<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:22:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB2579</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0366</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-01-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW/WAO 93/1378</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1995-01-03">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=71&amp;g=1995-01-03">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1995/131</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:35:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579 Centrale Raad van Beroep , 03-01-1995 / AAW/WAO 93/1378</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beleid; gewekte verwachtingen; aanzegjurisprudentie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AAW/WAO 1993/1378                                      O.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep</para>
      <para>gekomen van een door de arrondisementsrechtbank te Arnhem onder</para>
      <para>dagtekening 15 juni 1993 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 22 november 1994,</para>
      <para>waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.E. Francken,</para>
      <para>werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, terwijl voor</para>
      <para>gedaagde is verschenen mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
      <para>werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
      <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
      <para>onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
      <para>procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de</para>
      <para>mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75</para>
      <para>van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 26 januari 1989 heeft eiser geweigerd gedaagde in</para>
      <para>aansluiting op de op 28 december 1988 bereikte maximum uitkeringstermijn</para>
      <para>ingevolge de Ziektewet (ZW) in aanmerking te brengen voor uitkeringen</para>
      <para>ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat hij naar het oordeel van</para>
      <para>eiser weer geschikt werd geacht voor het verrichten van zijn eigen</para>
      <para>werkzaamheden als inwerker bij B.V. X. te B.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagdes beroep tegen die beslissing werd bij uitspraak van de (voormalige)</para>
      <para>Raad van Beroep te Arnhem van 7 september 1990 gegrond verklaard, waarbij met</para>
      <para>vernietiging van die beslissing werd bepaald dat eiser een nieuwe beslissing</para>
      <para>diende te nemen met inachtneming van de uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak berustte op het oordeel van die rechter dat gedaagde ten</para>
      <para>onrechte geschikt was bevonden voor zijn eigen vroegere arbeid bij B.V. X.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft in die uitspraak berust. Na een medisch heronderzoek van</para>
      <para>gedaagde op 5 februari 1991 door de verzekeringsgeneeskundige van de</para>
      <para>Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) heeft gedaagde op 20 februari 1991</para>
      <para>een onderhoud gehad met de aan die dienst verbonden arbeidsdeskundige D.</para>
      <para>Hoogma. Daarbij is aan gedaagde een aantal functies voorgehouden tot het</para>
      <para>vervullen waarvan hij gelet op zijn medische beperkingen nog in staat werd</para>
      <para>geacht, en waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat hij ten</para>
      <para>opzichte van zijn voorheen genoten loon een verlies lijdt van minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bestreden beslissing van 16 juli 1991 heeft eiser daarop wederom</para>
      <para>geweigerd gedaagde in aansluiting op evenvermelde op 28 december 1988</para>
      <para>geëindigde periode waarover ziekengeld is ontvangen, in aanmerking te</para>
      <para>brengen voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In geding is de vraag of deze beslissing in rechte stand kan houden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de eerste rechter beantwoordt de Raad deze vraag op grond van</para>
      <para>het navolgende bevestigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals in de aangevallen uitspraak is overwogen is tussen partijen niet in</para>
      <para>geschil dat gedaagde in aansluiting op de periode waarover hij ziekengeld</para>
      <para>heeft ontvangen, op medische gronden niet buiten staat was tot het</para>
      <para>vervullen van de functies die hem door de GMD zijn voorgehouden en dat hij</para>
      <para>in verband daarmee niet in een voor de AAW en de WAO relevante mate</para>
      <para>arbeidsongeschikt kan worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser niettemin gehouden is</para>
      <para>gedaagde op zorgvuldigheidsgronden in aanmerking te brengen voor een</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter achtte een dergelijke gehoudenheid aanwezig. Daarbij</para>
      <para>heeft die rechter in hoofdzaak overwogen dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- eiser in strijd is gekomen met het beginsel dat een beslissing zorgvuldig</para>
      <para>dient te worden voorbereid, omdat de functies tot het vervullen waarvan</para>
      <para>gedaagde op de in geding zijnde datum 29 december 1988 in staat wordt</para>
      <para>geacht, eerst op 20 februari 1991 door de arbeidsdeskundige aan hem zijn</para>
      <para>voorgehouden, terwijl zich niet de situatie voordoet dat gedaagde ook</para>
      <para>zonder arbeidskundige bemoeienis blijk heeft gegeven op de hoogte te zijn</para>
      <para>(geweest) van de voor hem in aanmerking komende arbeidsmogelijkheden.</para>
      <para>Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank, gegeven het feit dat de</para>
      <para>aanvankelijke beslissing louter berustte op geschiktheid voor het eigen</para>
      <para>vroegere werk bij B.V. X. en niet tevens op geschiktheid voor</para>
      <para>andere passende functies, vóór 20 februari 1991 niet geacht worden op de</para>
      <para>hoogte te zijn geweest van andere voor hem in aanmerking komende</para>
      <para>arbeidsmogelijkheden als ten grondslag liggend aan de bestreden beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- eiser ten onrechte is afgeweken van het door hem ten aanzien van</para>
      <para>beslissingen bij einde wachttijd gevolgde beleid, nu er bij einde</para>
      <para>wachttijd nog geen advies van de GMD tot stand was gekomen. Indien eiser</para>
      <para>volgens die beleidsregels te werk was gegaan zou, aldus de eerste rechter,</para>
      <para>gedaagde bij einde wachttijd een (eventueel voorlopige) uitkering zijn</para>
      <para>toegekend, die vervolgens zou zijn gecontinueerd tot (ten minste) 2 maanden</para>
      <para>na de datum waarop aan hem passende functies zijn voorgehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat eiser terecht is opgekomen tegen evenvermelde</para>
      <para>zienswijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn oordeelsvorming is de eerste rechter ervan uitgegaan dat eiser in</para>
      <para>strijd is gekomen met de zogeheten aanzegjurisprudentie van de Raad,</para>
      <para>welke, naar uit de aangevallen uitspraak volgt, in de visie van de</para>
      <para>rechtbank ook van toepassing moet worden geacht in situaties als die van</para>
      <para>gedaagde waarin het gaat om een beoordeling van de aanspraken op</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering bij einde wachttijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht dit standpunt van de eerste rechter onjuist. De Raad heeft al</para>
      <para>vaker, onder meer in zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1994/58, van zijn</para>
      <para>opvatting doen blijken dat de zogeheten aanzegjurisprudentie, anders dan</para>
      <para>bij de intrekking of de herziening van een lopende uitkering, niet van</para>
      <para>toepassing is in die gevallen waarin een beslissing over de aanspraken bij</para>
      <para>einde wachttijd aan de orde is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In evengenoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat er in een dergelijk</para>
      <para>geval geen reden is om de eerst tijdens de procedure genoemde functies</para>
      <para>terzijde te laten op de grond dat deze niet met de betrokkene zijn</para>
      <para>besproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de zienswijze van de Raad dat de aanzegjurisprudentie slechts</para>
      <para>betrekking heeft op herzienings- en intrekkingsbeslissingen volgt eveneens</para>
      <para>dat er in een geval als het onderhavige, waarin een eerdere op geschiktheid</para>
      <para>voor het eigen vroegere werk gebaseerde beslissing tot weigering van</para>
      <para>uitkering bij einde wachttijd is vernietigd en vervolgens een nieuwe</para>
      <para>beslissing wordt genomen waarin wederom uitkering bij einde wachttijd wordt</para>
      <para>geweigerd, maar dan op grond van geschiktheid voor passende functies</para>
      <para>elders, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een dergelijke</para>
      <para>beslissing zich niet zou verdragen met de in die jurisprudentie</para>
      <para>neergelegde eis dat de betrokkene tevoren aan de hand van een voldoende</para>
      <para>aantal concrete passende functies op de hoogte moet zijn gesteld van zijn</para>
      <para>resterende arbeidsmogelijkheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenmin kan de Raad zich verenigen met hetgeen door de eerste rechter is</para>
      <para>overwogen ter zake van eisers gebondenheid aan het door hem ten aanzien van</para>
      <para>het nemen van beslissingen bij einde wachttijd gevoerde beleid, erop</para>
      <para>neerkomend dat aan gedaagde een uitkering (op basis van voorlopige</para>
      <para>gegevens) had dienen te worden toegekend omdat er per einde wachttijd - op</para>
      <para>28 december 1988 - nog geen GMD-advies beschikbaar was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zijn bezwaren tegen dit onderdeel van de uitspraak als volgt</para>
      <para>weergegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Ondergetekende is echter van mening dat het einde wachttijd beleid ruimte</para>
      <para>biedt om op grond van de voorlopige gegevens toekenning van uitkering te</para>
      <para>weigeren. Het einde wachttijd beleid zoals dit door ondergetekende wordt</para>
      <para>toegepast kent namelijk de restrictie dat (alleen) in die gevallen waarbij</para>
      <para>de voorlopige gegevens sterke aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat</para>
      <para>een betrokkene niet arbeidsongeschikt zal worden geacht, van de</para>
      <para>aanbeveling een voorlopige uitkering te verstrekken kan worden afgeweken.</para>
      <para>De rechtbank noemt het argument dat er bij einde wachttijd sterke</para>
      <para>aanwijzingen waren dat de heer A. niet arbeidsongeschikt was, weinig</para>
      <para>overtuigend. Ondergetekende kan dit oordeel niet onderschrijven.</para>
      <para>Uit de ad-rapportage van 21 december 1988 (gedingstuk 6) blijkt dat de</para>
      <para>arbeidsdeskundige, na dit besproken te hebben met de heer A., ondergetekende</para>
      <para>heeft medegedeeld dat de heer A. per einde wachttijd minder dan</para>
      <para>15% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit wordt door een telefoonrapport van</para>
      <para>21 december 1988 (gedingstuk 14) bevestigd. Tevens is op 27 december 1988</para>
      <para>een brief aan de heer A. verstuurd (gedingstuk 15) waarin hem werd</para>
      <para>medegedeeld dat hij volledig arbeidsgeschikt werd geacht.</para>
      <para>Nu ondergetekende voor einde wachttijd wist dat de heer A. per einde</para>
      <para>wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt zou worden geacht, meent</para>
      <para>ondergetekende dat het binnen het einde wachttijd beleid past om, op grond</para>
      <para>van deze gegevens, toekenning van uitkering te weigeren.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook naar het oordeel van de Raad kan de omstandigheid dat er op de in</para>
      <para>geding zijnde datum nog geen advies door de GMD was uitgebracht omtrent</para>
      <para>gedaagdes aanspraak op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO niet tot de</para>
      <para>conclusie leiden dat eiser hem in aansluiting op de wachttijd (voorlopig)</para>
      <para>uitkeringen zou dienen toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Noch in de wettelijke bepalingen, noch in de regels van ongeschreven recht</para>
      <para>zijn naar het oordeel van de Raad aanknopingspunten te vinden voor een</para>
      <para>dergelijke conclusie. Het bij einde wachttijd nog niet beschikbaar zijn</para>
      <para>van het GMD-advies op zich kan naar het oordeel van de Raad in elk geval</para>
      <para>geen aanleiding vormen om een uitzondering aan te nemen op het beginsel</para>
      <para>dat in het algemeen na het einde van de wachttijd, anders dan bij het</para>
      <para>intrekken of herzien van een lopende uitkering, geen plaats is voor een</para>
      <para>aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor zekere tijd op basis</para>
      <para>van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat blijkens hetgeen van de kant</para>
      <para>van eiser in het hiervoor weergegeven citaat uit het aanvullend</para>
      <para>beroepschrift naar voren is gebracht met betrekking tot het door hem</para>
      <para>gevoerde zogeheten einde wachttijd-beleid, in dat beleid is voorzien in</para>
      <para>de mogelijkheid om ondanks het op dat moment nog niet beschikbaar zijn van</para>
      <para>het GMD-advies geen (voorlopige) uitkering toe te kennen in die gevallen</para>
      <para>waarin de wel beschikbare gegevens sterke aanwijzingen bevatten voor het</para>
      <para>oordeel dat een betrokkene niet arbeidsongeschikt wordt geacht. Anders dan</para>
      <para>de eerste rechter ziet de Raad in de beschikbare gegevens geen</para>
      <para>aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser niet van het bestaan van</para>
      <para>dergelijke aanwijzingen mocht uitgaan.</para>
      <para>De Raad heeft, tot slot, nog mede in zijn oordeelsvorming betrokken dat,</para>
      <para>anders dan namens gedaagde gesteld, hem niet is gebleken dat door eiser</para>
      <para>bij gedaagde in rechte te honoreren verwachtingen zijn gewekt of dat</para>
      <para>gedaagde anderzins aan de gevolgde gang van zaken het vertrouwen mocht</para>
      <para>ontlenen dat hij per einde wachttijd in aanmerking zou worden gebracht voor</para>
      <para>(voorlopige) uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de brief van 9 november 1988 waarop namens gedaagde in dit verband een</para>
      <para>beroep is gedaan wordt weliswaar door eiser aan gedaagde medegedeeld dat</para>
      <para>aan hem bij uitblijvend GMD-advies voorlopig een uitkering naar de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% zal worden verstrekt, maar</para>
      <para>de Raad is van oordeel dat gedaagde in verband met het feit dat de</para>
      <para>activiteiten van de GMD, gericht op het uitbrengen van een advies aan</para>
      <para>eiser, bij het bereiken van de maximum uitkeringstermijn ingevolge de ZW op</para>
      <para>28 december 1988 inmiddels waren afgerond en door eiser aan gedaagde zowel</para>
      <para>telefonisch als schriftelijk nog vóór einde wachttijd is medegedeeld dat</para>
      <para>hij volledig arbeidsgeschikt werd geacht, niet zonder meer mocht vertrouwen</para>
      <para>dat hij bij einde wachttijd in aanmerking zou worden gebracht voor</para>
      <para>uitkeringen als in die brief voor het geval van uitblijvend GMD-advies in</para>
      <para>het vooruitzicht gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging</para>
      <para>in aanmerking komt en dat het tegen de bestreden beslissing ingestelde</para>
      <para>inleidende beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande ziet de Raad geen aanleiding toepassing te geven</para>
      <para>aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist dient te worden als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr M.M. van der Kade en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>B.C. Rog als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 3 januari 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para>(get.) B.C. Rog.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>