<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T07:51:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB1495</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW/WAO 94/307</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1995-11-01">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=50&amp;g=1995-11-01">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 50</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1996/182</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1995/314</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1495">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:32:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1495 Centrale Raad van Beroep , 01-11-1995 / AAW/WAO 94/307</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1495:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>AWB, renteschade, wettelijke rente, ingangsdatum.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1495:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AAW/WAO 1994/307                             O.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 juli 1992 is vanwege gedaagde aan appellant kennis gegeven</para>
      <para>van het besluit om de hem voorheen verstrekte uitkeringen ingevolge de</para>
      <para>Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) - naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van 80-100% - met ingang van 1 september 1992 te verlagen en te</para>
      <para>berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van appellant tegen dat besluit is door de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Arnhem bij uitspraak van 18 januari 1994 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens appellant tegen die uitspraak ingesteld hoger beroep strekt tot</para>
      <para>vernietiging van die uitspraak en van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 17 januari 1995 ingediend - nog</para>
      <para>aangevuld bij schrijven d.d. 23 januari 1995 - waarbij als nader standpunt</para>
      <para>werd ingenomen dat appellant per 1 september 1992 van 35-45%</para>
      <para>arbeidsongeschikt was te achten, onder verzoek aan de Raad om onder toepassing van</para>
      <para>artikel 8:72 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) conform het</para>
      <para>vorenstaande zelf in de zaak te voorzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant zijn nog nadere stukken aan de Raad gezonden en is</para>
      <para>vervolgens een verzoek gedaan om gedaagde te veroordelen tot</para>
      <para>schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb, met name tot vergoeding van</para>
      <para>wettelijke rente.</para>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 9 augustus 1995,</para>
      <para>waar voor appellant is opgetreden mr M.J. Klinkert, advocate te Utrecht, en</para>
      <para>voor gedaagde mevrouw F. van den Berg en mr M. de Borst, beiden werkzaam</para>
      <para>bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verlaging arbeidsongeschiktheidsuitkering</para>
      <para>Tussen partijen is vooreerst in geschil in welke mate appellant met ingang</para>
      <para>van 1 september 1992 ingevolge de AAW en WAO arbeidsongeschikt was te</para>
      <para>achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenals de eerste rechter kent de Raad bij de beantwoording van die vraag</para>
      <para>doorslaggevende betekenis toe aan de ten behoeve van de gedingvoering in</para>
      <para>eerste aanleg uitgebrachte rapporten van 28 december 1992 en van oktober</para>
      <para>1993 van de internist H.S. Schneider. Deze heeft gesproken van een</para>
      <para>betrekkelijk lichte vorm van colitis ulcerosa en heeft zich kunnen</para>
      <para>verenigen met de door de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) in</para>
      <para>aanmerking genomen medische beperkingen per 1 september 1992 tot het</para>
      <para>verrichten van werkzaamheden, onder aantekening dat er een toilet in de</para>
      <para>buurt dient te zijn. Genoemde internist heeft op 24 december 1992</para>
      <para>inlichtingen verkregen van de behandelende internist dr H.S. Tan, die ten</para>
      <para>tijde hier van belang eveneens arbeidsverrichting mogelijk achtte. De</para>
      <para>internist Schneider heeft naderhand voorts nog kennis genomen van een later</para>
      <para>rapport van 5 juli 1993 van de internist Tan, die appellant tóen</para>
      <para>arbeidsongeschikt achtte, met een defaecatie-patroon van 4 tot 5 maal</para>
      <para>daags, echter er was toen sprake van een periode van exacerbatie. In een en</para>
      <para>ander heeft de internist Schneider geen aanleiding kunnen vinden om met</para>
      <para>betrekking tot de datum in dit geding van belang, te weten 1 september</para>
      <para>1992, zijn oordeel te wijzigen, naar hij in zijn aanvullend rapport van</para>
      <para>oktober 1993 uitdrukkelijk heeft opgemerkt.</para>
      <para>De Raad meent dit oordeel te moeten volgen. Met betrekking tot de</para>
      <para>aanwezigheid van een toilet acht de Raad voldoende aannemelijk geworden</para>
      <para>hetgeen de arbeidsdeskundige J.R. Jilesen in zijn rapport van 23 februari</para>
      <para>1993 heeft opgemerkt, te weten dat de loopafstand van werkplek naar toilet</para>
      <para>in de voorgehouden functies niet groter dan 20 à 25 m zal zijn geweest.</para>
      <para>Mede in aanmerking genomen dat appellant onder omstandigheden gebruik</para>
      <para>pleegt te maken van opvangmiddelen en dat buiten de periode van exacerbatie</para>
      <para>het defaecatie-patroon een lagere frequentie zal hebben dan hierboven</para>
      <para>genoemd, acht de Raad een toiletvoorziening als zojuist aangegeven</para>
      <para>toereikend. De Raad acht voorts onvoldoende aannemelijk geworden dat het te</para>
      <para>verwachten ziekteverzuim - welk risico in beginsel wordt opgevangen in het</para>
      <para>kader van de Ziektewet - zodanig excessief zal zijn, dat van een werkgever</para>
      <para>niet in redelijkheid zou kunnen worden verwacht om appellant in dienst te</para>
      <para>nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derhalve was appellant ten tijde hier van belang in staat te achten om de</para>
      <para>hem voorgehouden functies te verrichten. Dit betekent echter nog niet dat</para>
      <para>de in het bestreden besluit aangegeven mate van arbeidsongeschiktheid per</para>
      <para>1 september 1992, te weten van 25 tot 35%, als juist moet worden beschouwd,</para>
      <para>immers daarbij is van een onjuist, niet geactualiseerd zogenoemd</para>
      <para>maatmaninkomen uitgegaan, zoals ook door gedaagde toegegeven. In</para>
      <para>aanmerking genomen gedaagdes verweerschrift d.d. 17 januari 1995 en met name het</para>
      <para>aanvullend schrijven d.d. 23 januari 1995 acht de Raad in voldoende mate</para>
      <para>aannemelijk geworden dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1</para>
      <para>september 1992 dient te worden gesteld op 35-45%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mitsdien kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in</para>
      <para>stand blijven, voor zover daarbij is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van 25-35% met ingang van 1 september 1992 en zal de Raad</para>
      <para>met toepassing van artikel 8:72 lid 4 van de Awb die mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>stellen op 35-45%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Renteschade</para>
      <para>Appellant verzoekt op grond van artikel 8:73 Awb veroordeling tot betaling</para>
      <para>van de wettelijke rente over de aan hem na te betalen uitkeringstermijnen</para>
      <para>vanaf het moment dat deze betaalbaar gesteld hadden moeten worden, tot de</para>
      <para>dag der voldoening. De Raad begrijpt het standpunt van appellant aldus dat</para>
      <para>hij stelt schade te lijden ten gevolge van het niet tijdig betalen van de</para>
      <para>AAW/WAO-uitkering (hierna ook: de uitkering) die hem vanaf 1 september 1992</para>
      <para>rechtens toekwam, welke schade berekend moet worden op de voet van de</para>
      <para>artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek (BW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde stelt zich, kort samengevat, op het standpunt eerst wettelijke</para>
      <para>rente verschuldigd te zijn vanaf 17 januari 1995, zijnde de datum waarop</para>
      <para>bij verweerschrift nader het standpunt is ingenomen dat appellant recht</para>
      <para>heeft op uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%</para>
      <para>ingaande 1 september 1992. Subsidiair meent hij dat de wettelijke rente</para>
      <para>niet over de nabetaling van het bedrag van de bruto-uitkering, maar van de</para>
      <para>netto-uitkering moet worden berekend, en dat voor de berekening van de</para>
      <para>wettelijke rente de bedragen die hij over de periode waarop de nabetaling</para>
      <para>betrekking heeft op grond van enige sociale verzekeringswet of de</para>
      <para>Algemene Bijstandswet heeft moeten verrekenen of aan derden uitbetalen,</para>
      <para>op die uitkering in mindering dienen te worden gebracht. De Raad zal op</para>
      <para>deze punten hieronder nader ingaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld wordt, zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 30 maart</para>
      <para>1995, gepubliceerd in onder meer AB 1995, 334, heeft overwogen, dat, hoewel</para>
      <para>artikel 8:73 Awb geen materiële criteria ter bepaling van de schade bevat,</para>
      <para>voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke</para>
      <para>omvang, zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het</para>
      <para>civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarbij is in het bijzonder van</para>
      <para>belang de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen</para>
      <para>van een door de administratieve rechter vernietigd overheidsbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit die jurisprudentie blijkt dat het bestuursorgaan dat een dergelijk</para>
      <para>besluit heeft genomen - behoudens bijzondere omstandigheden - een hem toe te</para>
      <para>rekenen onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor hem de plicht</para>
      <para>voortvloeit aan de belanghebbende de schade te vergoeden die deze als</para>
      <para>gevolg van dat besluit lijdt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens het hiervoor overwogene is hier sprake van een onrechtmatig</para>
      <para>besluit van gedaagde d.d. 22 juli 1992 waarbij de uitkering van appellant</para>
      <para>ten onrechte op en na 1 september 1992 is berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Nu niet is gebleken van bijzondere</para>
      <para>omstandigheden, rust op de rechtspersoon onder wiens verantwoordelijkheid</para>
      <para>dat besluit is genomen, de plicht tot vergoeding van de schade die</para>
      <para>appellant lijdt als gevolg van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu appellant heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente, brengt</para>
      <para>aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht mee dat wordt</para>
      <para>aangeknoopt bij eerdergenoemde artikelen 6:119 e.v. BW. Ingevolge</para>
      <para>evengenoemde bepaling bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens</para>
      <para>vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die</para>
      <para>som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim</para>
      <para>is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde stelt, onder verwijzing naar de artikelen 6:81 e.v. BW, dat voor</para>
      <para>de toepassing van voornoemde bepalingen onderscheid moet worden gemaakt</para>
      <para>tussen de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding uit</para>
      <para>onrechtmatige daad en de opeisbaarheid van de na te betalen uitkering.</para>
      <para>Vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering stuit zijns</para>
      <para>inziens naar burgerlijk recht af op het vereiste van de opeisbaarheid</para>
      <para>van de (hoofd)vordering, waarvan eerst sprake is na een (toekennings-)beslissing</para>
      <para>of een uitspraak van de rechter en na ingebrekestelling.</para>
      <para>Hij heeft nader gesteld dat nu de uitkering zelf geen schade is, voor</para>
      <para>toewijzing van de wettelijke rente als accessoire vordering geen plaats</para>
      <para>is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt dat standpunt niet. Naar zijn oordeel miskent gedaagde dat de</para>
      <para>gevorderde vertragingsschade gevolg is van het feit dat gedaagde niet</para>
      <para>aanstonds het besluit heeft genomen dat hij rechtens had behoren te</para>
      <para>nemen, en dat deze schade betrekking heeft op de geldsom ter hoogte van de</para>
      <para>uitkering waarover appellant dientengevolge niet of niet tijdig heeft</para>
      <para>kunnen beschikken. De vordering tot betaling van de vertragingsschade wordt</para>
      <para>overeenkomstig artikel 6:83 BW zonder ingebrekestelling opeisbaar vanaf het</para>
      <para>moment dat een onrechtmatig gebleken besluit schade tot gevolg heeft. Zulks</para>
      <para>staat los van de vraag van de grondslag van de uitkering zelf en wanneer</para>
      <para>deze opeisbaar wordt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingangsdatum</para>
      <para>De Raad acht de schade die gevormd wordt door de wettelijke rente,</para>
      <para>toewijsbaar vanaf het moment dat gedaagde de uitkering uiterlijk zou</para>
      <para>hebben moeten uitkeren, indien het onrechtmatig geoordeelde besluit zou</para>
      <para>hebben geluid, zoals het rechtens had moeten luiden, in het onderhavige</para>
      <para>geval derhalve conform hetgeen de Raad hierna zal beslissen met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:72, lid 4, van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 41, lid 1, van de AAW en artikel 50, lid 1, van de WAO is</para>
      <para>bepaald dat de betaling van de uitkering als regel in termijnen van niet</para>
      <para>langer dan een   maand geschiedt. Deze wetten bevatten echter geen</para>
      <para>voorschriften met betrekking tot de dag waarop de uitkering wordt betaald.</para>
      <para>Gelet hierop neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige</para>
      <para>rechtstoepassing tot uitgangspunt dat in geval van herziening of</para>
      <para>intrekking van een uitkering op grond van die wetten het juiste bedrag aan</para>
      <para>uitkering had moeten zijn uitgekeerd uiterlijk op de laatste dag van de</para>
      <para>maand waarin de datum valt met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is</para>
      <para>ingetrokken of naar een te lage arbeidsongeschiktheidsklasse is herzien. De</para>
      <para>eerste dag waarop de rente verschuldigd is, wordt derhalve gesteld op 1</para>
      <para>oktober 1992. Op overeenkomstige wijze dient telkens het tijdstip te</para>
      <para>worden bepaald waarop gedaagde na 1 oktober 1992 is tekortgeschoten in</para>
      <para>het tijdig betalen van de aan appellant nog toekomende uitkering, tot aan</para>
      <para>de dag der voldoening toe.</para>
      <para>Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de</para>
      <para>wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over</para>
      <para>dat jaar verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bruto of netto</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het voetspoor van de rechtspraak van de Hoge Raad</para>
      <para>- recentelijk nog bevestigd in zijn arrest van 24 juni 1994, NJ 1994, 596 -</para>
      <para>inzake de berekening van de wettelijke rente over het door de werkgever</para>
      <para>verschuldigde bruto-loon, dient naar het oordeel van de Raad voor de</para>
      <para>berekening van de wettelijke rente te worden uitgegaan van de bruto-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verrekening</para>
      <para>Met gedaagde is de Raad van oordeel dat bij de berekening van de wettelijke</para>
      <para>rente, als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met</para>
      <para>hetgeen gedaagde krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde</para>
      <para>tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto</para>
      <para>heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De</para>
      <para>Raad zoekt daartoe aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest</para>
      <para>van 22 september 1995 (NJB-katern 1995, p. 498 nr 187 en Jurisprudentie</para>
      <para>Bestuursrecht 1995, nr. 275) heeft overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conclusie</para>
      <para>Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellants verzoek</para>
      <para>voor toewijzing in aanmerking komt. De Nieuwe Industriële</para>
      <para>Bedrijfsvereniging moet veroordeeld worden tot betaling van de wettelijke</para>
      <para>rente op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 BW. Die rente moet worden</para>
      <para>berekend over het bruto bedrag van de uitkering waarop appellant alsnog</para>
      <para>vanaf 1 september 1992 recht heeft verkregen, nadat daarop in mindering is</para>
      <para>gebracht het bruto bedrag van de uitkering die appellant over gelijke</para>
      <para>periode is verstrekt uit hoofde van een andere sociale zekerheidswet, zulks</para>
      <para>ten aanzien van de eerste uitkeringstermijn met ingang van 1 oktober 1992</para>
      <para>en vervolgens ten aanzien van de nadien verschijnende termijnen telkens met</para>
      <para>ingang van een maand later, tot aan de dag ter voldoening toe. Daarbij</para>
      <para>dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke</para>
      <para>rente aldus is berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar</para>
      <para>verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Griffierecht</para>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 24 en artikel 25 lid 1 Beroepswet gelast</para>
      <para>de Raad dat het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde</para>
      <para>griffierecht van totaal f 175,-- aan hem wordt vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Proceskosten</para>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de aan de zijde</para>
      <para>van appellant gevallen kosten, begroot op f 1.420,-- in eerste aanleg en</para>
      <para>eveneens f 1.420,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand,</para>
      <para>totaal derhalve f 2.840,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voorzover</para>
      <para>daarbij is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 25- 35%</para>
      <para>met ingang van 1 september 1992;</para>
      <para>2. Bepaalt die mate van arbeidsongeschiktheid per 1 september 1992 op 35-45%;</para>
      <para>3. Veroordeelt de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging tot</para>
      <para>betaling van de renteschade als hiervoor is aangegeven;</para>
      <para>4. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten ten bedrage van f 2.840,--;</para>
      <para>5. Gelast dat het griffierecht van f 175,-- aan appellant wordt vergoed;</para>
      <para>6. Wijst de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging aan als de rechtspersoon</para>
      <para>die de bedragen sub 4 en 5 dient te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr H.J. Grendel en</para>
      <para>mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr S. Breuls als</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 1 november 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) S. Breuls.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>