<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2679</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:35:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB2679</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW 93/1185</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2679">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2679</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:35:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2679 Centrale Raad van Beroep , 06-06-1995 / AAW 93/1185</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2679:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Referteperiode; perioden arbeidsongeschiktheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2679:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AAW 1993/1185</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische</para>
      <para>Bedrijven, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is mr P. Marie, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift</para>
      <para>aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 6 augustus 1993</para>
      <para>tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad</para>
      <para>op 9 mei 1995, waar voor eiser is verschenen</para>
      <para>mr M.J. Klinkert, kantoorgenoot van mr Marie voornoemd, terwijl voor</para>
      <para>gedaagde is verschenen mr H. de Jong, werkzaam bij het Gezamenlijk</para>
      <para>Uitvoeringsorgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
      <para>werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
      <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
      <para>onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
      <para>procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de</para>
      <para>mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75</para>
      <para>van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bestreden beslissing van 25 november 1991 heeft gedaagde de</para>
      <para>uitkering van eiser ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW),</para>
      <para>welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van 25 tot 35% (bedoeld zal zijn: 35 tot 45%), met ingang van  1 december 1991</para>
      <para>ingetrokken, onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>met ingang van die datum minder dan 25% was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In geding is de vraag of deze beslissing in rechte stand kan houden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de</para>
      <para>eerste rechter, bevestigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende gegevens van</para>
      <para>de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) berust de beslissing op een</para>
      <para>beoordeling volgens welke eiser, die laatstelijk werkzaam was als</para>
      <para>zelfstandig landbouwer en in de loop van 1989 zijn bedrijf heeft verkocht,</para>
      <para>op de datum in geding in staat was met passende werkzaamheden in loondienst</para>
      <para>een zodanig inkomen te verwerven dat in vergelijking met het voor hem</para>
      <para>geldende maatmaninkomen geen voor de toepassing van de AAW relevant verlies</para>
      <para>aan verdiencapaciteit resteert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent ook</para>
      <para>de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de op verzoek van de eerste</para>
      <para>rechter door de longarts G.G.M. Versijp en de orthopaedisch chirurg</para>
      <para>B.F. van den Bosch op 4 september 1992 en 17 november 1992 respectievelijk</para>
      <para>op 16 april 1993 omtrent eiser uitgebrachte rapporten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit genoemde rapporten komt met een genoegzame mate van zekerheid naar</para>
      <para>voren dat de belastbaarheid van eiser door de verzekeringsgeneeskundige van</para>
      <para>de GMD niet is onderschat en dat eiser op de datum in geding in staat</para>
      <para>moet worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens eiser onder meer naar voren gebracht dat bij het</para>
      <para>vaststellen van de voor eiser geldende beperkingen ten onrechte geen</para>
      <para>rekening is gehouden met eisers psychische problematiek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 4 oktober 1994 heeft gedaagdes verzekeringsgeneeskundige</para>
      <para>J.P. Janssen op deze stelling gereageerd. Hieruit blijkt onder meer dat</para>
      <para>door de verzekeringsgeneeskundige van de GMD bij het opstellen van het voor</para>
      <para>eiser geldende belastbaarheidspatroon wel degelijk rekening is gehouden met</para>
      <para>een psychische component, in die zin dat daarbij is uitgegaan van een</para>
      <para>beperkte psychische draagkracht, hetgeen tot uitdrukking is gebracht door</para>
      <para>het aangeven in dat belastbaarheidspatroon van een aantal psychische</para>
      <para>beperkingen. Voorts is  erop gewezen dat de verzekeringsgeneeskundige bij</para>
      <para>het vaststellen van eisers beperkingen zich mede heeft kunnen baseren op</para>
      <para>een uitgebreid expertiseverslag d.d. 18 juli 1986 van de psychiater A.P.K. van Eekeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, alle beschikbare medische gegevens overziende, en daarbij gelet</para>
      <para>op de omstandigheid dat eiser ter onderbouwing van zijn eigen opvatting</para>
      <para>geen medische gegevens heeft aangedragen die zouden wijzen in de richting</para>
      <para>van een verslechtering van zijn psychische gezondheidssituatie op de datum</para>
      <para>in geding ten opzichte van die ten tijde van het onderzoek door voornoemde</para>
      <para>psychiater in 1986, niet tot het oordeel kunnen geraken dat er sprake is</para>
      <para>van zodanige beperkingen op het psychische vlak dat eiser als gevolg</para>
      <para>daarvan op de datum in geding buiten staat zou moeten worden geacht de door</para>
      <para>de GMD geselecteerde werkzaamheden te verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts kan de Raad eiser niet volgen in diens grief dat functies in</para>
      <para>loondienst aan hem, als voormalig zelfstandig landbouwer, niet in</para>
      <para>billijkheid zijn op te dragen. Naar de Raad reeds vaker als zijn oordeel</para>
      <para>heeft doen blijken brengt het enkele feit van bedrijfsbeëindiging met</para>
      <para>zich dat aan een alsdan voormalig zelfstandige ook functies in loondienst</para>
      <para>kunnen worden voorgehouden ter bepaling van diens resterende</para>
      <para>verdiencapaciteit. Anders dan namens eiser bepleit maakt de lange duur dat</para>
      <para>eiser als zelfstandig agrariër werkzaam is geweest dit oordeel niet</para>
      <para>anders. Datzelfde geldt voor eisers leeftijd, in welk verband de Raad</para>
      <para>opmerkt dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling</para>
      <para>leeftijd op zich geen relevant criterium vormt ter beantwoording van de</para>
      <para>vraag of functies in billijkheid zijn op te dragen, terwijl voorts gesteld</para>
      <para>noch gebleken is dat ten aanzien van de voor eiser geschikt geachte</para>
      <para>functies een functionele leeftijdsgrens zou gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De derde namens eiser opgeworpen grief betreft de vaststelling van het</para>
      <para>voor eiser geldende maatmaninkomen. Dienaangaande overweegt de Raad als</para>
      <para>volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is in 1987 voor zijn werkzaamheden als zelfstandig landbouwer</para>
      <para>uitgevallen. Zoals de Raad eerder in zijn jurisprudentie tot uitdrukking</para>
      <para>heeft gebracht, onder meer in zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1993/298,</para>
      <para>dient bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige voor</para>
      <para>de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt te</para>
      <para>gelden de door de fiscus aanvaarde netto-winst over de laatste drie</para>
      <para>boekjaren voor  het intreden van de arbeidsongeschiktheid; die winstcijfers</para>
      <para>dienen eerst afzonderlijk geïndexeerd te worden naar de in geding</para>
      <para>zijnde datum, waarna de som van de geïndexeerde winstcijfers vervolgens</para>
      <para>door het getal drie wordt gedeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In genoemde uitspraak heeft de Raad tevens aangegeven welke methode dient</para>
      <para>te worden gevolgd in gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden</para>
      <para>in de loop van het derde, tweede of eerste boekjaar van het bestaan van de</para>
      <para>onderneming. De Raad heeft daarbij onder meer overwogen dat het niet juist</para>
      <para>is om voor de vaststelling van het maatmaninkomen mede inkomensgegevens uit</para>
      <para>het bedrijf van de betrokken verzekerde in aanmerking te nemen die</para>
      <para>betrekking hebben op de periode na het intreden van de arbeidsongeschiktheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de hiervoor weergegeven regels niet zonder meer</para>
      <para>kunnen worden toegepast in het geval van eiser. Uit de ter beschikking</para>
      <para>staande gegevens komt namelijk naar voren dat eiser - die van 1976 tot mei</para>
      <para>1984 samen met zijn broer in vennootschapsverband een landbouwbedrijf</para>
      <para>exploiteerde en na splitsing van dat bedrijf in 1984 met een eigen</para>
      <para>landbouwbedrijf is doorgegaan - wegens arbeidsongeschiktheid al eerder een</para>
      <para>gedeeltelijke uitkering ingevolge de AAW ontving, berekend naar een mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, in het tijdvak vanaf 7 mei 1984 tot aan</para>
      <para>1 mei 1986. Met ingang van laatstgenoemde datum werd die uitkering</para>
      <para>ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geconstateerd kan worden dat in de volgens de hiervoor vermelde regels in</para>
      <para>aanmerking te nemen referteperiode van drie jaar voorafgaande aan het</para>
      <para>intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in 1987, te weten de jaren 1984,</para>
      <para>1985 en 1986, twee jaren (1984 en 1985) zijn gelegen waarin eiser</para>
      <para>gedurende de volle periode waarin hij werkzaam was in het na de</para>
      <para>bedrijfssplitsing ter hand genomen eigen bedrijf, gedeeltelijk</para>
      <para>arbeidsongeschikt is geweest, en een jaar (1986) waarin hij gedurende</para>
      <para>enkele maanden gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel - en acht het in lijn te liggen met zijn hiervoor</para>
      <para>weergegeven jurisprudentie - dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen</para>
      <para>in het geval van eiser de inkomensgegevens over de jaren 1984 en 1985</para>
      <para>buiten aanmerking worden gelaten. Eiser is in die jaren gedurende de volle</para>
      <para>periode gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest, in verband waarmee het in</para>
      <para>die jaren verworven  inkomen naar het oordee l van de Raad niet geacht kan</para>
      <para>worden een representatief beeld te geven van de verdiencapaciteit die</para>
      <para>eiser als volledig gezonde in zijn bedrijf zou kunnen verwerven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat in beginsel alleen de winst over het jaar 1986 maatgevend</para>
      <para>kan worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft het jaar 1986 geldt evenwel dat ook daarin sprake is geweest</para>
      <para>van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zij het slechts gedurende een</para>
      <para>deel van dat jaar.</para>
      <para>Om een zo reëel mogelijk beeld te krijgen van eisers maatgevende inkomen</para>
      <para>acht de Raad het aangewezen de in 1986 behaalde winst toe te rekenen aan</para>
      <para>het tijdvak waarin eiser niet arbeidsongeschikt is geweest alsmede, voor</para>
      <para>een met de mate van de resterende arbeidsgeschiktheid corresponderend</para>
      <para>deel, aan de periode waarin hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat komt erop neer dat de winst ten bedrage van</para>
      <para>f 25.418,51 die eiser in het jaar 1986 heeft behaald, wordt herleid naar</para>
      <para>een maandinkomen waarbij eisers arbeidsprestatie in de maanden mei tot en</para>
      <para>met december, op 100% en in de maanden januari tot en met april op 50%</para>
      <para>wordt gesteld en de winst dienovereenkomstig aan die maanden wordt</para>
      <para>toegerekend. Het per maand omgerekende maatmaninkomen wordt aldus gevonden</para>
      <para>door de jaarwinst van 1986 te delen door 10, hetgeen resulteert in een</para>
      <para>bedrag van f 2.541,85.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen namens eiser dienaangaande naar voren is</para>
      <para>gebracht overweegt de Raad nog dat het (hogere) inkomen dat eiser tot mei</para>
      <para>1984 en in de jaren daarvoor ontving uit het nog ongesplitste bedrijf, in</para>
      <para>het kader van de onderhavige beoordeling niet in aanmerking kan worden</para>
      <para>genomen. De Raad merkt hierbij op dat gesteld noch gebleken is dat bedoelde</para>
      <para>splitsing en de beslissing van eiser door te gaan met een eigen bedrijf</para>
      <para>van een bescheidener omvang en navenant bescheidener inkomsten iets van</para>
      <para>doen hebben gehad met eisers gezondheidssituatie. De Raad ziet dan ook</para>
      <para>geen aanleiding af te wijken van zijn vaste jurisprudentie dat als maatman</para>
      <para>dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de</para>
      <para>verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid. In eisers geval is dit degene die alleen - en niet</para>
      <para>in een maatschap - een landbouwbedrijf exploiteert en werkzaamheden als</para>
      <para>loonwerker verricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt ten slotte vast dat het hiervoor vastgestelde</para>
      <para>maatmaninkomen weliswaar niet is geïndexeerd naar de datum in geding, doch</para>
      <para>dat niet aannemelijk is dat indexering naar de datum in geding een zodanig</para>
      <para>maatmaninkomen zal opleveren dat dit, afgezet tegen de mediane loonwaarde</para>
      <para>verbonden aan de voor eiser passend te achten functies, een voor de AAW</para>
      <para>relevante mate van arbeidsongeschiktheid oplevert. Het maatmaninkomen zou</para>
      <para>dan met meer dan 22% moeten worden verhoogd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat eisers grieven niet kunnen slagen en dat</para>
      <para>de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde</para>
      <para>in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr M.M. van der Kade en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr B. Serno als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 1995 door</para>
      <para>mr M.M. van der Kade als voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.M. van der Kade.     (get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para>(get.) B. Serno.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>