<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-13T19:13:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5025</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-03-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">MAW 92/22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003482&amp;artikel=27&amp;g=1994-03-11">Algemeen militair ambtenarenreglement 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003482&amp;artikel=28&amp;g=1994-03-11">Algemeen militair ambtenarenreglement 28</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-13T19:12:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025 Centrale Raad van Beroep , 11-03-1994 / MAW 92/22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevordering. Functieruil per 1 januari 1990 met hogere rang niet overgenomen. Aan eiser is per 1 september 1990 een functie toegewezen met een hogere rang en hij is per gelijke datum als zodanig bevorderd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>MAW 1992/22</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>
    [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>de Minister van Defensie, gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 27 november 1990 heeft gedaagde afwijzend beslist op eisers</para>
    <para>verzoek hem alsnog per 1 januari 1990 te bevorderen tot [naam functie 1]</para>
    <para> .</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is door het toenmalige</para>
    <para>Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage bij uitspraak van 19 december 1991, nr.</para>
    <para>MAW 1990/11120, ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de bij (aanvullend)</para>
    <para>beroepschrift door zijn gemachtigde mr. H.J.M.G.M. van der Meijden,</para>
    <para>advocaat en procureur te Nijkerk, aangevoerde gronden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 18 februari 1994. Eiser is</para>
    <para>daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden, voornoemd,</para>
    <para>als zijn raadsman.</para>
    <para>Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door luitenant-kolonel mr. J.P.</para>
    <para>Spijk, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
    <para>werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 gewijzigd. De in dit kader</para>
    <para>gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op</para>
    <para>het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
    <para>procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994, behoudens wat betreft de</para>
    <para>mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel 8:75</para>
    <para>Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eiser, destijds [naam functie 2] ( [functie 2] ) van het wapen der</para>
    <para>infanterie, is door de Directeur Personeel Koninklijke landmacht (DPKL)</para>
    <para>met ingang van 1 maart 1988 ingedeeld op een [naam functie 3] bij de</para>
    <para>
      [eenheid] te [plaats] , en wel de functie met</para>
    <para>
      [bouwsteenvolgnummer] ([bouwsteenvolgnummer] ) bij</para>
    <para>de [bouwsteenvolgnummer]-opleiding. Een andere [functie 2] , in anciënniteit jonger dan eiser, was</para>
    <para>bij dezelfde eenheid ingedeeld op de functie met [bouwsteennummer],</para>
    <para>waaraan de rang van [naam functie 1] was verbonden. Beiden</para>
    <para>verrichtten de facto dezelfde werkzaamheden.</para>
    <para>In mei 1989 ontving de Sectie S1 van de [eenheid]</para>
    <para> de opdracht alle [naam functie 2] met een</para>
    <para>anciënniteit van vóór 1 januari 1984, die nog niet waren geplaatst op een</para>
    <para>functie waaraan de rang van [rang] verbonden was, te inventariseren,</para>
    <para>opdat bezien zou worden welke maatregelen de plaatsingsautoriteit naar</para>
    <para>aanleiding van deze inventarisatie zou kunnen nemen. Aangezien eiser een</para>
    <para>anciënniteit had van 1 november 1982 heeft de Sectie S1 naar aanleiding van</para>
    <para>deze opdracht in mei 1989 aan de Staf van het [eenheid] voorgesteld eiser van</para>
    <para>functie te laten ruilen met de andere [functie 2] . Alle direct betrokkenen hebben</para>
    <para>er geen moment aan getwijfeld dat de voorgestelde functieruil</para>
    <para>gerealiseerd zou worden. Eisers eskadronscommandant   heeft in zijn advies</para>
    <para>bij eisers rekest verklaard dat iedereen binnen zijn eenheid ervan uitging</para>
    <para>dat eiser per 1 januari 1990 bevorderd zou worden. Blijkens zijn advies bij</para>
    <para>eisers rekest verwachtte ook de Directeur van de [eenheid] niet anders dan dat de</para>
    <para>ruiling zou plaatsvinden en dat eiser dientengevolge met   ingang van 1</para>
    <para>januari 1990 bevorderd zou worden.</para>
    <para>Het voorstel tot functieruil is echter op een hoger niveau binnen de</para>
    <para>organisatie niet overgenomen. De DPKL is nimmer op de hoogte geweest van</para>
    <para>het ruilingsvoorstel.</para>
    <para>Aan eiser is per 1 september 1990 een functie toegewezen waaraan de rang</para>
    <para>van [naam functie 1] is verbonden. Per die datum is hij bevorderd.</para>
    <para>Eisers verzoek van 29 januari 1990 om hem per 1 januari 1990 te bevorderen</para>
    <para>tot [naam functie 1] is bij het thans bestreden besluit van 27</para>
    <para>november 1990 afgewezen. Dit besluit berust op de volgende motivering:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"Conform het gestelde in artikel 27, derde lid, van het Algemeen Militair</para>
    <para>Ambtenarenreglement (AMAR) wordt de aan militair die een functie is</para>
    <para>toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij</para>
    <para>bekleedt, op de datum van ingang van functievervulling die hogere rang</para>
    <para>toegekend.</para>
    <para>Daar u eerst per 1 september 1990 een functie is toegewezen waaraan de rang</para>
    <para>van [naam functie 1] is verbonden, bent u per gelijke datum, met</para>
    <para>dezerzijdse beschikking KL./rnr/17, als zodanig bevorderd."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eisers gemachtigde acht deze motivering niet deugdelijk. Naar zijn mening</para>
    <para>volgt uit artikel 27, derde lid, AMAR wel dat in geval van toewijzing van</para>
    <para>een functie waaraan een hogere rang is verbonden bevordering dient te</para>
    <para>volgen, maar geldt omgekeerd niet dat voor bevordering noodzakelijk is dat</para>
    <para>een hogere functie is toegewezen. Naar zijn mening heeft gedaagde ook</para>
    <para>buiten de in artikel 27, derde lid, laatste volzin, artikel 27, vierde lid,</para>
    <para>artikel 27, vijfde lid, en artikel 28 AMAR opgenomen specifieke</para>
    <para>uitzonderingsgevallen de mogelijkheid om in bijzondere situaties zonder</para>
    <para>toewijzing van een hogere functie over te gaan tot bevordering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan eisers gemachtigde hierin niet volgen. Mede gelet op de Nota</para>
    <para>van toelichting bij het AMAR, waarin is vermeld dat artikel 27 de</para>
    <para>kernbepaling bevat dat bevordering is gerelateerd aan een functie waaraan</para>
    <para>een hogere klasse of rang is verbonden dan die welke de militair tot dan</para>
    <para>toe bekleedt, moet het ervoor worden gehouden dat het systeem van artikel</para>
    <para>27 AMAR inhoudt dat bevordering en functietoewijzing wel degelijk</para>
    <para>onlosmakelijk zijn verbonden, behoudens de in artikel 27 en 28 AMAR</para>
    <para>limitatief opgesomde - zich in casu niet voordoende - specifieke</para>
    <para>uitzonderingsgevallen. Het AMAR biedt derhalve geen ruimte voor de door</para>
    <para>eiser gewenste bevordering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad voegt hieraan toe dat zich gevallen laten denken waarin onverkorte</para>
    <para>toepassing van de voorschriften inzake bevordering in strijd zou kunnen</para>
    <para>zijn met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, bij voorbeeld in</para>
    <para>geval van bevoegdelijk gedane toezeggingen. Het is in een dergelijk geval</para>
    <para>denkbaar dat de   betrokkene dient te worden behandeld als ware hij</para>
    <para>ingedeeld op een functie waaraan een hogere rang is verbonden, althans dat</para>
    <para>hij in de positie wordt gebracht als ware hij bevorderd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is van oordeel dat een dergelijk uitzonderingsgeval zich in casu</para>
    <para>niet voordoet. Het moge zo zijn dat eiser - en niet alleen hij - in de</para>
    <para>veronderstelling heeft verkeerd dat het met de bouwsteenvolgnummerruil wel</para>
    <para>in orde zou komen, maar dit kan rechtens niet worden aangemerkt als een</para>
    <para>gerechtvaardigd vertrouwen. Immers, de bevoegdheid tot het indelen van een</para>
    <para>militair in een andere functie (niet zijnde een opperofficiersfunctie)</para>
    <para>berustte ingevolge artikel 135 AMAR (oud) in verbinding met artikel 2,</para>
    <para>tweede lid, van de Beschikking verplaatsingsbevoegdheid KL ook in 1989</para>
    <para>bij uitsluiting bij de DPKL. Eiser wist dat ook, althans hij had dat</para>
    <para>kunnen weten, aangezien te zijnen aanzien reeds eerder een</para>
    <para>bouwsteenvolgnummerwijziging tot stand was gebracht bij DPKL-beschikking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De stukken bieden voorts geen enkele aanwijzing dat de onderdeelscommandant</para>
    <para>de andere [functie 2] feitelijk heeft belast met de werkzaamheden verbonden aan de</para>
    <para>functie met bouwsteenvolgnummer HRCH en eiser met de werkzaamheden</para>
    <para>verbonden aan de functie met [bouwsteennummer]. Ook uit dien hoofde</para>
    <para>was er geen aanleiding eiser aan te merken of te behandelen als een</para>
    <para>"militair die op 010190 werkzaam is op een functie, waaraan een hogere</para>
    <para>rang is verbonden" als bedoeld in artikel 5, onder c, van de</para>
    <para>Uitvoeringsbepalingen overgangsbeleid KL.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ook de Raad acht de gang van zaken rond het voorstel tot functieruil en met</para>
    <para>name de ernstig tekortgeschoten informatievoorziening binnen het [eenheid]</para>
    <para>onbevredigend en teleurstellend voor eiser, maar de Raad ziet in dit tekort</para>
    <para>onvoldoende basis voor het oordeel dat gedaagde eiser alsnog per 1 januari</para>
    <para>1990 zou moeten bevorderen of hem in de positie zou moeten brengen als</para>
    <para>ware hij per die datum bevorderd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen aanleiding om toepassing</para>
    <para>te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para>Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.M.A. van der</para>
    <para>Kolk-Severijns en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M.</para>
    <para>Nieuwenhuis als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 1994 door voornoemde voorzitter,</para>
    <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) J. Janssen.</para>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) M. Nieuwenhuis.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>