<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:18:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5027</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK5748</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 91/701</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1994/143</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:43:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027 Centrale Raad van Beroep , 28-04-1994 / AW 91/701</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser, plaatsvervangend groepscommandant, wordt wegens onder meer valsheid  in geschrifte, meermalen gepleegd, disciplinair ontslag verleend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1991/701</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Burgemeester van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is op daartoe bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen)</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door het voormalige</para>
      <para>Ambtenarengerecht te Groningen op 5 november 1991 onder nr. AW 1589-462</para>
      <para>gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is van contra-memorie (met bijlagen) gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 7 april 1994, waar eiser in</para>
      <para>persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.C.M. Roelvink, advocaat en</para>
      <para>procureur te Winschoten, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen</para>
      <para>door F.J. Kragten, verbonden aan het juridisch adviesbureau</para>
      <para>Kragten en Partner Beilen B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking</para>
      <para>getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet -</para>
      <para>gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht</para>
      <para>brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden</para>
      <para>beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari</para>
      <para>1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten</para>
      <para>als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide</para>
      <para>weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad</para>
      <para>thans met vermelding van het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser was ten tijde hier van belang in de rang van brigadier werkzaam als</para>
      <para>plaatsvervangend groepscommandant bij het korps van gemeentepolitie te</para>
      <para>Hoogezand-Sappemeer. Gedaagde heeft eiser bij het thans bestreden besluit</para>
      <para>met ingang van 1 oktober 1989 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de eerste rechter eisers beroep tegen</para>
      <para>dat besluit ongegrond verklaard. Die rechter heeft daarbij in de eerste</para>
      <para>plaats eisers beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming</para>
      <para>van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)</para>
      <para>afgewezen. Voorts heeft hij overwogen dat niet alle in het bestreden</para>
      <para>besluit aan eiser verweten gedragingen van eiser als plichtsverzuim in</para>
      <para>ogenschouw kunnen worden genomen, maar slechts die welke tot een</para>
      <para>strafrechtelijke veroordeling van eiser hebben geleid, te weten: het meermalen</para>
      <para>plegen van valsheid in geschrifte. Hij heeft vastgesteld dat eiser zich</para>
      <para>in zoverre aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Volgens de eerste</para>
      <para>rechter was gedaagde bevoegd eiser deswege disciplinair te straffen en</para>
      <para>bestond er geen onevenredigheid tussen dit plichtsverzuim en de opgelegde</para>
      <para>straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers grieven in hoger beroep komen - kort gezegd - erop neer dat hij zich</para>
      <para>niet schuldig heeft gemaakt aan het door de eerste rechter vastgestelde</para>
      <para>plichtsverzuim, dat het bestreden besluit gelet op het bepaalde in artikel</para>
      <para>6 EVRM niet in stand kan blijven gezien de termijn die is gemoeid met de</para>
      <para>behandeling van het geschil in eerste aanleg en in hoger beroep, en</para>
      <para>tenslotte dat de opgelegde straf niet evenredig is aan het geconstateerde</para>
      <para>plichtsverzuim.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat hij, nu gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld</para>
      <para>tegen de aangevallen uitspraak, er in het voetspoor van de eerste</para>
      <para>rechter van uitgaat dat het aan eiser verweten plichtsverzuim uitsluitend</para>
      <para>nog daarin is gelegen dat eiser - met het oog op het verkrijgen van</para>
      <para>schadevergoeding van zijn verzekeraar - een tweetal valse nota's met</para>
      <para>betrekking tot (reparatie van) schade aan zijn auto heeft opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder het gegeven dat eiser ter</para>
      <para>zake van deze kwestie tot in hoogste instantie door de strafrechter</para>
      <para>schuldig is bevonden aan valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, staat</para>
      <para>ook voor de Raad voldoende vast dat eiser zich in zoverre aan plichtsverzuim</para>
      <para>heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat eiser evenbedoelde handelingen niet heeft gepleegd in het kader van de</para>
      <para>uitoefening van zijn functie, kan - anders dan namens eiser betoogd - niet</para>
      <para>ertoe leiden dat niet zou kunnen worden gesproken van plichtsverzuim als</para>
      <para>bedoeld in artikel 104 van het hier van toepassing zijnde Ambtenarenreglement</para>
      <para>voor de gemeentepolitie 1958. Naar het oordeel van de Raad had eiser</para>
      <para>behoren te beseffen dat de hem verweten gedragingen het aanzien en de</para>
      <para>integriteit van het korps van gemeentepolitie, waaraan hij was verbonden,</para>
      <para>direct raakten en dat die gedragingen derhalve niet geïsoleerd konden</para>
      <para>worden gezien van zijn ambtelijke positie. De Raad is dan ook met de eerste</para>
      <para>rechter van oordeel dat gedaagde bevoegd was eiser ter zake van evenbedoeld</para>
      <para>plichtsverzuim disciplinair te straffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot eisers grief dat het bestreden besluit niet in stand kan</para>
      <para>worden gelaten omdat de periode die is gemoeid met de behandeling van het</para>
      <para>geschil voor de rechter niet (meer) kan worden gesproken van een</para>
      <para>behandeling binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM,</para>
      <para>overweegt de Raad het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgangspunt van eiser is dat het opleggen van een disciplinaire straf als</para>
      <para>hier aan de orde moet worden aangemerkt als het instellen van een</para>
      <para>strafvervolging in de zin van artikel 6 van het EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens</para>
      <para>(hierna: EHRM) blijkt dat het antwoord op de vraag of het opleggen van een</para>
      <para>bepaalde sanctie als een strafvervolging aangemerkt moet worden niet alleen</para>
      <para>afhangt van de kwalificatie die de wetgever aan de sanctie geeft, maar dat</para>
      <para>medebeslissend zijn "de aard van de overtreding" en "de aard en de</para>
      <para>mogelijke zwaarte van de sanctie" (zie bijvoorbeeld EHRM 21 februari 1984</para>
      <para>(Oztürk) NJ 1988, 937).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met name gelet op deze criteria - waarvan de strekking in de jurisprudentie</para>
      <para>van het EHRM, althans met betrekking tot voor ambtenaren op grond van</para>
      <para>hun rechtspositieregeling geldende tuchtrecht zoals hier aan de orde, nog</para>
      <para>geenszins is uitgekristalliseerd - heeft de Raad niet de overtuiging kunnen</para>
      <para>verkrijgen dat een disciplinaire strafoplegging als hier aan de orde dient</para>
      <para>te worden aangemerkt als een strafvervolging als bedoeld in artikel 6</para>
      <para>EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt in dit verband op, dat evenbedoeld tuchtrecht geheel</para>
      <para>betrokken is op en zijn werking uitsluitend heeft binnen de bijzondere</para>
      <para>arbeidsverhouding tussen de ambtenaar en het openbare lichaam waarbij hij</para>
      <para>in dienst is.</para>
      <para>Verder moet in ogenschouw worden genomen dat, hoewel andere aspecten bij de</para>
      <para>disciplinaire bejegening van een ambtenaar (mede) een rol kunnen spelen, de</para>
      <para>disciplinaire strafoplegging primair is gericht op het verzekeren en/of</para>
      <para>herstellen van een correcte uitoefening van de functie en (daarmee) van de</para>
      <para>publieke taak waarvoor het betrokken overheidsorgaan verantwoordelijk is.</para>
      <para>In essentie draagt die strafoplegging naar het oordeel van de Raad dan ook</para>
      <para>een reparatoir karakter, waarbij beëindiging van de arbeidsverhouding de</para>
      <para>uiterste remedie is om de goede functionering van de betrokken dienst te</para>
      <para>herstellen en te waarborgen.</para>
      <para>Uit het gegeven dat disciplinaire bestraffing van een ambtenaar haar</para>
      <para>werking alleen heeft binnen de tussen die ambtenaar en het betrokken</para>
      <para>openbare lichaam bestaande arbeidsverhouding en direct te relateren valt</para>
      <para>aan de noodzaak van (herstel van) het naar behoren functioneren van de</para>
      <para>betrokken openbare dienst met inbegrip van de daarin werkzame personen,</para>
      <para>ziet de Raad tevens de conclusie voortvloeien dat de mogelijk op te leggen</para>
      <para>disciplinaire straffen naar aard en gewicht niet vergelijkbaar zijn met de</para>
      <para>in het Wetboek van Strafrecht op schending van ambtelijke verplichtingen -</para>
      <para>en op schending van andere normen - gestelde (maximum)straffen, waarbij de</para>
      <para>persoon van de betrokken pleger vanuit diens persoonlijke verantwoordelijkheden</para>
      <para>in en jegens de maatschappelijke orde en de rechtsorde centraal staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu een disciplinaire straf als hier aan de orde naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad niet kan worden beschouwd als een strafvervolging als bedoeld in</para>
      <para>artikel 6 EVRM, moet worden vastgesteld dat eisers beroep op overschrijding</para>
      <para>van een redelijke termijn van behandeling in zoverre niet kan slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover eiser met zijn beroep op artikel 6 EVRM zou hebben beoogd te</para>
      <para>stellen dat sprake is van vaststelling van zijn burgerlijk rechten en</para>
      <para>verplichtingen en het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten</para>
      <para>omdat door de eerste rechter (en de Raad) dienaangaande niet binnen een</para>
      <para>redelijke termijn zou zijn beslist, merkt de Raad op dat hij ook die</para>
      <para>stelling niet kan onderschrijven. Hij laat daarbij in het midden of in</para>
      <para>het onderhavige geval sprake is van vaststelling van burgerlijke rechten en</para>
      <para>verplichtingen als bedoeld in artikel 6   EVRM en of al dan niet sprake is</para>
      <para>van een overschrijding van de in dat artikel bedoelde redelijke termijn.</para>
      <para>Naar zijn oordeel kan een op artikel 6 EVRM steunend beroep op overschrijding</para>
      <para>van een redelijke termijn van behandeling door de rechter in het kader</para>
      <para>van een geding over de vaststelling van burgerlijke rechten en</para>
      <para>verplichtingen immers niet bepalend zijn voor de uitkomst van de</para>
      <para>rechtsstrijd tussen partijen en derhalve niet ertoe leiden dat gedaagde zijn</para>
      <para>bevoegdheid tot strafoplegging teloor ziet gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt tenslotte toe aan de vraag of onevenredigheid bestaat tussen</para>
      <para>eisers plichtsverzuim en de hem opgelegde straf van onvoorwaardelijk</para>
      <para>ontslag. Gelet op de aard en de ernst van de aan eiser verweten gedragingen</para>
      <para>enerzijds en de omstandigheid dat hij als executief politie-ambtenaar</para>
      <para>werkzaam was in een leidinggevende functie anderzijds, beantwoordt de</para>
      <para>Raad deze vraag, evenals de eerste rechter, ontkennend. In het gegeven dat</para>
      <para>eiser door de strafrechter is veroordeeld tot - slechts - een geldboete van</para>
      <para>f 1.000,- (of vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen), ziet de</para>
      <para>Raad anders dan eiser geen bevestiging voor de stelling dat het hier aan de</para>
      <para>orde zijnde plichtsverzuim moet worden gekwalificeerd als een gering</para>
      <para>vergrijp. De Raad wijst in dit verband erop dat in het veroordelend arrest</para>
      <para>van het Gerechtshof te Leeuwarden expliciet is overwogen dat bij de</para>
      <para>strafoplegging tevens rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiser</para>
      <para>als brigadier van gemeentepolitie te Hoogezand-Sappemeer was ontslagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene moet worden beslist tot bevestiging van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven</para>
      <para>aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. H. Bekker als voorzitter en</para>
      <para>mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid</para>
      <para>van mr. I. de Hartog als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 28 april 1994 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. Bekker.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>