<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:42:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB3038</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0538</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAO 93/117</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=53&amp;g=1995-05-31">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 53</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=57&amp;g=1995-05-31">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1995, 593 met annotatie van W.A. Sinnighe Damsté</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1996/19</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-18T09:43:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038 Centrale Raad van Beroep , 31-05-1995 / WAO 93/117</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verrekening van een vordering jegens een overleden uitkeringsgerechtigde met aan de echtgenote toekomende overlijdensuitkering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3038:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>WAO 1993/117                                   O.</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen :</para>
  <para />
  <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, eiser,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>
    [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 26 mei 1992 heeft eiser aan gedaagde kennis gegeven van de</para>
    <para>beslissing, inhoudende verrekening van een nog uitstaande vordering jegens</para>
    <para>wijlen [naam echtgenoot] ad</para>
    <para>f 22.525,- wegens onverschuldigd aan hem betaalde uitkering ingevolge de</para>
    <para>Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met een aan gedaagde</para>
    <para>toekomende overlijdensuitkering en een nabetaling wegens vakantiegeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 25 maart 1993</para>
    <para>het namens gedaagde tegen die beslissing ingestelde beroep gegrond</para>
    <para>verklaard en de bestreden beslissing vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eiser heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op de gronden,</para>
    <para>aangevoerd in een aanvullend beroepschrift van 8 september 1993, is de Raad</para>
    <para>verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en de bestreden beslissing</para>
    <para>alsnog te bevestigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 31 augustus</para>
    <para>1994, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M.A.B. Vogt,</para>
    <para>werkzaam bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid en waar gedaagde</para>
    <para>in persoon is verschenen, bijgestaan door</para>
    <para>mr ir A.F. van Dam, advocaat en procureur te Arnhem.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens is de Raad gebleken dat het noodzakelijk was de behandeling van</para>
    <para>het geding aan te houden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De behandeling van het geding is voortgezet ter terechtzitting van de</para>
    <para>Raad van 26 april 1995, waar eiser zich niet heeft laten vertegenwoordigen</para>
    <para>en waar gedaagde in persoon is verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
    <para>werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
    <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
    <para>onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
    <para>procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de</para>
    <para>mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in de artikelen</para>
    <para>8:75 en 8:75a van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagdes echtgenoot, [naam echtgenoot], die op 7 februari 1992 is overleden,</para>
    <para>ontving een uitkering ingevolge de WAO, welke sedert 5 november 1990 was</para>
    <para>berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiser</para>
    <para>heeft bij beslissing van 11 mei 1990 een bedrag van</para>
    <para>
      [naam echtgenoot] teruggevorderd van f 22.525,- wegens over de periode van 1</para>
    <para>maart 1984 tot en met 28 februari 1989 overschuldigd betaalde uitkering</para>
    <para>ingevolge de WAO. Het tegen die beslissing ingestelde beroep is bij</para>
    <para>beschikking ex artikel 94 van de Beroepswet d.d. 6 december 1990</para>
    <para>niet-ontvankelijk verklaard en het tegen deze beschikking gedane verzet is</para>
    <para>bij uitspraak van de toenmalige Raad van Beroep te Arnhem d.d. 26 maart</para>
    <para>1991 ongegrond verklaard, zodat de beslissing van 11 mei 1990 rechtens</para>
    <para>verbindend is geworden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In dit geding is tussen partijen in geschil de vraag of het ten tijde van</para>
    <para>de bestreden beslissing nog resterende deel van bovengenoemde vordering op</para>
    <para>
      [naam echtgenoot] op grond van artikel 57 van de WAO kan worden verrekend met de</para>
    <para>aan gedaagde op grond van artikel 53 van de WAO toekomende</para>
    <para>overlijdensuitkering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad beantwoordt die vraag, evenals de eerste rechter, ontkennend en</para>
    <para>overweegt daartoe als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van artikel 57 van de WAO is de bedrijfsvereniging onder bepaalde</para>
    <para>voorwaarden bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald</para>
    <para>geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, of in mindering te brengen op</para>
    <para>een later te betalen uitkering op grond van deze wet of de Algemene</para>
    <para>Arbeidsongeschiktheidswet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Van de zijde van eiser is in hoofdzaak betoogd dat laatstgenoemde</para>
    <para>verrekeningsmogelijkheid zich niet alleen kan voordoen in de situatie</para>
    <para>waarin degene aan wie eerder onverschuldigd uitkering ingevolge de WAO werd</para>
    <para>betaald dezelfde persoon is die thans recht heeft op (uitbetaling van) de</para>
    <para>uitkering waarmee eiser wil verrekenen. Naar eisers oordeel is in casu</para>
    <para>doorslaggevend dat zowel eisers vordering als het aan gedaagde toekomende</para>
    <para>recht op uitkering ingevolge artikel 53 WAO dezelfde oorzaak hebben,</para>
    <para>namelijk beide het gevolg zijn van het aan wijlen gedaagdes echtgenoot</para>
    <para>toegekende recht op uitkering ingevolge de WAO.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan eiser hierin niet volgen. Naar het oordeel van de Raad richt</para>
    <para>deze bepaling zich slechts tot de persoon of de instelling aan wie</para>
    <para>respectievelijk aan welke betaling heeft plaatsgevonden. Indien de</para>
    <para>uitkeringsgerechtigde is overleden treden de erven en rechtverkrijgenden</para>
    <para>hierbij in de plaats van de overledene, hetgeen echter niet betekent dat</para>
    <para>artikel 57 van de WAO grond biedt   om te verrekenen met een aan een van de</para>
    <para>erfgenamen van de uitkeringsgerechtigde toekomende overlijdensuitkering.</para>
    <para>De onderhavige terugvorderingsbeslissing d.d. 11 mei 1990</para>
    <para>was gericht aan [naam echtgenoot] en het nog niet terugbetaalde deel van die</para>
    <para>vordering maakt na diens overlijden deel uit van de nalatenschap, tot</para>
    <para>welke nalatenschap gedaagde zich verhoudt als mede-erfgename (gedaagde</para>
    <para>heeft de erfenis aanvaard). De overlijdensuitkering komt op grond van het</para>
    <para>bepaalde in artikel 53, lid 1 sub a van de WAO rechtstreeks toe aan</para>
    <para>gedaagde als echtgenote van de overledene en kan om die reden niet</para>
    <para>verrekend worden met de nog uitstaande schuld van de overledene. Een en</para>
    <para>ander is ook in overeenstemming met het doel van de krachtens artikel 53</para>
    <para>van de WAO verstrekte uitkering, welke is bestemd voor het dekken van</para>
    <para>plotseling opkomende kosten wegens overlijden. Bij wet van 13 december</para>
    <para>1990, houdende vaststelling van een algemene regeling van beslag op loon,</para>
    <para>sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen, Stb. 1990, 605, is</para>
    <para>blijkens de Memorie van Toelichting om die reden onder meer ook aan</para>
    <para>artikel 53 van de WAO een lid toegevoegd, waarbij is bepaald dat deze</para>
    <para>uitkering niet vatbaar is voor beslag.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad meent voor zijn oordeel dat een verrekening als de onderhavige niet</para>
    <para>behoort plaats te vinden, ook steun te vinden in artikel 6:127, lid 2 en 3</para>
    <para>van het Burgerlijk Wetboek, waarin onder meer is bepaald dat de bevoegdheid</para>
    <para>tot verrekening van schulden alleen bestaat jegens dezelfde wederpartij</para>
    <para>en mits vordering en schuld niet in van elkaar gescheiden vermogens vallen.</para>
    <para>Voorts is op grond van artikel 6:135, aanhef en sub a van het BW bepaald</para>
    <para>dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening, voorzover beslag op</para>
    <para>de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad merkt ten slotte op, dat de uitspraken van de Raad waarop eiser</para>
    <para>zich heeft beroepen (gepubliceerd in RSV 1985/195 en RSV 1987/121) niet tot</para>
    <para>een ander oordeel behoeven te leiden, nu daarin aan de orde was</para>
    <para>terugvordering van aan een verzekerde onverschuldigd betaalde uitkering</para>
    <para>van zijn enige erfgename, respectievelijk terugvordering van ten onrechte</para>
    <para>aan de echtgenote van een (overleden) verzekerde uitbetaalde uitkering van</para>
    <para>die echtgenote. Dat de Raad zodanige terugvorderingen in beginsel</para>
    <para>mogelijk heeft geacht impliceert geenszins de toelaatbaarheid van een</para>
    <para>verrekening als de onderhavige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gezien het vorenstaande, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging</para>
    <para>aanmerking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorzover namens gedaagde is beoogd een vergoeding voor gederfde rente te</para>
    <para>vorderen, overweegt de Raad dat de op het onderhavige geding (naast artikel</para>
    <para>8:75 van de Awb) van toepassing zijnde bepalingen van de Beroepswet</para>
    <para>hiertoe geen mogelijkheid bieden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is voorts van oordeel dat er aanleiding is om eiser op grond van</para>
    <para>artikel 8:75 van de Awb als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen</para>
    <para>in de kosten aan de zijde van gedaagde in hoger beroep gevallen, welke zijn</para>
    <para>begroot op f 710,-, als kosten van rechtsbijstand en f 63,74 als</para>
    <para>reiskosten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tenslotte dient, gelet op artikel 80a (oud) van de Beroepswet, van eiser</para>
    <para>een recht van f 200,- te worden geheven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Gezien het vorenstaande, dient te worden beslist als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Veroordeelt eiser in de proceskosten van gedaagde tot</para>
    <para>een bedrag groot f 773,74, te betalen door eisers bedrijfsvereniging aan</para>
    <para>de griffier van de Raad.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en</para>
    <para>mr H.C. Cusell en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van</para>
    <para>M.M. van Maurik als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 1995 door</para>
    <para>mr H.C. Cusell als voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde</para>
    <para>griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) H.C. Cusell.           (get.) C.G.L. Plomp.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) M.M. van Maurik.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>