<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:14:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB1353</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMP 94/17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:60&amp;g=1995-02-16">Algemene wet bestuursrecht 8:60</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:64&amp;g=1995-02-16">Algemene wet bestuursrecht 8:64</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=26&amp;g=1995-02-16">Beroepswet 26</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1995, 301 met annotatie van P.J. Stolk</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:31:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353 Centrale Raad van Beroep , 16-02-1995 / AMP 94/17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Horen getuige; terugwijziging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AMP 1994/17</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Defensie, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B. (Zuid-Afrika), gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 30 januari 1992 heeft de Minister van Defensie ten</para>
      <para>aanzien van gedaagde een in afschrift aan deze uitspraak gehecht besluit</para>
      <para>genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 28</para>
      <para>maart 1994, nummer MAW 92/00340, het beroep dat gedaagde tegen dit besluit</para>
      <para>heeft ingesteld, gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd,</para>
      <para>alsmede de Minister van Defensie opgedragen een nieuw besluit te nemen met</para>
      <para>inachtneming van de uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van deze uitspraak is de Minister van Defensie bij de Raad in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom appellant</para>
      <para>zich met de aangevallen uitspraak niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 1995. Daar heeft</para>
      <para>appellant, die als uitvloeisel van de ministeriële beschikking d.d. 24</para>
      <para>augustus 1994, Stcrt. 1994, 171, houdende de taakomschrijving van de</para>
      <para>Staatssecretaris van Defensie, als procespartij in de plaats is getreden</para>
      <para>van de Minister van Defensie, zich doen vertegenwoordigen door mr B. Lynen,</para>
      <para>werkzaam bij het Ministerie van Defensie, terwijl gedaagde niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken is gedaagde van 4 juni 1947 tot 1 mei 1953 in</para>
      <para>werkelijke militaire dienst geweest, eerst als vrijwillig en nadien als</para>
      <para>gewoon dienstplichtige, laatstelijk in de rang van sergeant; bij de</para>
      <para>demobilisatiekeuring op 2 mei 1953 werd "geen bijzonderheden" genoteerd.</para>
      <para>Ingaande 1 oktober 1968 is hij uit de militaire dienst ontslagen wegens</para>
      <para>diensteindiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In april 1989 heeft gedaagde een verzoek ingediend om toekenning van een</para>
      <para>militair invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene militaire pensioenwet,</para>
      <para>zulks in verband met gehoorklachten die hij toeschrijft aan een</para>
      <para>schietoefening in maart 1953.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde is vervolgens vanwege de Minister van Defensie onderworpen aan een</para>
      <para>commissoriaal geneeskundig onderzoek. In het van dit onderzoek opgemaakte</para>
      <para>rapport d.d. 24 november 1989 wordt geconcludeerd dat de bij gedaagde</para>
      <para>geconstateerde gehooraandoening beiderzijds is veroorzaakt door de militaire</para>
      <para>dienst, indien het aan hem overkomen schietongeval wordt aangemerkt als</para>
      <para>een ongeval hem overkomen in verband met de uitoefening van de militaire dienst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarop heeft de Minister van Defensie de Koninklijke Marechaussee een</para>
      <para>onderzoek laten instellen terzake van het door gedaagde gestelde schietongeval.</para>
      <para>In het kader van dit onderzoek is een drietal, door gedaagde genoemde,</para>
      <para>getuigen gehoord, te weten C., D. en E. Daarbij bleek C. niet tezamen met</para>
      <para>gedaagde te hebben gediend, terwijl E. zich van het gestelde voorval niets</para>
      <para>kon herinneren; D. tenslotte had gedaagde destijds wel horen klagen over</para>
      <para>oorsuizingen in verband met een schietoefening en ook gemerkt dat gedaagde</para>
      <para>last had van doofheid, doch was niet zelf bij de bewuste schietoefening</para>
      <para>betrokken geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de resultaten van het onderzoek en in aanmerking genomen het</para>
      <para>ontbreken van enig medisch gegeven terzake uit gedaagdes militaire</para>
      <para>dienstperiode, heeft de Minister van Defensie bij het bestreden besluit</para>
      <para>gedaagdes verzoek om toekenning van een militair pensioen afgewezen op de</para>
      <para>grond dat niet is komen vast te staan dat gedaagde in 1953 een ongeval is</para>
      <para>overkomen tijdens de uitoefening van militaire dienst als gevolg waarvan</para>
      <para>hij gehoorklachten zou hebben gekregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft gedaagde beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te 's-Gravenhage. In het kader daarvan heeft hij aan de rechtbank</para>
      <para>overgelegd afschrift van een schrijven d.d. 15 september 1993 aan</para>
      <para>E. voornoemd, bevattende een uitvoerige reconstructie van het</para>
      <para>door hem gemelde schietongeval en de gebeurtenissen daaromheen, met -</para>
      <para>aangegeven - oogmerk om bij E. een herinnering van het gebeuren te</para>
      <para>bewerkstelligen. Op deze brief is geen reactie gekomen.</para>
      <para>Wel heeft gedaagde, naar blijkt uit het daarvan opgemaakte procesverbaal,</para>
      <para>ter zitting van de rechtbank op 22 maart 1994 - zonder aankondiging vooraf -</para>
      <para>E. als getuige meegebracht.</para>
      <para>Na daartoe aan de gemachtigde van de Minister van Defensie gevraagde en,</para>
      <para>met enige aarzeling verkregen, instemming is E. toen door de rechtbank onder</para>
      <para>ede als getuige gehoord. Deze getuige heeft daarbij verklaard nu zeker te weten</para>
      <para>dat gedaagde in maart/april had deelgenomen aan een schietoefening en dat</para>
      <para>deze de dag erna al klaagde over zijn oren, en voorts dat gedaagde hem had</para>
      <para>verteld dat zonder de verplichte oorbescherming was geschoten.</para>
      <para>De gemachtigde van de Minister van Defensie heeft vervolgens geconstateerd</para>
      <para>dat deze verklaring heel anders luidde dan de eerder tegenover de Koninklijke</para>
      <para>Marechaussee afgelegde verklaring en verzocht om de zaak aan te houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met voorbijgaan aan het</para>
      <para>verzoek om aanhouding - het door gedaagde ingestelde beroep gegrond</para>
      <para>verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe is doorslaggevend</para>
      <para>geweest het - mede op basis van de ter zitting door E. afgelegde</para>
      <para>verklaring gevormde - oordeel dat met een voldoende mate van zekerheid is</para>
      <para>aangetoond dat gedaagde in maart 1953 in het kader van de uitoefening van</para>
      <para>de militaire dienst heeft deelgenomen aan een schietoefening in een</para>
      <para>volledig gesloten ruimte te Rotterdam zonder dat daarbij de ook destijds</para>
      <para>reeds voorgeschreven gehoorbeschermingsmiddelen voorhanden waren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft de Minister van Defensie zich primair op het</para>
      <para>standpunt gesteld dat hij ten gevolge van de gang van zaken betreffende het</para>
      <para>horen van de getuige E. ernstig in zijn processuele belangen is</para>
      <para>geschaad; met name doordat de rechtbank is voorbijgegaan aan het gedane</para>
      <para>verzoek om de zaak aan te houden, zodat hij niet in de gelegenheid is</para>
      <para>geweest om het onderhavige punt feitelijk nader te doen onderzoeken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen</para>
      <para>partijen getuigen en deskundigen ter zitting meebrengen of bij aangetekende</para>
      <para>brief of deurwaarder-exploit oproepen, mits daarvan uiterlijk een</para>
      <para>week voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen</para>
      <para>mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen.</para>
      <para>De strekking van die bepaling is, overduidelijk, dat uit oogpunt van behoorlijke</para>
      <para>procesvoering dient te worden voorkomen dat partijen ter zitting worden</para>
      <para>overvallen en aldus worden geschaad in hun mogelijkheden van verweer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het bovenstaande blijkt dat de rechtbank aan dit, dwingende, voorschrift</para>
      <para>is voorbijgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat, zoal zou moeten worden aanvaard dat ingevolge</para>
      <para>ter zitting verkregen instemming van de wederpartij aan genoemd voorschrift</para>
      <para>afbreuk kan worden gedaan, de rechter ervoor dient te waken dat</para>
      <para>zich bij het verdere verloop van de behandeling niet de situatie voordoet</para>
      <para>die het voorschrift beoogt te voorkomen.</para>
      <para>Dit betekent naar 's Raads oordeel, mede in aanmerking genomen dat blijkens</para>
      <para>de aangevallen uitspraak de ter zitting door de getuige E. afgelegde verklaring</para>
      <para>in de oordeelsvorming een bepaald niet onbelangrijke rol heeft gespeeld, voor</para>
      <para>dit geval dat de rechtbank op zijn minst het zijdens de Minister van Defensie</para>
      <para>gedane verzoek om de zaak aan te houden met toepassing van artikel 8:64</para>
      <para>dan wel artikel 8:68 van de Awb had behoren in te willigen.</para>
      <para>Reeds om deze reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal voorts, nu is gebleken dat de Minister van Defensie de</para>
      <para>gevraagde aanhouding had willen benutten om een nader feitelijk onderzoek</para>
      <para>in te stellen - hetgeen onder de gegeven omstandigheden zijn plaats dient</para>
      <para>te hebben in de procedure in eerste aanleg -, met toepassing van artikel</para>
      <para>26, eerste lid aanhef en onder b, van de Beroepswet terugwijzen naar de</para>
      <para>rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Wijst de zaak voor verdere behandeling terug naar de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en</para>
      <para>mr G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van P.R. Bax als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.R. Bax.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>