<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:52:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB4748</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK5944</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 93/767</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1995/95</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:42:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748 Centrale Raad van Beroep , 09-02-1995 / AW 93/767</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Werk van kennelijk tijdelijk karakter.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB4748:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1993/767</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Hoofddirectie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is vanaf 1 oktober 1986 tot 1 januari 1993 in gedaagdes dienst</para>
      <para>werkzaam geweest, aanvankelijk op basis van tijdelijke</para>
      <para>arbeidsovereenkomsten ingevolge het Arbeidsovereenkomstenbesluit, vanaf 1</para>
      <para>januari 1990 op basis van aanstelling in tijdelijke dienst ingevolge</para>
      <para>artikel 6, lid 1 onder c van het Arbeidsvoorwaardenreglement Algemeen</para>
      <para>burgerlijk pensioenfonds (AVR-ABP).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 december 1991 heeft gedaagde eisers verzoek hem in vaste</para>
      <para>dienst aan te stellen afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens eiser tegen dat besluit ingestelde beroep is door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Roermond bij uitspraak van 30 september 1993,</para>
      <para>nr. 92/2AW M BOR, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangevoerde gronden. Gedaagde heeft van contra-memorie</para>
      <para>gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 19 januari 1995. Eiser is</para>
      <para>daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr W.P.P. Roeden, advocaat en</para>
      <para>procureur te Heerlen. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr M.J.M. van</para>
      <para>Haaften, stafmedewerker arbeidsvoorwaarden bij gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
      <para>werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten:</para>
      <para>Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van</para>
      <para>overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep</para>
      <para>moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde</para>
      <para>vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding</para>
      <para>van proceskosten, als bedoeld in artikel   8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is van mening dat gedaagde zijn verzoek van</para>
      <para>12 november 1991 om hem in vaste dienst aan te stellen moest inwilligen,</para>
      <para>omdat op dat tijdstip door hem werd voldaan aan de daarvoor in artikel 6,</para>
      <para>lid 5 AVR-ABP gestelde voorwaarde dat "de werknemer sinds vijf jaar zonder</para>
      <para>onderbreking van langer dan één maand, waarvan laatstelijk gedurende ten</para>
      <para>minste   één jaar in zijn huidige betrekking, werkzaam is geweest", terwijl</para>
      <para>zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voordeed de in</para>
      <para>genoemde bepaling gemaakte uitzondering "dat zijn werkzaamheden binnen het</para>
      <para>jaar zullen worden beëindigd".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft haar besluit van 9 december 1991 aanvankelijk juist</para>
      <para>gebaseerd op het toepasselijk zijn van de vorenbedoelde uitzondering.</para>
      <para>Tijdens het geding in eerste aanleg heeft zij echter - met verwijzing onder</para>
      <para>meer naar 's Raads uitspraak van 27 november 1986 (nr.</para>
      <para>AW 1985/131, TAR 1987, 30) - aan die stelling toegevoegd dat de tijd die</para>
      <para>door eiser is doorgebracht als arbeidscontractant voor de toepassing van</para>
      <para>artikel 6, lid 5 AVR-ABP niet meetelt, waardoor eiser dus niet voldeed aan</para>
      <para>het vereiste van - verkort weergegeven - vijf jaar onafgebroken werkzaam te</para>
      <para>zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft zich bij de laatstbedoelde argumentatie van</para>
      <para>gedaagde aangesloten en op die grond eisers beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft evenwel nadien bij zijn uitspraak van</para>
      <para>21 oktober 1993 (nr. AW 1992/1321, TAR 1993, 254) overwogen dat het - in</para>
      <para>het destijds aanhangige geding, dat in essentie overeenkomt met het thans</para>
      <para>voorliggende geval - doorslaggevend is dat het gaat om een tijdelijk</para>
      <para>dienstverband voor het verrichten van werk van kennelijk tijdelijk</para>
      <para>karakter (of wegens een voorgenomen wijziging van het betrokken dienstvak),</para>
      <para>ongeacht of zulks plaats vindt op basis van een ambtelijke aanstelling</para>
      <para>of op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijke recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bijgevolg moet het ervoor worden gehouden dat eiser - nu hij steeds werk</para>
      <para>van kennelijk tijdelijk karakter heeft verricht - ten tijde van het nemen</para>
      <para>van het bestreden besluit voldeed aan de in artikel 6, lid 5 AVR-ABP</para>
      <para>gestelde voorwaarde van vijf jaar onafgebroken in dienst van gedaagde te</para>
      <para>zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts kon op het tijdstip van het nemen van het bestreden besluit strikt</para>
      <para>genomen niet worden gezegd dat toen vaststond dat eisers werkzaamheden</para>
      <para>binnen het jaar zouden worden beëindigd.</para>
      <para>Immers, zoals ook bij herhaling zijdens gedaagde aan eiser in het</para>
      <para>vooruitzicht was gesteld, zijn die werkzaamheden eerst ultimo 1992</para>
      <para>beëindigd. De desbetreffende in artikel 6, lid 5 AVR-ABP neergelegde</para>
      <para>uitzondering kon dus ten   aanzien van eiser geen effect hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft gedaagde er echter op gewezen dat de eerste rechter</para>
      <para>is voorbij gegaan aan het door gedaagdes gemachtigde ter terechtzitting</para>
      <para>in eerste aanleg gedaan beroep op het vierde lid van genoemd artikel 6, dat</para>
      <para>luidt:   "Zodra de omstandigheid, welke leidde tot een aanstelling in</para>
      <para>tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wordt een aanstelling in</para>
      <para>vaste dienst verleend, tenzij daartegen uit andere hoofde bezwaren</para>
      <para>bestaan".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als zodanige bezwaren heeft gedaagde genoemd de aan haar van regeringswege</para>
      <para>opgedragen inkrimping van het personeelsbestand, in verband waarmee ook het</para>
      <para>meermalen genoemde vijfde lid van artikel 6 AVR-ABP, dat zekere garanties</para>
      <para>gaf aan tijdelijk aangestelden, per 1 januari 1992 is komen te vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagdes stelling dat de opgedragen afbouw van het personeelsbestand</para>
      <para>niet kon worden gerealiseerd zonder gedwongen afvloeiing van medewerkers</para>
      <para>met een aanstelling in vaste dienst en - a fortiori en dus met voorrang -</para>
      <para>beëindiging van aanstellingen in tijdelijke dienst, is zijdens eiser</para>
      <para>onvoldoende weersproken. De Raad verbindt hieraan de conclusie dat gedaag-</para>
      <para>de in de geschetste situatie aanleiding mocht vinden te oordelen dat zich</para>
      <para>tegen eisers aanstelling in vaste dienst bezwaren als bedoeld in het</para>
      <para>vierde lid van artikel 6 AVR-ABP verzetten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van al het voorgaande is de Raad tot de slotsom gekomen dat eiser</para>
      <para>ten tijde voor het geding van belang weliswaar in beginsel aanspraak kon</para>
      <para>doen gelden op aanstelling in vaste dienst, maar dat van gedaagde onder de</para>
      <para>gegeven omstandigheden niet kan worden gezegd dat zij niet in</para>
      <para>redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu dat besluit ook op andere gronden niet voor nietigverklaring in</para>
      <para>aanmerking komt, dient de aangevallen uitspraak in stand te blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande kan de Raad geen aanleiding vinden om toepassing te</para>
      <para>geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J. Boesjes als voorzitter</para>
      <para>en mr Ch. de Vrey en mr A.J.Th. Dörenberg als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 1995 door voornoemde</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Boesjes.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>