar genomen besluit die ambtenaar</para>
      <para>rechtstreeks in zijn (rechtspositionele) belang als ambtenaar treft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers bezwaarschrift is bijgevolg bij het bestreden besluit ten onrechte</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard. Dat besluit dient derhalve te worden</para>
      <para>nietigverklaard. Gedaagde zal alsnog een inhoudelijke beslissing op</para>
      <para>eisers bezwaarschrift dienen te nemen. De Raad acht het niet geraden reeds</para>
      <para>thans ten overvloede een oordeel over de inhoudelijke kant van de zaak te</para>
      <para>geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de Raad is niet gebleken van proceskosten die met toepassing van het</para>
      <para>Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen,</para>
      <para>zodat geen termen aanwezig zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van</para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het bestreden besluit alsnog nietig;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nadere</para>
      <para>beslissing dient te nemen op eisers bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en mr J.M.A. van der</para>
      <para>Kolk-Severijns en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr M.C.T. Ehrencron als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J. Janssen</para>
    <para />
    <para>(get.) M. Nieuwenhuis    (get.) M.C.T. Ehrencron</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>