<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1410</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:32:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB1410</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 94/170, AW 94/171</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1995-03-23">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1410">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1410</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:31:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1410 Centrale Raad van Beroep , 23-03-1995 / AW 94/170, AW 94/171</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1410:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>mmateriële schade toegekend in ambtenarengeschil.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1410:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1994/170-171</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Justitie, gedaagde.</para>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door appellant is op daartoe bij aanvullende beroepschriften aangegeven</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te 's-Gravenhage op 21 februari 1994 en 21 maart 1994 onder respectievelijk</para>
      <para>nrs. AW 93/1383 AW en AW 93/1384 AW en nr. AW 93/1041 gegeven uitspraken,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn -</para>
      <para>desgevraagd - nadere stukken aan de Raad gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op 9 februari 1995 een verzoek om schadevergoeding aan de</para>
      <para>Raad doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn - gevoegd met de gedingen tussen onder meer partijen bij</para>
      <para>de Raad bekend onder de nrs. AW 1993/885 tot en met 891 - behandeld ter</para>
      <para>zitting van de Raad van 2 maart 1995, waar appellant in persoon is</para>
      <para>verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr E.N.J. Boes, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:</para>
      <para>Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien</para>
      <para>geheten Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit</para>
      <para>voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken</para>
      <para>brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993,</para>
      <para>voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet</para>
      <para>worden toegepast.</para>
      <para>De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van</para>
      <para>overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid</para>
      <para>om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn</para>
      <para>bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen</para>
      <para>uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals het gold</para>
      <para>vóór dat tijdstip van toepassing blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitgebreide weergave van de in de onderhavige gedingen relevante</para>
      <para>feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken,</para>
      <para>de aangevallen uitspraak in de in rubriek I genoemde gedingen bekend bij de</para>
      <para>Raad onder de nrs. AW 1993/885 tot en met 891, alsmede naar de door de Raad</para>
      <para>in laatstbedoelde gedingen gegeven uitspraak van heden. Met betrekking tot</para>
      <para>de onderhavige gedingen volstaat de Raad met te vermelden dat bij de</para>
      <para>aangevallen uitspraak van</para>
      <para>21 maart 1994 het beroep van appellant tegen de brief van gedaagde van 27</para>
      <para>september 1993 waarbij appellant als herplaatsingskandidaat werd</para>
      <para>aangemerkt, ongegrond is verklaard en dat bij de aangevallen uitspraak van</para>
      <para>21 februari 1994 - voor zover hier van belang - appellants beroep tegen het</para>
      <para>besluit van gedaagde van 21 december 1993 om de op artikel 58, eerste lid,</para>
      <para>van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) gebaseerde</para>
      <para>tijdelijke tewerkstelling van appellant in de functie van juridisch</para>
      <para>medewerker bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven te verlengen tot 1 juli</para>
      <para>1994, ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het hoger beroep van appellant gericht tegen de</para>
      <para>ongegrondverklaring van zijn beroep tegen gedaagdes brief van 27 september</para>
      <para>1993 ziet de Raad zich in de eerste plaats geplaatst voor de vraag of de</para>
      <para>eerste rechter appellant terecht in dat beroep heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij ziet in evenbedoelde brief,</para>
      <para>inhoudende de - enkele - mededeling dat met het oog op het zoeken naar een</para>
      <para>nieuwe functie voor appellant de voor herplaatsingskandidaten geldende</para>
      <para>faciliteiten van overeenkomstige toepassing worden geacht, geen definitief</para>
      <para>ten aanzien van appellant in zijn hoedanigheid van ambtenaar genomen</para>
      <para>besluit vervat waardoor deze rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Nu</para>
      <para>die mededeling niet kan worden aangemerkt als een appellabel besluit in de</para>
      <para>zin van de Ambtenarenwet 1929, kan de aangevallen uitspraak van 21 maart</para>
      <para>1994 niet in stand worden gelaten en dient het door appellant ingestelde</para>
      <para>primaire beroep tegen de brief van 27 september 1993 alsnog</para>
      <para>niet-ontvankelijk te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook ten aanzien van de aangevallen uitspraak van 21 februari 1994 is de</para>
      <para>Raad tot de slotsom moeten komen dat deze, voor zover daarbij het beroep</para>
      <para>van appellant tegen het besluit van 21 december 1993 ongegrond is</para>
      <para>verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Onder verwijzing naar</para>
      <para>hetgeen de Raad in zijn uitspraak van heden in de in rubriek I genoemde</para>
      <para>gedingen bij de Raad bekend onder de nrs. AW 1993/885 tot en met 891 heeft</para>
      <para>overwogen en beslist met betrekking tot de tijdelijke tewerkstelling van</para>
      <para>appellant in de functie van juridisch medewerker bij het Schadefonds</para>
      <para>Geweldsmisdrijven, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat ook</para>
      <para>het besluit tot verlenging van die tijdelijke tewerkstelling per 1 januari</para>
      <para>1994 niet in stand kan blijven en het door appellant tegen dat besluit</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb kan de Raad in geval van</para>
      <para>gegrondverklaring van het beroep, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek</para>
      <para>van een partij de door hem aangewezen rechtspersoon veroordelen tot</para>
      <para>vergoeding van de schade die die partij lijdt. Appellant heeft op 5</para>
      <para>februari 1995 bij de Raad een verzoek om schadevergoeding ingediend. Dit -</para>
      <para>op een groot aantal besluiten van gedaagde betrekking hebbend - verzoek</para>
      <para>relaterend aan gedaagdes besluit van 21 december 1993 moet worden</para>
      <para>geconstateerd dat appellant in dit verband naast een vergoeding ter zake</para>
      <para>van proceskosten en griffierecht in hoofdzaak vergoeding wenst voor de door</para>
      <para>hem geleden immateriële schade. De Raad acht in de gegeven omstandigheden</para>
      <para>gronden aanwezig de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding van</para>
      <para>door appellant in verband met het besluit van 21 december 1993 geleden</para>
      <para>schade. De Raad stelt die schade vast op een bedrag ter grootte van f</para>
      <para>1.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat hem niet is gebleken van andere voor vergoeding</para>
      <para>op voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komende proceskosten dan</para>
      <para>de door appellant gemaakte reiskosten, ten aanzien waarvan de Raad in</para>
      <para>meerbedoelde uitspraak van heden onder de nrs. AW 1993/885 tot en met 891</para>
      <para>reeds heeft bepaald dat deze aan appellant dienen te worden voldaan, ziet</para>
      <para>de Raad in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig om toepassing te</para>
      <para>geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 25 van de Beroepswet dient ten slotte het</para>
      <para>door appellant ter zake van zijn hoger beroep tegen de aangevallen</para>
      <para>uitspraak van 21 februari 1994 betaalde griffierecht door de Staat der</para>
      <para>Nederlanden aan hem te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als</para>
      <para>volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak van 21 maart 1994;</para>
      <para>Verklaart het door appellant tegen de brief van 27 september 1993</para>
      <para>ingestelde primaire beroep alsnog niet-ontvankelijk;</para>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak van 21 februari 1994 voor zover daarbij</para>
      <para>het beroep van appellant tegen het besluit van 21 december 1993 ongegrond</para>
      <para>is verklaard;</para>
      <para>Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van</para>
      <para>21 december 1993 gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het besluit van 21 december 1993;</para>
      <para>Veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de door appellant</para>
      <para>ter zake van gegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 21</para>
      <para>december 1993 geleden, op een bedrag ad f 1000,- begrote schade;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde</para>
      <para>griffierecht ad f 300,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. Bekker als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr M.F. Leewis als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr A.H. Beijer als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. Bekker.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Beijer.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>