<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:33:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5210</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 93/885 t/m  AW 93/891,  AW 94/170 t/m  AW 94/172</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001950&amp;artikel=57&amp;g=1995-03-23">Algemeen Rijksambtenarenreglement 57</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001950&amp;artikel=58&amp;g=1995-03-23">Algemeen Rijksambtenarenreglement 58</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1995-03-23">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:44:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210 Centrale Raad van Beroep , 23-03-1995 / AW 93/885 t/m  AW 93/891,  AW 94/170 t/m  AW 94/172</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Van toepassing zijnde procesrecht, schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1993/885 tot en met 891</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., eiser en gedaagde, hierna: eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de Minister van Justitie, eiser en gedaagde, hierna: gedaagde 1,</para>
      <para>2. het Hoofd Ondersteunende Diensten bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage</para>
      <para>en het Parket van de Procureur-Generaal van het Gerechtshof te</para>
      <para>'s-Gravenhage, gedaagde, hierna: gedaagde 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door eiser en namens gedaagde 1 is op daartoe bij hun respectieve</para>
      <para>aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden in voege als in rubriek II</para>
      <para>nader aangegeven hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder de nrs. AW 91/1259, AW</para>
      <para>92/216, AW 92/413, AW 92/1760, AW 92/2018, AW 92,2019, AW 92/2020, AW 92/2171</para>
      <para>en AW 93/142 gegeven uitspraak. Naar die uitspraak, die op 23 november 1993 aan</para>
      <para>partijen is verzonden, wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde 1 is van contra-memorie gediend en zijn - desgevraagd -</para>
      <para>nadere stukken aan de Raad gezonden.</para>
      <para>Eiser heeft op 9 februari 1995 een verzoek om schadevergoeding aan de</para>
      <para>Raad doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde 1 is bij brief van 27 februari 1995 het door hem ingestelde</para>
      <para>hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking</para>
      <para>hebbend op zijn besluit van 2 november 1992 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn - gevoegd met de gedingen tussen eiser en gedaagde 1 bij</para>
      <para>de Raad bekend onder de nrs. AW 1994/170 tot en met 172 - behandeld ter</para>
      <para>zitting van de Raad van 2 maart 1995, waar eiser in persoon is verschenen</para>
      <para>en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr E.N.J. Boes,</para>
      <para>werkzaam bij het Ministerie van Justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:</para>
      <para>Awb) in werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten</para>
      <para>Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van</para>
      <para>overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep</para>
      <para>moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde</para>
      <para>vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding</para>
      <para>van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>zover betrekking hebbend op de door de eerste rechter genomen beslissingen</para>
      <para>ter zake van de door eiser ingestelde beroepen tegen de door gedaagde 1</para>
      <para>op 3 februari 1992 opengestelde vacature van hoofd ondersteunende diensten</para>
      <para>bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage en het Parket van de Procureur-Generaal</para>
      <para>bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, de brief van gedaagde 2</para>
      <para>van 11 mei 1992, de door gedaagde 1 op 24 augustus 1992 aan hem verstrekte</para>
      <para>taakopdracht en het besluit van gedaagde 1 van 12 januari 1993. Het van de</para>
      <para>zijde van gedaagde 1 ingestelde hoger beroep heeft - nog - betrekking op de</para>
      <para>in de aangevallen uitspraak vervatte beslissingen van de eerste rechter met</para>
      <para>betrekking tot de beroepen van eiser tegen gedaagdes besluiten van 16</para>
      <para>december 1991, 9 juni 1992 en 12 januari 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide</para>
      <para>weergave van de in de onderhavige gedingen van belang zijnde feiten en</para>
      <para>omstandigheden, overweegt de Raad naar aanleiding van evenvermelde hoger</para>
      <para>beroepen het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. met betrekking tot het besluit van gedaagde 1 van 16 december 1991</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) op 10 juni 1991</para>
      <para>het Openbaar Ministerie in een 45-tal strafzaken niet-ontvankelijk had</para>
      <para>verklaard wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in</para>
      <para>artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de</para>
      <para>fundamentele vrijheden, is door gedaagde 1 besloten de leiding van zowel</para>
      <para>de griffie van het Hof als van het Parket van de Procureur-Generaal bij het</para>
      <para>Hof (hierna: het Parket) op te dragen aan een interim-onderdeelsmanager</para>
      <para>totdat een structurele voorziening zou zijn getroffen voor een</para>
      <para>eenhoofdige leiding voor evenbedoelde onderdelen. In verband met die</para>
      <para>(voorgenomen) reorganisatie is de kabinets-chef van het Parket per 15 juli</para>
      <para>1991 ontheven van de aan zijn functie verbonden managementtaken. Eiser, die</para>
      <para>de functie van plaatsvervangend kabinetschef vervulde en in evenbedoelde</para>
      <para>periode arbeidsongeschikt was, heeft bij brief van 24 september 1991 te</para>
      <para>kennen gegeven met verbazing te hebben geconstateerd dat hij bij de medio</para>
      <para>1991 in gang gezette reorganisatie niet rechtstreeks was betrokken, en</para>
      <para>heeft verzocht hem, mede gelet op de verwachting dat hij op korte termijn</para>
      <para>arbeidsgeschikt zou worden verklaard, duidelijkheid te verstrekken over</para>
      <para>zijn toekomstige positie. Dit verzoek heeft geleid tot het besluit van</para>
      <para>gedaagde 1 van 16 december 1991 waarin eiser te kennen is gegeven dat hij</para>
      <para>als gevolg van de omstandigheid dat de kabinetschef van diens</para>
      <para>managementtaken was ontheven, eveneens was ontheven van zijn taak om als</para>
      <para>plaatsvervanger van de kabinetschef bij diens afwezigheid leiding te geven</para>
      <para>aan het tot het Parket behorende ondersteunende personeel. In de overige -</para>
      <para>beleidsondersteunende - taken van eiser kwam geen wijziging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft het besluit van gedaagde 1 van 16 december 1991,</para>
      <para>onder gegrondverklaring van het door eiser daartegen ingestelde beroep,</para>
      <para>nietig verklaard, overwegend - voor zover hier van belang - dat tijdelijke</para>
      <para>ontheffing van eiser van de aan zijn functie verbonden overname van</para>
      <para>leidinggevende taken van de kabinetschef weliswaar niet in strijd met</para>
      <para>de redelijkheid is te achten, maar dat gedaagde 1 in strijd heeft gehandeld</para>
      <para>met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat hij ten tijde van het nemen van zijn</para>
      <para>beslissing de kabinetschef tijdelijk te ontheffen van diens</para>
      <para>leidinggevende taken niet (ook) expliciet de daaruit voor de positie van</para>
      <para>eiser voortvloeiende consequenties onder ogen heeft gezien en eiser</para>
      <para>daaromtrent medio 1991 op de hoogte heeft gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde 1 is tegen de beslissing van de eerste rechter hoger beroep</para>
      <para>ingesteld voor zover het besluit van 16 december 1991 wegens strijd met het</para>
      <para>zorgvuldigheidsbeginsel nietig is verklaard. Volgens gedaagde 1 is geen</para>
      <para>sprake van zodanige onzorgvuldigheid dat op grond daarvan tot nietigheid</para>
      <para>van het besluit van 16 december 1991 zou moeten worden besloten, en als</para>
      <para>zulks wel het geval zou zijn is naar zijn oordeel gedektverklaring van</para>
      <para>die nietigheid aangewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat het besluit van 16 december 1991 toepassing</para>
      <para>betreft van artikel 58 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna:</para>
      <para>ARAR), ingevolge welk artikel het horen van de betrokken ambtenaar niet is</para>
      <para>voorgeschreven, en gelet op het gegeven dat het hier gaat om de ontheffing</para>
      <para>van taken waarmee eiser blijkens de ten tijde hier van belang zijnde</para>
      <para>functiebeschrijving slechts was belast bij afwezigheid van de kabinetschef,</para>
      <para>acht de Raad - anders dan de eerste rechter - de enkele omstandigheid</para>
      <para>dat niet reeds medio 1991 met eiser persoonlijk overleg is gepleegd over</para>
      <para>de voor diens functie voortvloeiende gevolgen van de beslissing de</para>
      <para>kabinetschef te ontheffen van zijn managementtaken, niet zodanig</para>
      <para>onzorgvuldig dat dit tot nietigverklaring van het bestreden besluit zou</para>
      <para>moeten leiden. Aangezien het oordeel van de eerste rechter dat het besluit</para>
      <para>van 16 december 1991 overigens de rechterlijke toetsing kan doorstaan,</para>
      <para>door partijen in hoger beroep niet is aangevochten, leidt het voorgaande</para>
      <para>tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking</para>
      <para>hebbend op het besluit van 16 december 1991 voor vernietiging in aanmerking</para>
      <para>komt en het door eiser tegen dat besluit ingestelde primaire beroep alsnog</para>
      <para>ongegrond verklaard dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b. met betrekking tot de door gedaagde 1 op 3 februari 1992 opengestelde</para>
      <para>vacature hoofd ondersteunende diensten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser, die na zijn hersteldverklaring per 22 oktober 1991 tot zijn uitval</para>
      <para>wegens ziekte eind maart 1992 werkzaam is geweest volgens de door de</para>
      <para>interim-onderdeelsmanager vastgestelde taakverdeling kabinet, heeft op 17</para>
      <para>maart 1992 beroep ingesteld naar aanleiding van de uit het blad 'Vacatures'</para>
      <para>van 3 februari 1992 blijkende openstelling voor de vacature hoofd</para>
      <para>ondersteunende diensten ten behoeve van het ondersteunend apparaat van het</para>
      <para>Hof en het Parket. Met betrekking tot die openstelling, die eiser na 3</para>
      <para>februari 1992 ter kennis was gekomen, had eiser op 7 februari 1992 de</para>
      <para>voorzitter van het toenmalige Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage verzocht</para>
      <para>om een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 102 van de</para>
      <para>Ambtenarenwet 1929.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van eiser tegen evenbedoelde</para>
      <para>openstelling wegens overschrijding van de beroepstermijn niet</para>
      <para>ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Eiser heeft in hoger beroep die beslissing van de eerste rechter bestreden,</para>
      <para>stellende dat hij zijn beroep tijdig heeft ingesteld nu zulks</para>
      <para>overeenkomstig artikel 102, vierde lid, van de Ambtenarenwet 1929 is</para>
      <para>gedaan binnen acht dagen  na 12 maart 1992, de datum waarop op zijn verzoek</para>
      <para>om een beslissing bij voorraad van 7 februari 1992 was beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft het oordeel van de eerste rechter dat het bepaalde in</para>
      <para>artikel 102, vierde lid, van de Ambtenarenwet 1929 de in artikel 60 van</para>
      <para>die wet voorgeschreven beroepstermijn onverlet laat en dat eiser, nu vast</para>
      <para>staat dat hij bij het instellen van zijn beroep tegen de openstelling</para>
      <para>van meerbedoelde vacature laatstbedoelde termijn heeft overschreden, in dat</para>
      <para>beroep niet-ontvankelijk is. In zoverre komt de aangevallen uitspraak dan</para>
      <para>ook voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>c. met betrekking tot het besluit van gedaagde 2 van 11 mei 1992</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 11 mei 1992 heeft gedaagde 2 eiser doen weten dat eiser het</para>
      <para>vertrouwen in hem als plaatsvervangend kabinetschef in ernstige mate heeft</para>
      <para>geschaad omdat hij zijn advocaat tijdens een door hem tegen de Staat der</para>
      <para>Nederlanden aangespannen kort geding mededeling had laten doen van het -</para>
      <para>volgens gedaagde 2 ook onjuiste - gegeven dat in 1991 ongeveer 700</para>
      <para>strafzaken wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk waren verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder overweging dat het een afkeurende mededeling met een intern karakter</para>
      <para>betrof, heeft de eerste rechter eiser in zijn beroep tegen de brief van 11</para>
      <para>mei 1992 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad kan zich met deze beslissing</para>
      <para>verenigen. Hetgeen van de zijde van eiser in hoger beroep naar voren is</para>
      <para>gebracht heeft ook de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat de</para>
      <para>brief van 11 mei 1992 ertoe strekt in te grijpen in de (rechts)positie van</para>
      <para>eiser, zodat moet worden geconstateerd dat in casu slechts sprake is van</para>
      <para>een reactie welke te rekenen valt tot de normale in een organisatorisch</para>
      <para>verband soms benodigde sturingsmiddelen, waarvan de leiding zich ten</para>
      <para>opzichte van de onder die leiding gestelden kan bedienen. Van een</para>
      <para>appellabel besluit in de zin van de   Ambtenarenwet 1929 is dan ook geen</para>
      <para>sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak komt derhalve ook op dit punt voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>d. met betrekking tot het besluit van gedaagde 1 van 9 juni 1992</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissend op meergenoemd door eiser op 7 februari 1992 gedaan verzoek om</para>
      <para>een beslissing bij voorraad heeft de voorzitter van het toenmalige</para>
      <para>Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage op 12 maart 1992 bepaald dat gedaagde 1</para>
      <para>de procedure tot definitieve vervulling van de hiervoor vermelde</para>
      <para>vacature hoofd ondersteunende diensten dient op te schorten totdat het</para>
      <para>gehele reorganisatieplan voor het Hof en het Parket was vastgesteld</para>
      <para>conform de toepasselijke bepalingen van het ARAR.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat eiser was gebleken dat de selectieprocedure voor meergenoemde</para>
      <para>functie hoofd ondersteunende diensten met ingang van 12 maart 1992 niet was</para>
      <para>gestaakt, heeft hij in kort geding gevorderd de Staat der Nederlanden te</para>
      <para>veroordelen om te voldoen aan evenbedoelde beslissing bij voorraad,</para>
      <para>zulks op verbeurte van een dwangsom. Onder meer in aanmerking nemend dat</para>
      <para>inmiddels was besloten de gesprekken met de betrokken sollicitanten te</para>
      <para>stoppen, van welke beslissing die sollicitanten bij brief van 27 maart 1992</para>
      <para>op de hoogte waren gesteld, heeft de president van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bij zijn vonnis in kort geding</para>
      <para>van 14 april 1992 eisers vordering afgewezen en eiser veroordeeld in de</para>
      <para>proceskosten van de Staat der Nederlanden tot een bedrag van f 1.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 juni 1992 heeft gedaagde 1 afwijzend beslist op eisers verzoek om</para>
      <para>vergoeding van door hem geleden schade, zijnde een bedrag ad f 2.169,40 ter</para>
      <para>zake van de door hem in verband met evenvermeld kort geding gemaakte</para>
      <para>advocaatkosten alsmede het bedrag ad f 1.000,- aan proceskosten tot</para>
      <para>betaling waarvan hij was veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak is dat besluit, onder gegrondverklaring van</para>
      <para>het daartegen ingestelde beroep, nietig verklaard wegens een daaraan</para>
      <para>klevend motiveringsgebrek. De eerste rechter heeft daarbij laten wegen dat</para>
      <para>de selectieprocedure eerst ruim twee weken na de beslissing bij voorraad</para>
      <para>van 12 maart 1992 was gestaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het namens gedaagde 1 tegen dit onderdeel van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep stelt de Raad voorop dat in</para>
      <para>de lijn van hetgeen is overwogen in de uitspraken van de Raad van 16 juni</para>
      <para>1994 en 6 oktober 1994, gepubliceerd in TAR 1994,177 en 243, de</para>
      <para>toetsingsmaatstaf voor een besluit betreffende vergoeding van beweerdelijk</para>
      <para>in de periode vóór 1 januari 1993 geleden schade, zoals het in</para>
      <para>geding zijnde besluit van 9 juni 1992, is te vinden in de toentertijd</para>
      <para>geldende jurisprudentie van de Raad, waarvoor wordt verwezen naar, bij</para>
      <para>voorbeeld, de uitspraak van 28 april 1994, gepubliceerd in TAR 1994,134.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede in aanmerking genomen hetgeen van de zijde van gedaagde 1 in hoger</para>
      <para>beroep naar voren is gebracht, vermag de Raad niet in te zien dat in dit</para>
      <para>geval sprake is van door eiser geleden schade die een gevolg zou zijn van</para>
      <para>aan gedaagde 1 toe te rekenen handelen of nalaten, een en ander als in de</para>
      <para>hiervoor aangegeven jurisprudentie bedoeld. De Raad acht het voldoende</para>
      <para>aannemelijk dat het gedaagde 1 eerst na kennisneming van de hem op 24</para>
      <para>maart 1992 toegezonden beslissing bij voorraad duidelijk werd dat de door</para>
      <para>de voorzitter van het toenmalige Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage</para>
      <para>bepaalde opschorting niet - slechts - de definitieve vervulling van de</para>
      <para>betrokken vacature betrof, zoals gedaagde 1 naar zijn zeggen - en naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad ook niet onbegrijpelijk - uit de telefonische</para>
      <para>mededeling van het dictum op 12 maart 1992 had begrepen, maar ook de</para>
      <para>verdere voortzetting van de selectieprocedure. Gelet op hetgeen van de</para>
      <para>zijde van gedaagde 1 is medegedeeld met betrekking tot het tijdstip waarop</para>
      <para>eisers dagvaarding in kort geding de landsadvocaat heeft bereikt en het</para>
      <para>tijdstip waarop de door eiser op 30 maart 1992 in afschrift ontvangen brief</para>
      <para>van 27 maart 1992 betreffende stopzetting van de betrokken selectieprocedure</para>
      <para>moet zijn verzonden, acht de Raad voorts genoegzaam vaststaan dat</para>
      <para>tot die stopzetting niet is besloten onder dwang van het door eiser</para>
      <para>aangespannen kort geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking</para>
      <para>hebbend op het besluit van 9 juni 1992 niet in stand kan blijven en het</para>
      <para>door eiser daartegen ingestelde primaire beroep alsnog ongegrond dient te</para>
      <para>worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>e. met betrekking tot het besluit van 24 augustus 1992</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Medio 1992 heeft de reorganisatie waarbij het ondersteunend apparaat van de</para>
      <para>griffie en het parket van het Hof onder een eenhoofdige leiding werden</para>
      <para>gebracht, haar definitieve beslag gekregen. Eisers functie is toen</para>
      <para>aangemerkt als een C-functie, hetgeen inhield dat die functie als gevolg</para>
      <para>van de reorganisatie niet of nauwelijks wijziging onderging. Aangezien de</para>
      <para>functie van kabinetschef na de reorganisatie geen leidinggevende taken meer</para>
      <para>behelsde, betekende zulks dat (ook) de functie van eiser na de</para>
      <para>reorganisatie uitsluitend nog werkzaamheden van beleidsmatige aard</para>
      <para>omvatte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat eiser per 24 augustus 1992 hersteld was verklaard, is eiser namens</para>
      <para>gedaagde 1 te kennen gegeven dat hij tijdelijk niet zou worden belast met</para>
      <para>de (nieuwe) functie van plaatsvervangend kabinetschef maar met een</para>
      <para>speciale taakopdracht. Ook tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld.</para>
      <para>Eiser heeft evenbedoelde opdracht - onder meer wegens ziekte - nimmer</para>
      <para>feitelijk uitgevoerd en die opdracht is in oktober 1992 door gedaagde 1 na</para>
      <para>overleg met eiser ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 24</para>
      <para>augustus 1992 ongegrond verklaard. Aangezien de taakopdracht aan eiser in</para>
      <para>oktober 1992 was ingetrokken, heeft hij eisers bezwaren tegen de inhoud</para>
      <para>van de taakopdracht onbesproken gelaten en voorts geoordeeld dat gedaagde</para>
      <para>1 terecht heeft kunnen en mogen twijfelen aan eisers loyaliteit en om die</para>
      <para>reden in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing hem</para>
      <para>tijdelijk niet te belasten met de aan zijn functie van plaatsvervangend</para>
      <para>kabinetschef verbonden werkzaamheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het door eiser tegen dit onderdeel van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak ingestelde hoger beroep merkt de Raad in de eerste plaats op dat</para>
      <para>hij - anders dan kennelijk de eerste rechter - van opvatting is dat met de</para>
      <para>intrekking van de op 24 augustus 1992 aan eiser gegeven speciale</para>
      <para>taakopdracht eveneens de daaraan inherente beslissing eiser tijdelijk zijn</para>
      <para>werkzaamheden als plaatsvervangend kabinetschef niet te laten vervullen,</para>
      <para>is komen te vervallen. In het gegeven dat gedaagde 1 om hem moverende</para>
      <para>redenen heeft besloten het besluit van 24 augustus 1992 niet te handhaven -</para>
      <para>en in aanmerking nemend dat niet kan worden ontkend dat eiser - enig -</para>
      <para>procesbelang heeft behouden bij een uitspraak met betrekking tot het door</para>
      <para>hem tegen dat ingetrokken besluit ingestelde beroep - acht de Raad in het</para>
      <para>onderhavige geval voldoende grond gelegen om, met vernietiging van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak in zoverre, het besluit van gedaagde 1 alsnog nietig</para>
      <para>te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>f. met betrekking tot het besluit van 12 januari 1993 (AW 1993/891)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 januari 1993 heeft gedaagde 1 met toepassing van artikel</para>
      <para>58, eerste lid, van het ARAR eiser met ingang van 18 januari 1993</para>
      <para>tijdelijk - tot uiterlijk 1 januari 1994 - tewerkgesteld bij het</para>
      <para>Schadefonds Geweldsmisdrijven in de functie van juridisch medewerker.</para>
      <para>Gedaagde 1 is daartoe overgegaan omdat naar zijn opvatting door eisers</para>
      <para>opstelling dusdanige twijfel was gerezen met betrekking tot diens</para>
      <para>loyaliteit ten opzichte van de organisatie, dat het vertrouwen in eiser</para>
      <para>zodanig was ondermijnd dat uitzicht op een goede functievervulling als</para>
      <para>plaatsvervangend kabinetschef niet meer aanwezig werd geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft dit besluit, onder gegrondverklaring van het</para>
      <para>daartegen ingestelde beroep, nietig verklaard en die nietigheid voor</para>
      <para>gedekt verklaard. Aan die beslissing ligt de overweging ten grondslag dat,</para>
      <para>waar gedaagde 1 eiser niet vooraf over die tijdelijke tewerkstelling heeft</para>
      <para>gehoord, het besluit wegens onzorgvuldigheid niet in stand kan blijven.</para>
      <para>Overwegend dat gedaagde 1 overigens in redelijkheid heeft kunnen komen tot</para>
      <para>zijn beslissing eiser op grond van het gerezen gebrek aan vertrouwen</para>
      <para>tijdelijk te belasten met de als passend aan te merken functie van</para>
      <para>juridisch medewerker bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven, heeft de eerste</para>
      <para>rechter die nietigheid voor gedekt verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van deze beslissing van de eerste rechter, waarvan zowel eiser</para>
      <para>als gedaagde 1 in hoger beroep zijn gekomen, overweegt de Raad het</para>
      <para>volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt en namens gedaagde 1 is ter zitting van de Raad</para>
      <para>ook erkend, dat gedaagde 1 bij het nemen van zijn besluit van 12 januari</para>
      <para>1993 de mogelijkheid dat eiser zou terugkeren in zijn vroegere functie</para>
      <para>van plaatsvervangend kabinetschef niet - meer - reëel achtte. In het</para>
      <para>onderhavige geval moet dan ook worden geconstateerd dat het hier feitelijk</para>
      <para>gaat om een definitieve ontheffing uit de vroegere functie, gevolgd door</para>
      <para>een tijdelijke tewerkstelling in een andere functie, zulks in afwachting</para>
      <para>van een definitieve   plaatsing in een nieuwe passende functie. In</para>
      <para>aanmerking genomen dat de onderhavige tijdelijke tewerkstelling is</para>
      <para>ingegeven door de definitieve ontheffing uit de vroegere functie, wat naar</para>
      <para>het oordeel van de Raad toepassing van artikel 57 van het ARAR vergt, kan</para>
      <para>de Raad gedaagde 1 en de eerste rechter niet volgen in het standpunt dat</para>
      <para>het besluit van 12 januari 1993 kon worden gebaseerd op artikel 58 van het</para>
      <para>ARAR.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook met betrekking tot de constatering dat in het onderhavige geval voor</para>
      <para>een - definitieve - ontheffing van eiser uit zijn vroegere - vanaf medio</para>
      <para>1992 uitsluitend tot beleidsondersteunende werkzaamheden beperkte - functie</para>
      <para>voldoende feitelijke grondslag kan worden gevonden, is de Raad tot een</para>
      <para>andere conclusie gekomen dan gedaagde 1 en de eerste rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken en hetgeen namens gedaagde 1 dienaangaande ter zitting</para>
      <para>van de Raad naar voren is gebracht, blijkt dat de door gedaagde 1</para>
      <para>gestelde vertrouwenscrisis haar grondslag vond in de omstandigheid dat</para>
      <para>eiser zijn persoonlijke belangen verheven achtte boven de belangen van de</para>
      <para>organisatie, hetgeen volgens gedaagde 1, naast de indiscretie van eiser die</para>
      <para>had geleid tot het besluit van gedaagde 2 van 11 mei 1992 en onbetamelijke</para>
      <para>uitlatingen van eiser jegens de in oktober/november 1992 nieuw benoemde</para>
      <para>kabinetschef, met name daarin tot uitdrukking kwam dat eiser - vanaf medio</para>
      <para>1991 - heeft gemeend vrijwel ieder jegens hem genomen besluit in rechte te</para>
      <para>moeten aanvechten. In dit verband heeft gedaagde 1 in hoger beroep nog</para>
      <para>een schrijven van de toenmalige Procureur-Generaal bij het Hof overgelegd</para>
      <para>waaruit blijkt dat ook deze in november 1992 niet langer vertrouwen had in</para>
      <para>eiser(s functioneren).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vastgesteld moet worden dat eiser naar aanleiding van jegens hem genomen</para>
      <para>beslissingen een groot aantal beroepszaken aanhangig heeft gemaakt en in</para>
      <para>verband daarmee een vrijwel even groot aantal verzoeken om beslissingen bij</para>
      <para>voorraad heeft ingediend, in welk verband hij - de door hem relevant</para>
      <para>geachte voorgeschiedenis herhalend - vaker uiting heeft gegeven aan zijn</para>
      <para>van de opvatting van gedaagde 1 afwijkende zienswijze met betrekking tot de</para>
      <para>gegrondheid van de aanleiding tot en uitvoering van de reorganisatie van</para>
      <para>het Parket in 1991 en 1992. Naar het oordeel van de Raad kan echter noch in</para>
      <para>de omstandigheid dat eiser op ruime schaal gebruik heeft gemaakt van de hem</para>
      <para>rechtens toekomende beroepsmogelijkheden, noch in de omstandigheid dat en</para>
      <para>de wijze waarop hij ter ondersteuning van zijn zienswijze zich kritisch</para>
      <para>heeft uitgelaten over (beheers)beslissingen van gedaagde 1 voldoende grond</para>
      <para>worden gevonden voor de constatering dat sprake is van een zodanig gebrek</para>
      <para>aan loyaliteit aan de zijde van eiser dat gedaagde zich op grond daarvan in</para>
      <para>redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet meer ervan</para>
      <para>kon worden uitgegaan dat eiser zijn - beleidsondersteunende - functie van</para>
      <para>plaatsvervangend kabinetschef nog naar behoren zou kunnen uitoefenen.</para>
      <para>Een zodanig gebrek aan loyaliteit acht de Raad evenmin gelegen in de door</para>
      <para>gedaagde 1 bedoelde indiscretie, die - overigens slechts - aanleiding heeft</para>
      <para>gegeven tot de   brief van gedaagde 2 van 11 mei 1992. Met betrekking tot</para>
      <para>de gewraakte uitlatingen van eiser over de nieuwe kabinetschef, die hij</para>
      <para>heeft gedaan in het kader van zijn beroep tegen de weigering hem tot</para>
      <para>kabinetschef te benoemen, kan worden gezegd dat eiser er beter aan had</para>
      <para>gedaan zich daarvan te onthouden, maar het gaat de Raad te ver die</para>
      <para>uitlatingen als zodanig (onbetamelijk) te kwalificeren dat daarop in</para>
      <para>redelijkheid de vaststelling kan worden gebaseerd dat van een adequate</para>
      <para>functievervulling door eiser geen sprake meer kon zijn. Aan het door de</para>
      <para>Procureur-Generaal in diens schrijven aangegeven gebrek aan vertrouwen in</para>
      <para>eiser kan de Raad in casu evenmin doorslaggevende betekenis hechten. Dat</para>
      <para>gebrek is immers gebaseerd op dezelfde 'tekortkomingen' als hiervoor</para>
      <para>aangegeven, welke tekortkomingen naar het oordeel van de Raad - ook tezamen</para>
      <para>bezien - niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake zou zijn van een</para>
      <para>vertrouwensbreuk van dien aard dat gedaagde 1 op grond daarvan zich in</para>
      <para>redelijkheid op het standpunt kon stellen dat eiser in zijn functie van</para>
      <para>plaatsvervangend kabinetschef niet meer was te handhaven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande is de Raad - zij het op andere gronden dan in</para>
      <para>de aangevallen uitspraak aangegeven - van oordeel dat het besluit van 12</para>
      <para>januari 1993 niet in stand kan blijven. Anders dan de eerste rechter ziet</para>
      <para>de Raad geen redenen van algemeen belang die tot voor gedektverklaring van</para>
      <para>de nietigheid van dat besluit zouden moeten leiden. De aangevallen</para>
      <para>uitspraak zal in zoverre dan ook niet in stand kunnen worden gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het door eiser op 9 februari 1995 ingediende verzoek om</para>
      <para>schadevergoeding stelt de Raad vast, dat hij in het licht van het hier van</para>
      <para>toepassing zijnde, aan het begin van rubriek II nader aangegeven,</para>
      <para>procesrecht in het kader van de onderhavige gedingen geen ruimte ziet aan</para>
      <para>dat verzoek te voldoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gegeven omstandigheden acht de Raad termen aanwezig om met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:75 van de Awb gedaagde 1 te veroordelen tot vergoeding van</para>
      <para>een bedrag groot f 33,--, zijnde de reiskosten die eiser in verband met</para>
      <para>de behandeling van zijn hoger beroep heeft moeten maken. Van andere voor</para>
      <para>vergoeding op grond van evengenoemd artikel in aanmerking te nemen kosten</para>
      <para>is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>II. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de</para>
      <para>besluiten in rubriek II vermeld onder a, d en e;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep van eiser gericht tegen de besluiten in</para>
      <para>rubriek II vermeld onder a en d alsnog ongegrond;</para>
      <para>Verklaart het besluit in rubriek II vermeld onder e alsnog nietig;</para>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de nietigheid van</para>
      <para>het besluit in rubriek II vermeld onder f voor gedekt is verklaard;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten -</para>
      <para>voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot</para>
      <para>f 33,-- te betalen door de Staat der Nederlanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. Bekker als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr M.F. Leewis als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr A.H. Beijer als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H. Bekker.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Beijer.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>