<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:30:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB3311</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0562</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-09-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">KBW 93/84 t/m  KBW 93/86</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002368&amp;artikel=6&amp;g=1995-09-20">Algemene Kinderbijslagwet 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=6&amp;g=1995-09-20">Algemene Ouderdomswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0004345&amp;artikel=37&amp;g=1995-09-20">Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer 37</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1996/49</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-21T14:40:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311 Centrale Raad van Beroep , 20-09-1995 / KBW 93/84 t/m  KBW 93/86</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzekeringsplicht personeel ambassades in Nederland. Diplomatieke voorrechten en immuniteiten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>KBW 1993/84, 85 en 86                             O.</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in de gedingen tussen:</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., eiseres,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het bestuur der Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amsterdam,</para>
    <para>gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij twee beslissingen, aan eiseres ter kennis gebracht bij brieven van 31</para>
    <para>augustus 1990, respectievelijk 1 november 1990, heeft gedaagde geweigerd</para>
    <para>eiseres ten behoeve van het kind C. kinderbijslag toe te kennen over</para>
    <para>het vierde kwartaal van 1988 tot en met het tweede kwartaal van 1989,</para>
    <para>respectievelijk over het derde kwartaal van 1989 tot en met het tweede</para>
    <para>kwartaal van 1990.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij aan eiseres bij brief van 29 oktober 1991 ter kennis gebrachte</para>
    <para>beslissing heeft gedaagde geweigerd haar ingaande 1 juli 1989 als verplicht</para>
    <para>verzekerde ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene Weduwen- en</para>
    <para>Wezenwet (AWW), Algemene Kinderbijslagwet (AKW), Algemene</para>
    <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</para>
    <para>(AWBZ) aan te merken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26</para>
    <para>februari 1993 de tegen deze beslissingen ingestelde beroepen ongegrond</para>
    <para>verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep heeft mr J.L. Plokker, advocaat te 's-Gravenhage, de Raad</para>
    <para>op de bij aanvullend beroepschrift van 8 november 1993 aangevoerde</para>
    <para>gronden verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 22 november 1994 heeft de president van de Raad gedaagde</para>
    <para>enige vragen voorgelegd.</para>
    <para>Deze zijn beantwoord bij brief van gedaagde van 10 februari 1995, onder</para>
    <para>bijvoeging, onder meer, van een schrijven namens de Staatssecretaris van</para>
    <para>Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan gedaagde d.d. 23 december 1994.</para>
    <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden</para>
    <para>op 9 augustus 1995. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door</para>
    <para>mr Plokker, voornoemd, als haar raadsman. Gedaagde is verschenen bij</para>
    <para>gemachtigde J. Crompvoets, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
    <para>werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
    <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
    <para>onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
    <para>procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de</para>
    <para>mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75</para>
    <para>van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagdes beslissing van 31 augustus 1990 berust op artikel 2, lid 1, onder</para>
    <para>f, van het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 557 (hierna: KB</para>
    <para>557), tot stand gekomen op grond van onder meer artikel 6 van de Algemene</para>
    <para>Kinderbijslagwet (AKW). Eerstgenoemd artikelonderdeel bepaalt dat niet als</para>
    <para>verzekerde ingevolge de volksverzekeringen wordt aangemerkt de binnen het</para>
    <para>Rijk verblijf houdende niet-Nederlander, die hetzij:</para>
    <para>1. diplomatiek of beroepsconsulair vertegenwoordiger van een andere</para>
    <para>mogendheid is;</para>
    <para>2. als ambtenaar is toegevoegd aan de onder 1 genoemde persoon;</para>
    <para>3. als particulier bediende uitsluitend in dienst is van een onder 1 of 2</para>
    <para>bedoeld persoon, mits op hem het stelsel van sociale verzekering van een</para>
    <para>andere   mogendheid van toepassing is en het verblijf binnen het Rijk geen</para>
    <para>duurzaam karakter heeft.</para>
    <para>In gedaagdes visie is op eiseres, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en</para>
    <para>sedert 23 februari 1981 als secretaresse in dienst is van de Tunesische</para>
    <para>Ambassade te 's-Gravenhage, het bepaalde sub 2 van toepassing en is eiseres</para>
    <para>op grond van haar nationaliteit uitgesloten van de verzekering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagdes beslissing van 1 november 1990 berust op artikel 11, lid 2, van</para>
    <para>het - eveneens mede op grond van artikel 6 AKW tot stand gekomen - Koninklijk</para>
    <para>Besluit van  3 mei 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164), dat ingaande 1</para>
    <para>juli 1989 in de plaats is getreden van het KB 557. Genoemde bepaling</para>
    <para>houdt in dat niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen zijn de leden</para>
    <para>van het administratieve, technische en bedienende personeel van de</para>
    <para>diplomatieke zending van een andere mogendheid, hun echtgenoot, kinderen</para>
    <para>en inwonende overige gezinsleden, indien zij niet duurzaam in Nederland</para>
    <para>wonen of geen Nederlander zijn.</para>
    <para>Ook deze bepaling is naar gedaagdes oordeel op eiseres op grond van haar</para>
    <para>nationaliteit van toepassing, althans van 1 juli 1989 tot 15 juni 1990, op</para>
    <para>welke laatste datum eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In beide beslissingen heeft gedaagde voorts vermeld dat eiseres blijkens</para>
    <para>inlichtingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken de zogeheten C-status</para>
    <para>bezit, hetgeen inhoudt dat geen registratie in het bevolkingsregister</para>
    <para>van de woongemeente behoeft plaats te vinden en zulks evenmin bij de</para>
    <para>vreemdelingendienst.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagdes beslissing van 29 oktober 1991 houdt in de afwijzing van een door</para>
    <para>eiseres op grond van artikel 33 van het KB 164 gedaan verzoek om haar</para>
    <para>ingaande 1 juli 1989 als verplicht verzekerde ingevolge de volksverzekeringen</para>
    <para>aan te merken. Hiertoe heeft gedaagde overwogen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"U werd vóór 1 juli 1989 reeds op grond van artikel 2, lid 1, sub f</para>
    <para>van het Koninklijk Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden</para>
    <para>volksverzekeringen d.d. 19 oktober 1976, stb. 557 (KB 557) uitgesloten</para>
    <para>van de verplichte verzekering krachtens bovengenoemde</para>
    <para>volksverzekeringen.</para>
    <para>Aangezien toepassing van het op 1 juli 1989 van kracht geworden KB 164 tot</para>
    <para>handhaving van die uitsluiting heeft geleid (artikel 11, lid 2 van dat</para>
    <para>KB), is voor u - op grond van de overgangsbepalingen in het KB 164 - dit</para>
    <para>nieuwe KB 164 automatisch in de plaats getreden van het oude KB 557 met</para>
    <para>als gevolg dat u van 1 juli 1989 tot 15 juni 1990 niet verzekerd bent</para>
    <para>geweest.</para>
    <para>Aan het namens u ingediende verzoek om vanaf 1 juli 1989 toch als</para>
    <para>verzekerde ingevolge de volksverzekeringen te worden aangemerkt kunnen</para>
    <para>wij derhalve niet voldoen.</para>
    <para>U bent derhalve, omdat u tot 15 juni 1990 voldeed aan de voorwaarden van</para>
    <para>uitsluiting, tot die datum niet verzekerd geweest krachtens de AOW, AWW,</para>
    <para>AKW, AAW en AWBZ.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gedingen spitsen zich in wezen toe op de vraag, of gedaagde terecht</para>
    <para>eiseres op grond van, achtereenvolgens, het KB 557 en het KB 164 over het</para>
    <para>tijdvak van 1 oktober 1988 tot en met 1 april 1990, c.q. 15 juni 1990,</para>
    <para>niet verzekerd ingevolge de AKW en, wat betreft de laatstvermelde</para>
    <para>beslissing, ook ingevolge de overige volksverzekeringen, heeft geacht.</para>
    <para>Bevestigende beantwoording van deze vraag leidt er immers toe dat ook de</para>
    <para>laatste beslissing als juist moet worden aangemerkt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft, evenmin als de eerste rechter, gronden gevonden om de in</para>
    <para>geding zijnde vraag anders dan in bevestigende zin te beantwoorden.</para>
    <para>Ook de Raad acht niet aan twijfel onderhevig dat eiseres behoort tot de</para>
    <para>categorie personen, bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel f, aanhef en sub</para>
    <para>2, van het KB 557 - hierboven weergegeven -, waarvan de toepasselijkheid</para>
    <para>leidt tot   een categorische uitsluiting van de verzekering. In dit verband</para>
    <para>is de omstandigheid dat eiseres duurzaam in Nederland verblijft, hetgeen</para>
    <para>ook door gedaagde wordt erkend, niet van betekenis.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts kan uit de tekst van artikel 11, lid 2, van het KB 164 - eveneens</para>
    <para>hierboven weergegeven - geen andere conclusie worden getrokken dan dat het</para>
    <para>voldoen aan één van de twee genoemde voorwaarden, het niet duurzaam in</para>
    <para>Nederland wonen of het geen Nederlander zijn, leidt tot niet-verzekering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met gedaagde en de eerste rechter is de Raad voorts van oordeel dat er geen</para>
    <para>bepalingen van internationaal recht zijn aan te wijzen welke in de weg</para>
    <para>zouden staan aan toepassing van de hier bedoelde nationaalrechtelijke</para>
    <para>bepalingen, in welk verband in eerste aanleg met name is verwezen naar de</para>
    <para>verdragen inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Tunesië, respectievelijk</para>
    <para>Marokko. In hoger beroep is de niet-toepasselijkheid van deze</para>
    <para>verdragen niet meer als geschilpunt aan de orde gesteld, zodat de Raad op</para>
    <para>dit onderdeel verwijst naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de behandeling in hoger beroep is twijfel gerezen met betrekking tot de</para>
    <para>overeenstemming van de in gedaagdes beslissingen toegepaste bepalingen</para>
    <para>inzake uitsluiting van de verzekering met het Verdrag van Wenen inzake</para>
    <para>diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159, hierna: het</para>
    <para>verdrag), voor Nederland   van kracht geworden op 7 oktober 1984, in het</para>
    <para>bijzonder met artikel 37, lid 2, van het verdrag.</para>
    <para>Deze bepaling luidt, voorzoveel hier van belang:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"Leden van het administratieve en technische personeel van de zending,</para>
    <para>alsmede inwonende gezinsleden, genieten, indien zij geen onderdaan zijn</para>
    <para>van, of niet duurzaam verblijf houden in, de ontvangende staat, de in de</para>
    <para>artikelen 29 tot en   met 35 omschreven voorrechten en immuniteiten</para>
    <para>(....)."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In de - authentieke - Engelse tekst (Trb.1962, 101) luidt deze bepaling:</para>
    <para>"Members of the administrative and technical staff of the mission (...),</para>
    <para>shall,   if they are not nationals of or permanently resident in the</para>
    <para>receiving State, enjoy the privileges and immunities (...)."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De suggestie dat in de nationale bepalingen een overeenkomstige regeling</para>
    <para>als in   het verdragsartikel zou zijn neergelegd, wordt met name gewekt</para>
    <para>door de omstandigheid dat zowel bij de totstandkoming van de laatstgeldende</para>
    <para>tekst van artikel 2, lid 1, onder f van het KB 557 (bij Koninklijk</para>
    <para>Besluit van 20 augustus 1984, Stb. 398) als bij de totstandkoming van het</para>
    <para>KB 164, in de toelichtende stukken alsook bij de parlementaire behandeling</para>
    <para>(van het KB 164)   is gesteld dat gezocht werd die overeenstemming te</para>
    <para>bereiken.</para>
    <para>'s Raads president heeft bij brief van 22 november 1994 vragen voorgelegd</para>
    <para>aan gedaagde, waarbij, zeer kort samengevat, is aangegeven dat de meest</para>
    <para>gerede interpretatie van de geciteerde verdragsbepaling deze lijkt te zijn,</para>
    <para>dat het genieten van de voorrechten en immuniteiten - waaronder blijkens</para>
    <para>artikel 33 van het verdrag mede te begrijpen de vrijstelling van de</para>
    <para>verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen - afhankelijk is van</para>
    <para>twee, cumulatieve, voorwaarden, te weten het niet zijn van onderdaan van de</para>
    <para>ontvangende staat en het niet duurzaam verblijf houden in die staat.</para>
    <para>Zo gelezen, zou het niet voldoen aan één van deze twee voorwaarden</para>
    <para>ingevolge artikel 37, lid 2, van het verdrag moeten leiden tot het niet</para>
    <para>verlenen van voorrechten en immuniteiten, hetgeen in het geval van eiseres</para>
    <para>zou betekenen dat   haar duurzaam verblijf in Nederland toereikende grond</para>
    <para>vormt om haar de vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de</para>
    <para>volksverzekeringen te onthouden. Het maken van een uitzondering op de</para>
    <para>nationaalrechtelijke hoofdregel   dat ingezetenschap tot verzekering</para>
    <para>ingevolge (onder meer) de AKW leidt, zou dan   in de situatie van eiseres</para>
    <para>niet in de lijn van het verdrag liggen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In de reactie van gedaagde d.d. 10 februari 1995 is verwezen naar de in</para>
    <para>rubriek   I reeds vermelde brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken</para>
    <para>van 23 december 1994, welke luidt als volgt:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"In antwoord op uw bovenvermelde brief deel ik u het volgende mede.</para>
    <para>De fd. president van de Centrale Raad van Beroep suggereert aan het slot</para>
    <para>van zijn brief aan de SVB, van 22 november 1994 dat aan de bepalingen van</para>
    <para>KB 557 en   van KB 164 die de verzekeringspositie van ambassadepersoneel</para>
    <para>e.d. ingevolge de volksverzekeringen regelen, een onjuiste interpretatie</para>
    <para>ten grondslag is gelegd van artikel 37, tweede lid van het Weense Verdrag</para>
    <para>inzake diplomatieke verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159).</para>
    <para>Ik wijs u erop dat een zodanige suggestie uitgebreid aan de orde is geweest</para>
    <para>bij   de ambtelijke voorbereiding van de herziening van KB 557.</para>
    <para>Toen is ook de veronderstelling geuit dat al de personen die in Nederland</para>
    <para>wonen en die geen beroep kunnen doen op de bepalingen inzake voorrechten</para>
    <para>en immuniteiten, omdat zij daar niet onder vallen, tot de kring van</para>
    <para>verzekerden volksverzekeringen zouden moeten behoren. Deze veronderstelling</para>
    <para>is echter onjuist. Het staat de wetgever immers in het kader van de Weense</para>
    <para>verdragen vrij personen tot de kring van verzekerden toe te laten mits</para>
    <para>daarmee maar niet degenen verplicht zijn verzekerd te worden die een beroep</para>
    <para>op de Weense voorrechten en immuniteiten kunnen doen. Trouwens als de kring</para>
    <para>wel tot die personen zou worden uitgebreid, heeft dat geen effect ten</para>
    <para>aanzien van degenen die niet mee willen doen.</para>
    <para>Aan de andere kant is de wetgever niet verplicht degenen die geen beroep op</para>
    <para>voorrechten en immuniteiten kunnen doen, automatisch tot de kring van</para>
    <para>verzekerden toe te laten. Kort gesteld: de Weense verdragen verplichten tot</para>
    <para>vrijstelling maar niet tot verzekering. De nationale wetgever mag zelf de</para>
    <para>aansluitingsvoorwaarden voor verzekering vaststellen.</para>
    <para>Bij de totstandkoming van KB 557 en KB 164 heeft de wetgever in grote</para>
    <para>lijnen de   Weense verdragen gevolgd bij de bepaling van de kring van</para>
    <para>verzekerden, c.q. de beperking. Er zijn echter enkele getalsmatig kleine</para>
    <para>groepen die geen beroep op de voorrechten en immuniteiten kunnen doen en</para>
    <para>evenmin tot de kring verzekerden volksverzekeringen behoren, ondanks dat</para>
    <para>zij in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichten en soms tevens</para>
    <para>hier wonen. Het gaat dan om personen die of hier niet wonen of geen</para>
    <para>Nederlander (of daarmee gelijkgesteld) zijn of beide.</para>
    <para>Voor de uitsluiting hebben verschillende redenen een rol gespeeld.</para>
    <para>De voornaamste reden is dat door de wetgever de band met Nederland</para>
    <para>verondersteld werd gering te zijn, althans geringer dan het land waar men</para>
    <para>vandaan komt en/of bij welke ambassade of consulaat men werkzaam is.</para>
    <para>Ook de opstelling van een groot aantal buitenlandse vertegenwoordigingen</para>
    <para>hier te lande om niet als werkgever aangemerkt te willen worden en</para>
    <para>evenmin bekend te maken welke personen bij de vertegenwoordiging werkzaam</para>
    <para>zijn, heeft hierbij een rol gespeeld.</para>
    <para>Tot slot wijs ik u er wellicht ten overvloede op dat de sociale</para>
    <para>verzekeringspositie van de hier besproken groep personen anders kan liggen</para>
    <para>op basis van de aanwijsregels inzake toepasselijke wetgeving van de</para>
    <para>coördinatieverdragen sociale zekerheid en van Verordening (EEG) nr.</para>
    <para>1408/71.</para>
    <para>Ik vertrouw erop u hiermede ons standpunt te hebben uiteengezet.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad constateert dat dit betoog niet geheel spoort met de reeds vermelde</para>
    <para>suggestie van overeenstemming tussen nationaalrechtelijke regeling en</para>
    <para>verdrag; gewezen kan worden op -onder meer- de toelichting bij het KB 164,</para>
    <para>waarin de conformiteit van artikel 11, lid 2, met artikel 37, leden 2 en 3,</para>
    <para>van het verdrag met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht.</para>
    <para>Anderzijds moet, in verband met het gestelde in de brief, worden vastgesteld</para>
    <para>dat de categorie personen waartoe eiseres behoort, reeds voor de</para>
    <para>inwerkingtreding van het verdrag voor Nederland en voor de totstandkoming</para>
    <para>van het bovenvermelde KB van 20 augustus 1984 van de verzekeringsplicht</para>
    <para>ingevolge de volksverzekeringen was uitgesloten en dat dit KB slechts een</para>
    <para>aanpassing aan het verdrag van de positie van "particuliere bedienden" bij</para>
    <para>buitenlandse zendingen beoogde te bewerkstelligen, daarbij de positie van</para>
    <para>"toegevoegde ambtenaren" ongewijzigd latend; dit laatste geldt eveneens</para>
    <para>voor de vervanging van het KB 557 door het KB 164.</para>
    <para>De tekst van de opeenvolgende regelingen laat derhalve geen twijfel bestaan</para>
    <para>aan   de constante bedoeling van de regelgever om de categorie personen</para>
    <para>waartoe eiseres behoort van de verzekeringsplicht ingevolge de</para>
    <para>volksverzekeringen uit te sluiten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de Raad kan voorts, bij het aanhouden van de hierboven</para>
    <para>als   meest gerede aangeduide interpretatie van artikel 37, lid 2, van het</para>
    <para>verdrag, niet staande worden gehouden dat het niet voldoen aan de</para>
    <para>voorwaarden om op grond van het verdrag aanspraak te maken op voorrechten</para>
    <para>en immuniteiten tot een rechtens afdwingbare aansluiting bij het</para>
    <para>Nederlandse stelsel van volksverzekeringen leidt. Derhalve is er geen grond</para>
    <para>om de hier toepasselijke KB-bepalingen uit hoofde van strijd met het</para>
    <para>verdrag buiten toepassing te laten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat gedaagdes bestreden</para>
    <para>beslissingen in rechte stand kunnen houden, zodat de aangevallen uitspraak</para>
    <para>voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    <para>Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr H.J. Grendel en</para>
    <para>mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr S. Breuls als</para>
    <para>griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 20 september 1995 door voornoemde</para>
    <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
  <para />
  <para>(get.) S. Breuls.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene</para>
    <para>Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar</para>
    <para>alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij</para>
    <para>of krachtens een der artikelen 1, tweede en derde lid, 2, 3 en 6 van die</para>
    <para>wet.</para>
    <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen twee maanden nadat dit afschrift der</para>
    <para>uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de</para>
    <para>Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>