<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:19:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB4999</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK5698</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-02-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 93/164</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1994/87 met annotatie van J. Zwennis</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:43:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999 Centrale Raad van Beroep , 17-02-1994 / AW 93/164</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Functievervulling. Bezoldiging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB4999:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1993/164                                  O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Financiën, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[gedaagde], gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te Groningen op</para>
      <para>18 februari 1993 onder nr. AW 209-140-91 gegeven uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is van contra-memorie gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 27 januari 1994, waar eiser</para>
      <para>zich heeft doen vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij de</para>
      <para>Directie Personeel en Organisatie van de Belastingdienst, en waar voor</para>
      <para>gedaagde is opgetreden mr. Chr.J.M. Scheen, werkzaam bij de CFO</para>
      <para>(C.N.V.-bond voor Overheid, Zorgsector en Verzelfstandigde</para>
      <para>Overheidsinstellingen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking</para>
      <para>getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet -</para>
      <para>gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht</para>
      <para>brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist</para>
      <para>met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994,</para>
      <para>behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als</para>
      <para>geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven</para>
      <para>overzicht van de in dit geding relevante feiten volstaat de Raad met</para>
      <para>vermelding van het navolgende:</para>
      <para>Gedaagde, die tot dan toe als medewerker in groepsfunctie H van het</para>
      <para>Loopbaan- en Bezoldigingsreglement Belastingdienst (LBB) werkzaam was bij</para>
      <para>de [afdeling] te [standplaats], is, in het kader van een</para>
      <para>grootscheepse herstructurering van de Belastingdienst, per 1 januari 1990</para>
      <para>in dezelfde volgens salarisschaal 13 van het Bezoldigingsbesluit</para>
      <para>Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) bezoldigde functie toebedeeld</para>
      <para>aan de Eenheid Ondernemingen te Leeuwarden van de Belastingdienst.</para>
      <para>Gedaagde is evenwel vanaf die datum belast geweest met de waarneming van</para>
      <para>de functie van [functie] bij die Eenheid, een individuele functie die</para>
      <para>gewaardeerd is op hoofd-/niveaugroep Ve, waarbij behoort salarisschaal 14</para>
      <para>van bijlage B van het BBRA 1984.</para>
      <para>Bij het thans bestreden besluit, dat weliswaar in twee stukken is vervat,</para>
      <para>maar gezien datering en nummering als één geheel mag worden beschouwd, en</para>
      <para>ook door de eerste rechter als zodanig is opgevat, is gedaagde alsnog met</para>
      <para>ingang van 1 januari 1990 aangewezen als [functie] bij de Eenheid</para>
      <para>Ondernemingen te Leeuwarden met behoud van zijn bezoldiging in</para>
      <para>salarisschaal 13, en is ingaande 1 januari 1991 zijn bezoldiging</para>
      <para>vastgesteld in salarischaal 14.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft de in dit geding aan de orde zijnde vraag of eiser</para>
      <para>terecht en op goede gronden heeft besloten gedaagde eerst ingaande 1</para>
      <para>januari 1991 voor bezoldiging overeenkomstig het niveau van zijn functie</para>
      <para>van [functie] in aanmerking te brengen, ontkennend beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in dit geding om toepassing van artikel 5, tweede lid, van het</para>
      <para>BBRA 1984, welke bepaling inhoudt dat de salarisschaal welke voor de</para>
      <para>ambtenaar geldt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen</para>
      <para>verzet bepaald wordt met inachtneming van de aard en het niveau van zijn</para>
      <para>functie en van bijzondere regelingen als bedoeld in artikel 13 van het</para>
      <para>Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde</para>
      <para>strekking in een soortgelijke regeling.</para>
      <para>Buiten twijfel is dat er met betrekking tot functies als die van gedaagde</para>
      <para>geen bijzondere regeling geldt als aan het slot van evenvermeld voorschrift</para>
      <para>bedoeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft in hoger beroep naar voren doen brengen dat hij in het kader</para>
      <para>van artikel 5, tweede lid, van het BBRA 1984 een beleid voert volgens</para>
      <para>hetwelk bij benoeming in een functie waaraan een hogere salarisschaal is</para>
      <para>verbonden dan die waarnaar de ambtenaar wordt bezoldigd, die hogere</para>
      <para>salarisschaal niet met ingang van de datum van benoeming doch eerst na</para>
      <para>verloop van één jaar wordt toegekend, waarbij indien het functioneren zulks</para>
      <para>toelaat de functionele schaal eerder dan na verloop van één jaar wordt</para>
      <para>toegekend.</para>
      <para>Dit beleid steunt op de opvatting van eiser dat bij benoeming van een</para>
      <para>ambtenaar in een hoger gewaardeerde functie weliswaar de verwachting</para>
      <para>bestaat dat hij geschikt is voor de vervulling van die functie, maar niet</para>
      <para>de verwachting dat hij die functie van meet af aan bekwaam en volledig zal</para>
      <para>kunnen vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt in de eerste plaats op dat naar zijn oordeel het door eiser</para>
      <para>geschetste beleid in wezen neerkomt op een omkering van de hoofdregel die</para>
      <para>in artikel 5, tweede lid, van het BBRA 1984 is vervat. De in die bepaling</para>
      <para>voorziene mogelijkheid inschaling in de functionele schaal nog achterwege</para>
      <para>te laten is uitdrukkelijk geformuleerd als een uitzondering op het</para>
      <para>uitgangspunt dat salariëring volgens de aan de hand van functiewaardering</para>
      <para>voor de functie vastgestelde schaal verloopt, en is blijkens</para>
      <para>de bij die bepaling behorende toelichting ook bedoeld voor toepassing in</para>
      <para>bijzondere situaties.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad strookt het niet met dit uitgangspunt van</para>
      <para>artikel 5, tweede lid, van het BBRA 1984 om een beleid te hanteren waarin,</para>
      <para>behoudens uitzonderingen, een wachttijd van een jaar tot regel wordt</para>
      <para>verheven.</para>
      <para>Weliswaar is ook in het van de zijde van eiser geschetste beleid rekening</para>
      <para>gehouden met de mogelijkheid dat een ambtenaar reeds eerder dan na verloop</para>
      <para>van een jaar na plaatsing in een hoger gewaardeerde functie in de</para>
      <para>functionele schaal wordt ingedeeld, maar naar het oordeel van de Raad wordt</para>
      <para>langs die weg aan beantwoording van de vraag of het functioneren van de</para>
      <para>ambtenaar zich (nog) tegen inschaling in de functionele schaal verzet een</para>
      <para>duidelijk ander accent gegeven dan met artikel 5, tweede lid, van het BBRA</para>
      <para>1984 in overeenstemming is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet vervolgens constateren dat uit het bestreden besluit in het</para>
      <para>geheel niet blijkt dat aandacht is besteed aan de vraag of gedaagdes wijze</para>
      <para>van functioneren zich ten tijde van zijn aanstelling in de functie van</para>
      <para>[functie], hetgeen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1990 is</para>
      <para>geschied, verzette tegen inschaling in de bij die functie behorende</para>
      <para>salarisschaal 14. Ook in de loop van de procedure is geen enkel concreet</para>
      <para>gegeven aangedragen waaruit blijkt dat zulks tot 1 januari 1991 het geval</para>
      <para>is geweest. Aan het gegeven dat gedaagdes chef hem eerst met ingang van</para>
      <para>laatstgenoemde datum voor inschaling in de functionele schaal heeft</para>
      <para>voorgedragen kan in dit verband geen gewichtige betekenis worden</para>
      <para>toegekend, nu die voordracht is gedaan met het hiervoor geschetste beleid</para>
      <para>van eiser als uitgangspunt, terwijl de bewoordingen van die op 25 oktober</para>
      <para>1990 gedane voordracht er juist op lijken te wijzen dat gedaagde in elk</para>
      <para>geval op een vóór die datum gelegen tijdstip tot tevredenstellende</para>
      <para>functievervulling is gekomen. De Raad is gezien het hiervoor overwogene</para>
      <para>van oordeel dat het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de</para>
      <para>inschaling van gedaagde onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en</para>
      <para>onvoldoende is gemotiveerd en om die redenen niet in stand kan worden</para>
      <para>gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt nog op dat hij weliswaar begrip kan opbrengen voor de door</para>
      <para>eiser geschetste ongewisheid omtrent de wijze van functievervulling die kan</para>
      <para>bestaan op het tijdstip waarop een ambtenaar een hoger gewaardeerde</para>
      <para>functie aanvaardt. Hij wijst er echter op dat niets zich ertegen verzet om</para>
      <para>beoordeling van de wijze van functievervulling op een later tijdstip dan</para>
      <para>dat van de aanvaarding te verrichten. Die beoordeling behoort dan echter</para>
      <para>gericht te zijn op beantwoording van de vraag of en zo ja tot welk tijdstip</para>
      <para>de wijze van vervulling van de nieuwe functie zich verzette tegen</para>
      <para>inschaling in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal, hetgeen kan</para>
      <para>uitmonden in een indeling in die schaal met terugwerkende kracht tot dat</para>
      <para>tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad concludeert uit het hiervoor overwogene dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak dient te worden bevestigd en hij ziet daarin voorts aanleiding</para>
      <para>eiser te veroordelen in de kosten die gedaagde in verband met de</para>
      <para>behandeling van het beroep in eerste aanleg en het hoger beroep redelijkerwijs</para>
      <para>heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op een bedrag van f</para>
      <para>1.420,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verstaat dat eiser een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van</para>
      <para>hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt eiser in de aan de zijde van gedaagde redelijkerwijs gemaakte</para>
      <para>proceskosten ten bedrage van f 1.420,- en wijst de Staat der Nederlanden</para>
      <para>aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. H. Bekker als voorzitter en</para>
      <para>mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 1994 door voornoemde</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. Bekker.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>