<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:54:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB3109</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0439</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Premie 94/155</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=4&amp;g=1995-02-22">Coördinatiewet Sociale Verzekering 4</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1995/215 met annotatie van C.F. de Lemos Benvindo</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-03T11:53:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109 Centrale Raad van Beroep , 22-02-1995 / Premie 94/155</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De bewijslast m.b.t. betalingen aan niet met name genoemde personen is aldus dat allereerst de bedrijfsvereniging gezien de gevraagde gegevens en inlichtingen zich op het standpunt moet kunnen stellen dat van premieloon sprake is. Vervolgens dient de ondernemer aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Slaagt de ondernemer daar niet in dan geldt voor deze (in bezwaar en beroep) de verzwaring van de bewijslast in de zin dat deze heeft aan te tonen dat niet van premieloon sprake is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3109:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Premie 1994/155</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>O.</para>
    <para>U I T S P R A A K</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [A.] en [B.], handelend onder de naam [handelsnaam],</para>
    <para>gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder dagtekening 11 mei 1992 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld</para>
    <para>van de   beslissing om over de jaren 1986, 1987 en 1988 nader premies vast</para>
    <para>te stellen ingevolge de -toenmalige- Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet</para>
    <para>op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet (hierna: de</para>
    <para>WW, ZW, WAO en Zfw) tot een bedrag van f. 25.396,- in totaal over in de</para>
    <para>administratie van gedaagde als acquisitiekosten geboekte bedragen.</para>
    <para>Appellant heeft daartoe in de bestreden beslissing het volgende overwogen:</para>
    <para>"Uit een gehouden looncontrole is gebleken dat u in bovengenoemde jaren</para>
    <para>betalingen heeft gedaan, verantwoord  onder 'acquisitiekosten', aan</para>
    <para>personen waarvan u de personalia niet heeft willen bekendmaken.</para>
    <para>Het bestuur heeft deze gegevens nodig om te kunnen bepalen of deze personen</para>
    <para>voor u werkzaamheden hebben verricht in een arbeidsverhouding op grond</para>
    <para>waarvan zij verzekerd zijn ingevolge bovengenoemde sociale</para>
    <para>verzekeringswetten. Ingevolge artikel 61 van de Organisatiewet Sociale</para>
    <para>Verzekering (OSV), vanaf</para>
    <para>1 januari 1989 ingevolge artikel 50a OSV, bent u verplicht deze gegevens te</para>
    <para>verstrekken. U heeft derhalve geweigerd gegevens te verstrekken waartoe u</para>
    <para>ingevolge een wettelijke bepaling gehouden bent.</para>
    <para>Evenmin heeft u op een andere, voor de bedrijfsvereniging voldoende</para>
    <para>controleerbare wijze aangetoond dat de onderhavige betalingen niet zijn</para>
    <para>gedaan aan personen die tot u in een verzekeringsplichtige</para>
    <para>arbeidsverhouding staan.</para>
    <para>In aanmerking genomen dat de bedrijfsvereniging niet in staat gesteld is</para>
    <para>door eigen onderzoek het bestaan en/of de aard van de arbeidsverhouding te</para>
    <para>beoordelen, neemt de bedrijfsvereniging aan dat de personen aan wie de</para>
    <para>bovenbedoelde betalingen zijn gedaan als werknemer in de zin van de</para>
    <para>eerdergenoemde sociale verzekeringswetten zijn aan te merken.</para>
    <para>Op grond van het bovenstaande worden de bedragen die u over de jaren 1986,</para>
    <para>1987 en 1988 heeft uitbetaald aan onbekende personen, aangemerkt als loon</para>
    <para>in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).</para>
    <para>Ingevolge de in de aanhef vermelde sociale verzekeringswetten bent u als</para>
    <para>werkgever over dit loon premie verschuldigd.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 22 december</para>
    <para>1993 het beroep dat namens gedaagde tegen deze beslissing is ingesteld,</para>
    <para>gegrond   verklaard en de bestreden beslissing vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Bij</para>
    <para>aanvullend beroepschrift van 9 mei 1994 (met bijlagen) zijn de gronden,</para>
    <para>waarop het hoger beroep berust, uiteengezet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 10 oktober 1994 (met bijlagen) heeft gedaagde van contra-</para>
    <para>memorie gediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 11</para>
    <para>januari 1995, waar van de zijde van appellant is verschenen mr A.C.J.M.</para>
    <para>Schröder, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Gedaagde</para>
    <para>is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde mr W. Eenhoorn,</para>
    <para>belastingadviseur te 's-Gravenhage.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij een door appellant in 1990 ingestelde looncontrole met betrekking tot</para>
    <para>de jaren 1986, 1987 en 1988 zijn in de administratie van gedaagde  bedragen</para>
    <para>van in totaal ruim f 55.000,-- netto aangetroffen, geboekt als</para>
    <para>"acquisitiekosten". Gedaagde heeft desgevraagd medegedeeld, zowel aan</para>
    <para>appellant als aan de fiscale autoriteiten, dat deze bedragen zijn uitbetaald</para>
    <para>aan (werknemers van) derden, teneinde een zakelijk relatienet te</para>
    <para>verkrijgen, respectievelijk te behouden. Desgevraagd is vanwege gedaagde</para>
    <para>bij brief van 11 juni 1991 nog een uitvoerige toelichting verstrekt. Voorts</para>
    <para>heeft op 6 september 1991 nog een nader onderzoek   plaatsgevonden. Het</para>
    <para>vorenstaande heeft geleid tot de thans in geding zijnde beslissing.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de betalingen aan</para>
    <para>anonieme personen, welke als "acquisitiekosten" in gedaagdes boeken zijn</para>
    <para>geboekt, moeten worden aangemerkt als loon in de zin van de CwSV (standpunt</para>
    <para>van appellant), dan wel als aan (werknemers van) derden gedane</para>
    <para>betalingen teneinde een zakelijk relatienet te verkrijgen, respectievelijk</para>
    <para>te behouden (standpunt van gedaagde).</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge artikel 61 (thans 50a) van de OSV rust op de ondernemer/werkgever</para>
    <para>de plicht opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en</para>
    <para>omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de sociale-</para>
    <para>verzekeringswetten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant huldigt de opvatting, dat de werkgever die betalingen verricht</para>
    <para>aan niet met name genoemde personen weliswaar niet steeds gehouden is de</para>
    <para>personalia   van de betreffende personen aan het uitvoeringsorgaan te verstrekken,</para>
    <para>doch ten genoegen van het uitvoeringsorgaan op andere wijze dient</para>
    <para>aan te tonen dat deze betalingen niet zijn gedaan ter zake van</para>
    <para>werkzaamheden verricht in een (fictieve) dienstbetrekking. Daarbij beroept</para>
    <para>appellant zich op de door deze Raad in 1990 en 1991 ter zake van tipgelden</para>
    <para>gevormde jurisprudentie.</para>
    <para>Gedaagde is de mening toegedaan, dat in een situatie als de onderhavige de</para>
    <para>bewijslast dat de betalingen aan anonieme personen wel loon in de zin van</para>
    <para>de CwSV zijn, op appellant rust.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad overweegt, mede gelet op de coördinatie van het loonbegrip in de</para>
    <para>CwSV en de Wet op de Loonbelasting, en in zoverre in afwijking van zijn in</para>
    <para>1991 gevormde jurisprudentie het volgende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In zijn arresten van 12 februari 1992 (rolnr. 27 677) en 29 april 1992</para>
    <para>(rolnr. 27 655), gepubliceerd in BNB onder nummers 1992/148 respectievelijk</para>
    <para>1992/332,   heeft de Hoge Raad met betrekking tot de op de betrokken</para>
    <para>werkgever rustende informatieplicht ingevolge art. 48 aanhef en onder a van</para>
    <para>de Algemene wet inzake rijksbelastingen -welk artikel gelijkenis vertoont</para>
    <para>met artikel 50 a van de OSV- jegens de inspecteur enkele punten</para>
    <para>aangegeven aan de hand waarvan kan worden bepaald op wie de bewijslast rust</para>
    <para>dat de betaalde gelden al dan niet als loon dienen te worden aangemerkt.</para>
    <para>In rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 29 april 1992 overweegt de Hoge</para>
    <para>Raad:</para>
    <para>"Indien een inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen</para>
    <para>dat uit de gevraagde gegevens en inlichtingen kan blijken dat de als</para>
    <para>steekpenningen geboekte bedragen zijn uitbetaald aan personen ten aanzien</para>
    <para>van wie bij degene die de betalingen heeft gedaan inhoudingsplicht bestaat,</para>
    <para>ligt het op diens weg aannemelijk te maken dat dit niet het geval is.</para>
    <para>Slaagt hij daarin niet, dan geldt de verplichting van artikel 48, aanhef</para>
    <para>en letter a, van de Wet (lees: Algemene wet inzake rijksbelastingen) en</para>
    <para>zijn bij niet-nakoming van die verplichting de artikelen 25, lid 3, en</para>
    <para>29, lid 1, van de Wet van toepassing.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter terechtzitting van de Raad heeft appellants gemachtigde naar voren</para>
    <para>gebracht deze overweging zo te lezen, dat de bedrijfsvereniging ervan</para>
    <para>uitgaat dat een werkgever verplicht is (alle) gevraagde gegevens over zijn</para>
    <para>werknemers te verstrekken als niet is uitgesloten dat er sprake is van een</para>
    <para>(fictieve) dienstbetrekking en daarmede van loon in de zin van de CwSV.</para>
    <para>Anders dan appellant leest de Raad deze overweging in samenhang met de</para>
    <para>overige overwegingen van de Hoge Raad in beide arresten aldus, dat</para>
    <para>allereerst appellant   zich in redelijkheid op het standpunt dient te</para>
    <para>kunnen stellen dat uit de gevraagde gegevens en inlichtingen kan blijken</para>
    <para>dat sprake kan zijn van premieloon. Vervolgens dient gedaagde (slechts)</para>
    <para>aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Eerst wanneer gedaagde</para>
    <para>daarin niet slaagt, kan premie vastgesteld worden en geldt voor haar (in</para>
    <para>bezwaar en beroep) de verzwaring van de bewijslast in die zin dat zij zal</para>
    <para>moeten aantonen dat er geen sprake is van bedragen die zijn uitbetaald aan</para>
    <para>personen ten aanzien van wie zij inhoudingsplichtige is.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder verwijzing naar uitspraken van het Hof 's-Gravenhage van 14 juli</para>
    <para>1960, BNB 1961/157, en het Hof Arnhem van 7 juni 1974, BNB 1975/57, waarin</para>
    <para>criteria zijn ontwikkeld met behulp waarvan men aannemelijk kan maken dat</para>
    <para>er sprake is geweest van het betalen van steekpenningen aan derden, heeft</para>
    <para>gedaagde erop gewezen, dat de gepleegde betalingen zijn opgenomen in een</para>
    <para>immer -ook vóór de in geding zijnde periode- als betrouwbaar</para>
    <para>gekwalificeerde en goedgekeurde boekhouding. Voorts, dat deze betalingen</para>
    <para>-door gedaagde ook bestempeld als diepte-investeringen die geen direct</para>
    <para>aantoonbaar resultaat laten zien- in relatie tot de omzet gering waren, dat</para>
    <para>de fiscus deze betalingen, met inbegrip van de onderhavige, altijd als</para>
    <para>zodanig heeft aanvaard en dat in de branche waarin gedaagde werkzaam is het</para>
    <para>betalen van tipgelden gebruikelijk is. Daarnaast heeft gedaagde aangeboden</para>
    <para>dat getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren dat de kosten zijn</para>
    <para>gemaakt ter verkrijging of behoud van orders en dat daarvoor aan derden,</para>
    <para>niet zijnde personeel, betalingen zijn gedaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is van oordeel dat hetgeen van de zijde van gedaagde blijkens de</para>
    <para>gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting (van meet af aan)</para>
    <para>feitelijk   consistent is aangevoerd, voldoende grond vormt om tot het</para>
    <para>oordeel te komen dat   gedaagde aan de op haar rustende bewijslast heeft</para>
    <para>voldaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het vorenstaande alsmede op artikel 22, derde lid, van de</para>
    <para>Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant een recht van f</para>
    <para>600,-- dient te worden geheven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De eerste rechter heeft uitspraak gedaan voor 1 januari 1994. Gelet op</para>
    <para>hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 5 april 1994,</para>
    <para>gepubliceerd in JB 1994/85, worden de kosten van het geding in eerste</para>
    <para>aanleg in zo'n geval niet betrokken in een proceskostenveroordeling op</para>
    <para>grond van artikel 8:75 van de Awb.   Gedaagde zal zich voor de vergoeding</para>
    <para>van die kosten kunnen verstaan met appellant en bij een eventueel geschil</para>
    <para>de burgerlijke rechter kunnen adiëren met een vordering tot schadevergoeding</para>
    <para>op grond van onrechtmatige daad.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met betrekking tot de kosten van het geding in hoger beroep acht de Raad</para>
    <para>termen   aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te</para>
    <para>veroordelen in de   kosten van de aan gedaagde verleende rechtsbijstand,</para>
    <para>begroot op f 1.420,--. Van   andere kosten op grond van dat artikel te</para>
    <para>vergoeden is de Raad niet gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad beslist mitsdien als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Bepaalt dat van appellant een recht van f 600,-- wordt geheven;</para>
    <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot</para>
    <para>een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door appellants bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr A.F.M.</para>
    <para>Brenninkmeijer en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid</para>
    <para>van P.S. van Gelein Vitringa als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
    <para>in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) L.H. Vogt.          (get.) P.S. van Gelein Vitringa.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördi-</para>
    <para>natiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie</para>
    <para>instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van</para>
    <para>het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die</para>
    <para>wet.</para>
    <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen 6 weken nadat dit afschrift der</para>
    <para>uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de</para>
    <para>Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>