<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:37:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB3028</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-08-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WW 93/487</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=16&amp;g=1994-08-16">Werkloosheidswet 16</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=1994-08-16">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:37:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028 Centrale Raad van Beroep , 16-08-1994 / WW 93/487</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden. Verwijtbare werkloosheid door het stellen van</para>
        <para> belemmerende eisen aan passende arbeid.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>WW 1993/487</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>O.</para>
      <para>U I T S P R A A K</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger</para>
      <para>beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Assen onder dagtekening</para>
      <para>11 augustus 1993 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 19 juli 1994,</para>
      <para>waar eiser, zoals tevoren was aangekondigd, zich niet heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen mr. M. Greebe,</para>
      <para>advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna:</para>
      <para>Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader</para>
      <para>gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
      <para>onderhavige beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht</para>
      <para>zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid</para>
      <para>van vergoeding van proceskosten in hoger beroep, als geregeld in artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde die laatstelijk voor onbepaalde tijd in dienst was van</para>
      <para>B.V. X. te Y., is in 1989 wegens ziekte ten gevolge van</para>
      <para>psychosociale problemen uitgevallen voor zijn werk als stratemaker. Met</para>
      <para>ingang van 2 april 1990 heeft hij voor 25 uur per week hervat. Daarnaast</para>
      <para>ontving hij een aanvullende uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering. Gedaagde kon het werk verenigen met de</para>
      <para>zorg voor zijn twee kinderen van ongeveer 4½ jaar, omdat zijn vader,</para>
      <para>wanneer klager moest werken, op deze kinderen paste. Gedaagdes vader is in</para>
      <para>november 1991 overleden, waarna gedaagde zich weer wegens ziekte (thans</para>
      <para>weer volledig) arbeidsongeschikt heeft gemeld en hem deswege uitkering is</para>
      <para>verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft gedaagdes arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1 juni</para>
      <para>1992 ingetrokken omdat hij per deze datum in staat geacht werd om gedurende</para>
      <para>40 uur per week zijn werk te hervatten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde wenst voor de kinderen te blijven zorgen, een oppas heeft hij niet</para>
      <para>kunnen vinden, zodat hij slechts werk als stratemaker of gelijksoortige</para>
      <para>arbeid wenst te aanvaarden indien hij daarbij in staat wordt gesteld de</para>
      <para>kinderen zelf op te vangen in de ochtend tot 8.30 uur, tussen de middag van</para>
      <para>12.00 tot 13.15 uur en 's middags na 15.30 uur, zolang hij nog geen oppas</para>
      <para>heeft. Omdat gedaagdes werkgever op dit punt niet kon voldoen aan de wensen</para>
      <para>van gedaagde, heeft deze per 1 juni 1992 ontslag genomen. Gedaagde heeft</para>
      <para>vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW)</para>
      <para>aangevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bestreden beslissing heeft eiser besloten dat gedaagde met ingang</para>
      <para>van deze datum geen recht heeft op uitkering nu hij niet beschikbaar is om</para>
      <para>arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder b, van</para>
      <para>de WW. Tevens is besloten om gebruik te maken van de bevoegdheid om het</para>
      <para>verstrekte voorschot over de periode van 1 juni 1992 tot en met 17 juli</para>
      <para>1992 ad f 2.346,86 bruto terug te vorderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad staat voor de vraag of de bestreden beslissing stand kan houden.</para>
      <para>Deze vraag beantwoordt de Raad met de eerste rechter ontkennend. Daartoe is</para>
      <para>als volgt overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel gedaagde aanvankelijk ook heeft verklaard dat hij beschikbaar is om</para>
      <para>voor de volle werkweek arbeid te aanvaarden, stelt hij zich thans op het</para>
      <para>standpunt dat hij voor 25 uur per week beschikbaar is. Daarnaast stelt hij</para>
      <para>de eerdergenoemde voorwaarden ten aanzien van de mogelijkheid om op zijn</para>
      <para>kinderen te passen aan de te aanvaarden arbeid. Uit de gedingstukken komt</para>
      <para>in dit verband naar voren dat gedaagde financieel niet in staat is om zijn</para>
      <para>kinderen van betaalde opvang te voorzien, dat in zijn</para>
      <para>woonplaats B. geen kosteloze opvang te verkrijgen is en dat hij, de</para>
      <para>schoolvakanties daargelaten, geen beroep op familieleden wenst te doen</para>
      <para>omdat hij niet afhankelijk van dezen wil zijn. Ten aanzien van de kosteloze</para>
      <para>opvang heeft gedaagde steeds zijn hoop gesteld op het ontplooien van</para>
      <para>activiteiten door de Stichting Kinderopvang B., doch door gebrek aan</para>
      <para>subsidie zijn deze activiteiten nog steeds niet aangevangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gebleken is dat gedaagde enkele malen heeft gesolliciteerd en dat hij</para>
      <para>zich als werkzoekende heeft laten inschrijven bij het Gewestelijk</para>
      <para>Arbeidsbureau. Hij heeft zich nadien ook (en wederom) tot zijn voormalige</para>
      <para>werkgever gewend die heeft verklaard gedaagde direct weer in dienst te</para>
      <para>nemen wanneer de opvang van de kinderen zou zijn geregeld. Ter</para>
      <para>terechtzitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde meegedeeld dat</para>
      <para>gedaagde daarnaast zijn diensten ook aan uitvoerders bij bouwwerken heeft</para>
      <para>aangeboden. Hij werd echter nergens aangenomen omdat zijn wensen ten</para>
      <para>aanzien van de kinderopvang niet door de aangezochte werkgevers konden</para>
      <para>worden gehonoreerd.</para>
      <para>Gezien deze activiteiten om weer aan de slag te komen is de Raad met de</para>
      <para>eerste rechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagdes</para>
      <para>opstelling er ondubbelzinnig van getuigt dat hij niet beschikbaar is om</para>
      <para>arbeid te aanvaarden, zodat de bestreden beslissing, nu deze een</para>
      <para>deugdelijke grondslag ontbeert, terecht is vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt daaraan voorts toe dat het feitencomplex dat naar de</para>
      <para>opvatting van eiser op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de WW</para>
      <para>aan de weg stond aan het ontstaan van recht op uitkering, eerder aanleiding</para>
      <para>kan zijn om de situatie die voorzien wordt in artikel 24, eerste lid, onder</para>
      <para>b, sub 4, van deze wet aanwezig te achten, omdat gedaagde in verband met</para>
      <para>door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen</para>
      <para>van passende arbeid zouden kunnen belemmeren in de zin van</para>
      <para>laatstgenoemde bepaling. Immers, gedaagde heeft wel gesolliciteerd bij</para>
      <para>werkgevers in zijn (stratemakers)branche. Naar het de Raad voorkomt is</para>
      <para>een van de kenmerken van de bedrijven in deze branche dat de uitvoering</para>
      <para>van het werk slechts beperkte tijd op dezelfde locatie plaatsvindt. De Raad</para>
      <para>kan zich voorstellen dat een eventueel nader door eiser te verrichten</para>
      <para>onderzoek uit zou kunnen wijzen dat dit zich bezwaarlijk laat verenigen met</para>
      <para>de wens van gedaagde om op gezette tijden op een vaste plaats beschikbaar</para>
      <para>te zijn voor zijn kinderen. Dit zou temeer gelden indien de bedoelde</para>
      <para>werkzaamheden buiten B. zouden moeten worden verricht. Uit de</para>
      <para>gedingstukken blijkt voorts niet dat gedaagde zich ruimer heeft opgesteld</para>
      <para>in dier voege dat hij ook ander werk dan dat van stratemaker of hiermee</para>
      <para>verwante werkzaamheden heeft getracht te vinden. Ter terechtzitting van de</para>
      <para>Raad heeft de gemachtigde van gedaagde voor diens opstelling als mogelijke</para>
      <para>verklaring gegeven dat gedaagde voor het beroep van stratemaker is opgeleid</para>
      <para>en dat zijn voorkeur op grond hiervan uitgaat naar dit werk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu nog niet vaststaat dat hetgeen aan voorschot is uitgekeerd</para>
      <para>onverschuldigd is betaald, heeft eiser niet de bevoegdheid de voorschotten</para>
      <para>terug te vorderen, zodat ook de terugvorderingsbeslissing terecht is</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande kan het hoger beroep van eiser niet slagen en</para>
      <para>dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd met dien verstande dat</para>
      <para>eiser ter zake van gedaagdes aanspraak op uitkering ingevolge de WW een</para>
      <para>nadere beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze</para>
      <para>uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenoverwogene, zal eiser in de proceskosten van gedaagde in</para>
      <para>hoger beroep worden veroordeeld welke kosten worden bepaald op f 710,-- aan</para>
      <para>kosten van rechtsbijstand. Van andere kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 80a, tweede</para>
      <para>lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van eiser een</para>
      <para>recht van f 200,-- dient te worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verstaat dat eiser een nadere beslissing zal nemen met inachtneming van</para>
      <para>deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt eiser in de kosten van de procedure tot een bedrag van f 710,-- te</para>
      <para>betalen door eisers bedrijfsvereniging;</para>
      <para>Verstaat dat van eiser een recht van f 200,-- wordt</para>
      <para>geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr. T. Hoogenboom</para>
      <para>en mr. M.F. Leewis als leden, in tegenwoordigheid van mr. G.</para>
      <para>Leppink-Kooistra als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 1994 door voornoemde</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Hugenholtz.</para>
    <para />
    <para>(get.) D. Nebbeling.         (get.) G. Leppink-Kooistra.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>