<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-08-06T14:44:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5016</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 93/78</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-08-06T14:41:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016 Centrale Raad van Beroep , 17-03-1994 / AW 93/78</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Letselschade. Aangezien voor het bepalen van de vergoeding van schade als hier aan de orde - t.w. het moeten missen van de top van de linker wijsvinger t.g.v. een bedrijfsongeval - werkelijk objectieve maatstaven ontbreken, heeft de Raad zich laten leiden door vergelijking met en aansluiting bij beslissingen in analoge gevallen, zoals weergegeven en gerubriceerd in de editie Smartegeld van het tijdschrift Verkeersrecht. I.c. gesteld op fl. 3500,- (Zie ook TAR 94/34) Artikel over immateriële schade en risico-aanvaarding als basis voor de aansprakelijkheid van een administratief orgaan als werkgever voor dienstongevallen van ambtenaren: zie TAR oktober 1994, blz. 525.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5016:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>AW 1993/78                           O</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in de gedingen tussen:</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, eiser I</para>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>de Raad van de gemeente Vianen, eiser II,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>
    [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eiser I heeft bij besluit van 6 maart 1991 geweigerd om met toepassing van</para>
    <para>artikel E 26 van het toepasselijke Algemeen Ambtenarenreglement (AAR) aan</para>
    <para>gedaagde de door hem noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige</para>
    <para>behandeling en verzorging te vergoeden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eiser II heeft bij besluit van 28 november 1991 geweigerd om een</para>
    <para>schadeloosstelling aan gedaagde toe te kennen ingevolge artikel F 26 van</para>
    <para>het AAR terzake van door gedaagde geleden immateriële schade.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam (sector Dordrecht) heeft bij</para>
    <para>uitspraak van 31 december 1992, nr. AW 91/135-D3 de tegen bovengenoemde</para>
    <para>besluiten ingestelde beroepen gegrond en de bestreden besluiten nietig</para>
    <para>verklaard en bepaald dat eisers met inachtneming van het in die uitspraak</para>
    <para>overwogene nieuwe besluiten dienen te nemen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Eisers zijn van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad van 24 februari</para>
    <para>1994, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van</para>
    <para>Kleef, verbonden aan Juridisch adviesbureau Van Kleef en Partners BV.</para>
    <para>Gedaagde is in persoon verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking</para>
    <para>getreden en is de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet -</para>
    <para>gewijzigd.</para>
    <para>De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter</para>
    <para>mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met</para>
    <para>toepassing van het procesrecht zoals dat luidde voor 1 januari 1994,</para>
    <para>behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als</para>
    <para>bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad vat de in dit geding relevante feiten en omstandigheden als volgt</para>
    <para>samen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan gedaagde die vanaf 1 september 1981 tot aan de verzelfstandiging per 1</para>
    <para>juli 1990 van het gemeentelijk waterleidingbedrijf aldaar werkzaam was</para>
    <para>als machinist tevens hulpfitter, is op 13 maart 1990 bij het verrichten</para>
    <para>van onderhoudswerkzaamheden (het vervangen van een onderwaterpomp) een</para>
    <para>ongeval overkomen, als gevolg waarvan hij - naar later is gebleken - de top</para>
    <para>van zijn linker wijsvinger moet missen.</para>
    <para>Gedaagde heeft eisers voor de door het bedrijfsongeval veroorzaakte schade</para>
    <para>aansprakelijk gesteld, aangezien het ongeval naar zijn mening in hoofdzaak</para>
    <para>geweten moet worden aan het gebruik van verouderd gereedschap (dat in</para>
    <para>afwachting van de verzelfstandiging van het bedrijf niet meer werd</para>
    <para>vervangen).</para>
    <para>Gedaagde heeft verzocht om betaling van een bedrag van</para>
    <para>(aanvankelijk) f 2.000,- in verband met de door hem geleden materiële en</para>
    <para>immateriële schade, waarbij hij onder meer gewezen heeft op gemaakte</para>
    <para>ziektekosten, geleden pijn en het niet meer (goed) kunnen beoefenen van</para>
    <para>zijn hobby gitaarspelen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagdes verzoek om schadevergoeding is bij de bestreden besluiten door de</para>
    <para>bevoegde organen afgewezen, omdat gedaagde naar het oordeel van eisers bij</para>
    <para>het vervangen van de onderwaterpomp onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld</para>
    <para>bij het inachtnemen van de benodigde voorzichtigheid, zodat het hem</para>
    <para>overkomen ongeval niet aan eisers zou zijn toe te rekenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad onderschrijft het standpunt van de eerste rechter dat tijdig tegen</para>
    <para>voornoemde besluiten van 6 maart 1991 en 28 november 1991 beroep is</para>
    <para>ingesteld.</para>
    <para>De Raad staat nu voor de vraag of deze besluiten in rechte kunnen worden</para>
    <para>gehandhaafd. Hij beantwoordt die vraag evenals de eerste rechter ontkennend</para>
    <para>en overweegt daartoe het volgende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan de orde is de vraag of gedaagde aanspraak kan maken op vergoeding van</para>
    <para>door hem bij een bedrijfsongeval geleden materiële en immateriële schade.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft in zijn uitspraak van 9 december 1993, nr. AW 1992/1347 (TAR</para>
    <para>1994, 34) een zekere vorm van risicoaansprakelijkheid geïntroduceerd voor</para>
    <para>het administratief orgaan in geval van (immateriële) letselschade bij een</para>
    <para>bedrijfsongeval, waartoe in die uitspraak is overwogen:</para>
    <para>"Zoals uit 's Raads jurisprudentie blijkt is het algemene uitgangspunt dat</para>
    <para>een administratief orgaan in beginsel gehouden is de aan een ambtenaar</para>
    <para>toegebrachte schade te vergoeden; dat dit niet inhoudt dat elke schade</para>
    <para>welke door toedoen van een administratief orgaan aan een ambtenaar is</para>
    <para>toegebracht voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking moet komen; dat</para>
    <para>door het ontstaan van een op het administratief orgaan rustende</para>
    <para>vergoedingsplicht jegens de ambtenaar is vereist dat sprake is van een</para>
    <para>aan dat orgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar materiële of</para>
    <para>immateriële schade heeft geleden en dat dat optreden en die schade van een</para>
    <para>zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door dat</para>
    <para>orgaan in aanmerking dient te komen; dat niet elk leed voor vergoeding in</para>
    <para>aanmerking komt; dat deelname aan het maatschappelijk verkeer een   zekere</para>
    <para>mate van ongerief of zelfs leed meebrengt, waar tegenover niet steeds een</para>
    <para>compensatieplicht van de zijde van het orgaan kan worden gesteld.</para>
    <para>De Raad is van oordeel dat dit algemene uitgangspunt voor bepaalde gevallen</para>
    <para>nuancering behoeft. Daartoe zij overwogen - en zulks mede in het licht van</para>
    <para>hetgeen bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald omtrent de</para>
    <para>primair aan de werkgever opgedragen verplichting te zorgen voor de</para>
    <para>veiligheid in verband met de arbeid -, dat voor gevallen waarbij</para>
    <para>(letsel)schade ontstaat als gevolg van een ongeval tijdens werkzaamheden</para>
    <para>van bedrijfsmatige aard waarbij gebruik wordt gemaakt van gereedschap en</para>
    <para>machines, een zekere vorm van risicoaanvaarding door het administratief</para>
    <para>orgaan aangenomen moet worden. Dit betekent dat op het administratief</para>
    <para>orgaan (ook) een vergoedingsplicht komt te rusten voor schade die het</para>
    <para>gevolg is van een bedrijfsongeval dat zich voordoet in een werksituatie</para>
    <para>die aanvankelijk geen gevaren voor de veiligheid van de ambtenaar leek op</para>
    <para>te leveren en waarin mogelijke gevaren bij het gebruik van werktuigen,</para>
    <para>machines en overige hulpmiddelen in vergaande mate waren beperkt, maar</para>
    <para>waarbij het - achteraf bezien - toch mogelijk was geweest doelmatiger</para>
    <para>veiligheidsvoorzieningen te treffen."</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het onderhavige geval kon de oorzaak van het ongeval niet onomstotelijk</para>
    <para>worden vastgesteld. Partijen zijn het er echter over eens dat het gebeuren</para>
    <para>waarschijnlijk is te wijten aan het verschuiven van een of meer schakels</para>
    <para>van de gebruikte hijsketting, waardoor de buis die aan die ketting hing</para>
    <para>een stukje naar beneden viel, juist op het moment dat gedaagde met zijn</para>
    <para>handen onder die buis aan de laatste bouten draaide.</para>
    <para>Gedaagde heeft betoogd dat het ongeval voorkomen had kunnen worden door te</para>
    <para>werken met een - door de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven - gekeurde</para>
    <para>hijsband, in plaats van met een verouderde ketting waarbij het risico van</para>
    <para>schuivende schakels steeds aanwezig is, terwijl onvermijdelijk is dat op</para>
    <para>bepaalde momenten met de handen (vingers) zonder gereedschap onder de</para>
    <para>opgehesen buis moet worden gewerkt. Gedaagde heeft er verder op gewezen</para>
    <para>dat na de privatisering de hijsketting is vervangen, terwijl ook overigens</para>
    <para>een aantal veiligheidsmaatregelen is genomen waardoor een ongeval als het</para>
    <para>onderhavige niet meer kan voorkomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat gedaagde niet conform de</para>
    <para>voorschriften of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld bij het uitvoeren</para>
    <para>van de onderhoudswerkzaamheden.</para>
    <para>De Raad komt gelet op deze omstandigheden en in het licht van hetgeen hij</para>
    <para>in zijn eerdere - hierboven geciteerde - uitspraak heeft overwogen tot de</para>
    <para>slotsom dat op eisers de plicht rust de door gedaagde als gevolg van het</para>
    <para>hem overkomen bedrijfsongeval geleden materiële en immateriële schade te</para>
    <para>vergoeden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het vorenstaande houdt in dat eiser I alsnog toepassing behoort te geven</para>
    <para>aan het bepaalde in artikel E 26 van het AAR (nu het ongeval in overwegende</para>
    <para>mate haar oorzaak vindt in de arbeidsomstandigheden en niet aan schuld of</para>
    <para>nalatigheid van gedaage is te wijten) en alle door gedaagde noodzakelijk</para>
    <para>gemaakte en te zijnen laste blijvende kosten van geneeskundige behandeling</para>
    <para>of verzorging dient te vergoeden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De door eiser II ingevolge artikel F 26 van het AAR aan gedaagde toe te</para>
    <para>kennen immateriële schade kan de Raad, gelet op artikel 47, lid 2, van de</para>
    <para>Ambtenarenwet 1929, zelf bij zijn uitspraak vaststellen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aangezien voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding van schade als</para>
    <para>hier aan de orde werkelijk objectieve maatstaven ontbreken, heeft de Raad</para>
    <para>zich (evenals in zijn eerdergenoemde uitspraak van 9 december 1993) laten</para>
    <para>leiden door vergelijking met en aansluiting bij beslissingen in analoge</para>
    <para>gevallen, zoals weergegeven en gerubriceerd in de periodiek verschijnende</para>
    <para>editie Smartegeld van het tijdschrift Verkeersrecht. Alle omstandigheden</para>
    <para>van het geval in aanmerking nemend bepaalt de Raad gedaagdes geldelijke</para>
    <para>aanspraak op f 3.500,-.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor</para>
    <para>bevestiging in aanmerking komt zoals hierna onder III is omschreven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het hiervoor overwogene is er voorts aanleiding om eisers, als in</para>
    <para>het ongelijk gestelde partijen, te veroordelen in de proceskosten van</para>
    <para>gedaagde, welke zijn begroot op f 235,23 ter zake van reis- en</para>
    <para>verletkosten; van andere kosten is de Raad niet gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad beslist als volgt:</para>
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat:</para>
    <para>- eiser I een nieuw besluit dient te nemen met</para>
    <para>inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen;</para>
    <para>- eiser II wordt veroordeeld tot betaling aan gedaagde</para>
    <para>van een vergoeding van f 3.500,--;</para>
    <para>Veroordeelt eisers in de kosten van het geding in beide instanties aan de</para>
    <para>zijde   van gedaagde gevallen, ten bedrage van f 235,23;</para>
    <para>Wijst de gemeente Vianen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet</para>
    <para>vergoeden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter en</para>
    <para>mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid</para>
    <para>van P.H. Schippers als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 1994 door</para>
    <para>mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde</para>
    <para>griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.    (get.) J. Boesjes.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>