<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1995:ZB0954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:53:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB0954</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6177</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ8873</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN4192</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1995-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ABW 94/248</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:2&amp;g=1995-01-24">Algemene wet bestuursrecht 6:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1995-01-24">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1995-01-24">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1995, 233 met annotatie van H.M.T. Holtmaat, P.J.J. van Buuren</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1995, 153</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1995/47</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB0954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1995:ZB0954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:29:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1995:ZB0954 Centrale Raad van Beroep , 24-01-1995 / ABW 94/248</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB0954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schadevergoeding, kosten administratief beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1995:ZB0954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>ABW 1994/248</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad</para>
      <para>beroep ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 9 maart 1994. In dat</para>
      <para>besluit is het beroep van appellant ongegrond verklaard, dat was ingesteld</para>
      <para>tegen een op bezwaarschrift genomen beslissing van het College van burgemeester</para>
      <para>en wethouders van Amersfoort (hierna: het College) van 4 november 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar de inhoud van het</para>
      <para>bestreden besluit, een ontbrekend stuk ingezonden en een vraag beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Van de zijde van het College zijn nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 3 januari 1995, waar</para>
      <para>appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door R. Blauw, werkzaam bij de provincie Utrecht. Het</para>
      <para>College, als partij aan dit geding deelnemend, heeft zich doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr P.S. Beekman, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1963, is in 1988 rechten gaan studeren aan</para>
      <para>de Rijksuniversiteit Utrecht. Ingaande 1 september 1992 heeft hij zijn</para>
      <para>inschrijving als dagstudent beëindigd en heeft hij zich laten inschrijven</para>
      <para>als extraneus.</para>
      <para>Bij beschikking van 28 september 1992 heeft het College appellant met</para>
      <para>ingang van 1 augustus 1992 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling</para>
      <para>werkloze werknemers (RWW) toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 13 september 1993 heeft het College de RWW-uitkering</para>
      <para>van appellant met ingang van 1 september 1993 voor de duur van een maand</para>
      <para>met 20% verlaagd op de grond dat appellant niet al het mogelijke doet om</para>
      <para>arbeid in dienstverband te verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de in rubriek I vermelde beslissing van 4 november 1993 heeft het</para>
      <para>College deze maatregel gehandhaafd op grond van de volgende overwegingen:</para>
      <para>"In uw situatie was bij de aanvraag om bijstand sprake van een</para>
      <para>omschakeling van voltijd- naar deeltijdstudie rechten.</para>
      <para>Blijkens de jurisprudentie kan dit worden uitgelegd als een voornemen om de</para>
      <para>studie af te maken. In zo'n situatie wordt aangenomen dat u zich niet reëel</para>
      <para>beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt en er derhalve geen recht op</para>
      <para>bijstand bestaat tenzij u aan kunt tonen wél reëel beschikbaar te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderhavige situatie blijkt bij een heronderzoek in juli 1993 dat u niet</para>
      <para>voldoet aan de voorwaarde om al het mogelijke te doen tot het verkrijgen</para>
      <para>van werk:</para>
      <para>- door u konden slechts 2 verrichte sollicitaties worden overgelegd;</para>
      <para>- u geeft in voornoemd heronderzoek aan niet begonnen te zijn met de</para>
      <para>assurantie-B opleiding omdat u het te druk heeft gehad met 2 examens</para>
      <para>van uw rechten-studie (in bezwaar geeft u als reden aan dat de opleiding</para>
      <para>niet vergoed zou worden);</para>
      <para>- u gaf aan ingeschreven te staan bij uitzendbureau Stuweg wat bij</para>
      <para>navraag niet zo blijkt te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In bezwaar zijn door u alsnog een aantal sollicitatiebewijzen overlegd.</para>
      <para>Deze zijn echter op één na, allemaal verricht nadat de Commissie Werkloze</para>
      <para>Werknemers in haar vergadering d.d. 26 augustus 1993 adviseerde een</para>
      <para>korting toe te passen op uw uitkering.</para>
      <para>Tevens heeft u ten overstaan van de Commissie te kennen gegeven inderdaad</para>
      <para>niet ingeschreven te staan bij uitzendbureau Stuweg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovenstaande dient aangemerkt te worden als sanctiewaardig gedrag passend</para>
      <para>in categorie 3: "gedragingen van de werkloze werknemer die inschakeling tot</para>
      <para>de arbeid belemmeren".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de ernst van de situatie, de mate van verwijtbaarheid en uw</para>
      <para>persoonlijke omstandigheden is terecht, met inachtneming van artikel 9 lid</para>
      <para>1 sub d jo artikel 14 lid 1 sub b jo artikel 14a lid 3 sub a jo artikel 14b</para>
      <para>lid 1 sub c RWW, een korting toegepast van 20% voor de duur van 1 maand.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het tegen deze beslissing</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen:</para>
      <para>"Het volgen van een universitaire opleiding in deeltijd kan slechts dan</para>
      <para>samengaan met een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze</para>
      <para>werknemers (RWW), indien een werknemer, die al in deeltijd studeerde naast</para>
      <para>een betrekking in loondienst, deze betrekking verliest en daardoor op</para>
      <para>bijstand aangewezen raakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anderzijds wordt een student, die zijn inschrijving van voltijds student</para>
      <para>wijzigt in die van extraneus, volgens vaste jurisprudentie geacht het</para>
      <para>voornemen te hebben zijn studie af te ronden en hieraan voorrang te geven</para>
      <para>boven het verkrijgen van arbeid in loondienst. In verband hiermee wordt</para>
      <para>hij als voorheen als student aangemerkt en niet als werkloos werknemer.</para>
      <para>Hij komt derhalve niet in aanmerking voor bijstand. De gemeente had</para>
      <para>derhalve in het geheel geen uitkering mogen verstrekken en ook op dit</para>
      <para>moment bestaat geen recht op uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit wordt pas anders, als de heer A. zich uit laat schrijven aan de</para>
      <para>universiteit en voorrang geeft aan het verkrijgen van arbeid in loondienst</para>
      <para>boven het vervolgen van zijn studie. De gemeente heeft echter, terwijl hij</para>
      <para>nog stond ingeschreven en daadwerkelijk zijn studie vervolgde, slechts</para>
      <para>gewezen op zijn verplichting arbeid in loondienst te zoeken. Burgemeester</para>
      <para>en wethouders hebben derhalve een coulance betracht ten opzichte van</para>
      <para>appellant, die in het kader van de huidige jurisprudentie en de geaccepteerde</para>
      <para>uitvoeringspraktijk van de RWW niet is toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit klemt temeer, daar de opstelling van appellant naar de arbeidsmarkt</para>
      <para>ernstig te wensen overliet. Weliswaar kan hem van het niet volgen van de</para>
      <para>assurantie-B cursus geen verwijt worden gemaakt, nu hem door het</para>
      <para>Arbeidsbureau in eerste instantie te verstaan is gegeven dat de kosten van</para>
      <para>deze opleiding niet vergoed kon worden - hetgeen later is herzien:</para>
      <para>appellant volgt thans deze opleiding - anderzijds heeft hij echter</para>
      <para>onvolledige, c.q. onjuiste inlichtingen verstrekt over zijn</para>
      <para>inschrijving bij uitzendbureau Stuweg. Uit een namens ons ingesteld</para>
      <para>onderzoek is gebleken, dat appellant in 1989 voor het laatst voor dit</para>
      <para>uitzendbureau heeft gewerkt. Daarna is niets meer van hem vernomen. In 1990</para>
      <para>zijn zijn gegevens dan ook uit het bestand van het uitzendbureau</para>
      <para>verwijderd. In zijn beroepschrift stelt hij dat hij regelmatig contact</para>
      <para>houdt met dit bureau; deze mededeling wordt echter tegengesproken door</para>
      <para>personeel van het betreffende bureau: appellant is daar volstrekt onbekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Burgemeester en wethouders hadden appellant in de gegeven omstandigheden in</para>
      <para>het geheel geen uitkering mogen verlenen. Anderzijds is het echter niet</para>
      <para>gebruikelijk degene, die een beroep indient, door dit beroep in een</para>
      <para>ongunstiger positie te brengen, dan in het geval dat hij had berust in de</para>
      <para>beschikking op het bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Er is echter geen aanleiding de opgelegde korting ongedaan te maken.".</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft aldus toepassing gegeven aan de uit uitspraken van de</para>
      <para>voormalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State</para>
      <para>naar voren komende jurisprudentie, die inhoudt dat, wil de RWW van</para>
      <para>toepassing zijn, sprake moet zijn van een daadwerkelijke beschikbaarstelling</para>
      <para>voor arbeid in dienstbetrekking.</para>
      <para>De Raad onderschrijft deze jurisprudentie, maar hij merkt daarbij wel op</para>
      <para>dat deze vooral ziet op de vraag of degene die bijstand aanvraagt tot de</para>
      <para>personenkring van de RWW kan en moet worden gerekend. In aanmerking nemende</para>
      <para>dat de RWW uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van het nemen van</para>
      <para>kortingsmaatregelen ten aanzien van de op grond van die regeling toegekende</para>
      <para>uitkering moet ervan worden uitgegaan, dat indien een persoon eenmaal tot</para>
      <para>de personenkring van de RWW is gerekend en uitkering op grond van die</para>
      <para>regeling ontvangt, het niet voldoen aan de krachtens die regeling</para>
      <para>gestelde voorwaarden in beginsel tot het nemen van kortingsmaatregelen</para>
      <para>behoort te leiden, tenzij uit de gedragingen van de betrokkene moet</para>
      <para>worden afgeleid dat van enige beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt</para>
      <para>geen sprake (meer) is en een wijziging van die opstelling naar verwacht mag</para>
      <para>worden niet door het nemen van kortingsmaatregelen valt te bereiken. Alsdan</para>
      <para>ligt een beëindiging van de RWW-uitkering met ingang van een in de toekomst</para>
      <para>gelegen datum in de rede.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van appellant blijkt uit de beschikbare gedingstukken dat hij</para>
      <para>ten tijde als hier van belang bij het arbeidsbureau ingeschreven heeft</para>
      <para>gestaan als assistent jurist, in 1992 en 1993 voor de uitzendbureaus</para>
      <para>Stuweg, Keser, Tempo Team en Manpower heeft gewerkt en in mei en juni</para>
      <para>1993 - zonder resultaat - een tweetal sollicitaties heeft verricht. Er is</para>
      <para>dan ook terecht door het College geen aanleiding gevonden om tot</para>
      <para>beëindiging van de uitkering van appellant over te gaan, nu niet kan</para>
      <para>worden gezegd dat van enige beschikbaarstelling geen sprake was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde zich ten onrechte op het</para>
      <para>standpunt heeft gesteld dat appellant geen recht had op een uitkering</para>
      <para>ingevolge de RWW. Gedaagde had zich uitsluitend moeten richten op de</para>
      <para>vraag of de door het College genomen kortingsmaatregel al dan niet moest</para>
      <para>worden gehandhaafd of moest worden gewijzigd. Gedaagde heeft weliswaar in</para>
      <para>het bestreden besluit overwogen dat er geen aanleiding is om de</para>
      <para>opgelegde korting ongedaan te maken maar dit standpunt niet nader gemotiveerd</para>
      <para>aan de hand van het bepaalde in de artikelen 14, 14a en 14b van de RWW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het bestreden</para>
      <para>besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan</para>
      <para>worden gelaten.</para>
      <para>Gedaagde zal daarom ten aanzien van de opgelegde maatregel een nader</para>
      <para>besluit hebben te nemen. De Raad merkt daarbij ten overvloede op dat de</para>
      <para>thans ter beschikking staande gegevens geen toereikende basis bieden om aan</para>
      <para>te nemen dat sprake is geweest van als verwijtbaar aan te merken</para>
      <para>gedragingen van de derde categorie onder a van artikel 14a van de RWW. De</para>
      <para>Raad voegt daaraan toe dat het in de beslissing op bezwaarschrift tot</para>
      <para>uitdrukking gebrachte onvoldoende solliciteren van appellant voorafgaand</para>
      <para>aan 1 september 1993 als een gedraging valt aan te merken als</para>
      <para>omschreven in onderdeel 2a van dat artikel. Of daarvoor voldoende grondslag</para>
      <para>aanwezig is en zo ja, welke maatregel dan passend is zal door gedaagde</para>
      <para>nader kunnen worden onderzocht aan de hand van de - door het College nog</para>
      <para>over te leggen - inkomstenverklaringen en de door appellant nog over te</para>
      <para>leggen sollicitatiebewijzen met betrekking tot de periode voor 1 september 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de kosten die</para>
      <para>appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de Raad heeft</para>
      <para>moeten maken, welke kosten zijn begroot op f 14,67 voor reiskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kosten gemaakt in het kader van het administratief beroep bij gedaagde</para>
      <para>zijn geen kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.</para>
      <para>De Raad acht evenmin termen aanwezig om het verzoek van appellant in te</para>
      <para>willigen om het College tot vergoeding van laatstbedoelde kosten te</para>
      <para>veroordelen op de voet van artikel 8:73 van de Awb.</para>
      <para>Hierbij laat de Raad wegen dat de procedure van het administratief beroep</para>
      <para>- evenals de bezwaarschriftprocedure - met name gericht is op een</para>
      <para>bestuurlijke heroverweging van een besluit en derhalve ook op herstel van</para>
      <para>gemaakte fouten. Gegeven dat karakter is in de geschiedenis van de</para>
      <para>totstandkoming van de Wet van 16 december 1993, Stb. 650, tot uitdrukking</para>
      <para>gebracht dat de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in de regel</para>
      <para>voor rekening van de belanghebbende moeten blijven en slechts bij wijze van</para>
      <para>uitzondering voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.</para>
      <para>Daarvan kan naar het oordeel van de Raad sprake zijn indien de primaire</para>
      <para>besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont, dat gezegd moet worden</para>
      <para>dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig primair</para>
      <para>besluit heeft genomen. Voor het administratief beroep is dat niet anders.</para>
      <para>In het geval van appellant kan niet worden gezegd dat het College tegen</para>
      <para>beter weten in een onrechtmatig besluit ten aanzien van appellant heeft</para>
      <para>genomen, zodat er geen aanleiding is om de in het kader van het</para>
      <para>administratief beroep gemaakte kosten aan appellant te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op artikel 8:74 van de Awb tenslotte dient aan appellant het door hem</para>
      <para>betaalde griffierecht te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van deze</para>
      <para>uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot</para>
      <para>f 14,67, te betalen door de provincie Utrecht;</para>
      <para>Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb af;</para>
      <para>Bepaalt dat de provincie Utrecht aan appellant het gestorte griffierecht</para>
      <para>van f 50,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 1995 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.          (get.) I. de Hartog.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>