<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:02:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB2991</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0189</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-06-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAO 93/184</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1994-06-14">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1994/206</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:36:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991 Centrale Raad van Beroep , 14-06-1994 / WAO 93/184</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Maatman, geschiktheid voor maatmanfunctie, onmogelijkheid in eigen functie</para>
        <para> te hervatten, geschiktheid voor eigen functie bij andere werkgever.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2991:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>WAO 1993/184                                          0.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., eiseres,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en</para>
      <para>Huisvrouwen, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een</para>
      <para>door de arrondissementsrechtbank te Arnhem onder dagtekening</para>
      <para>19 juli 1993 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de</para>
      <para>Raad op 3 mei 1994, waar eiseres in persoon is</para>
      <para>verschenen met bijstand van mr. Bemelmans voornoemd, en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr. E.A.M. Kuppens, werkzaam bij gedaagdes bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
      <para>werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
      <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
      <para>onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het</para>
      <para>procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de</para>
      <para>mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75</para>
      <para>van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het aanvullend beroepschrift ontleent de Raad de volgende feiten:</para>
      <para>"Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als assistente magazijnchef bij</para>
      <para>X. te Y. Zij is in 1977 bij de rechtsvoorganger van groothandel X., Z. te W. als</para>
      <para>magazijn-medewerkster in dienst getreden. In 1980 is zij assistent van de</para>
      <para>magazijnchef geworden. In 1986 is groothandel Z. overgenomen door X.</para>
      <para>en werd het bedrijf overgeplaatst naar Y. Eiseres heeft in 1986 de</para>
      <para>beslissing genomen haar werkgever naar Y. te volgen ondanks het feit</para>
      <para>dat zij als weduwe de zorg had voor minderjarige kinderen. Eiseres woonde</para>
      <para>door de week op kamers in V. en in de weekeinden verbleef zij met de</para>
      <para>kinderen in haar woning in B.</para>
      <para>In verband met een reorganisatie binnen het bedrijf diende een aantal</para>
      <para>personeelsleden, waaronder klaagster af te vloeien. Als gevolg van de</para>
      <para>reorganisatieproblemen ontstond bij klaagster een zodanige onvrede dat</para>
      <para>zij in een depressie raakte. Daarnaast had zij voetklachten nadat zij in</para>
      <para>september 1987 bij een behandeling een enkelfractuur opliep. Als gevolg van</para>
      <para>de lichamelijke en geestelijke klachten heeft eiseres zich op 16 mei 1990</para>
      <para>arbeidsongeschikt gemeld en is zij in aanmerking gebracht voor een</para>
      <para>uitkering krachtens de Ziektewet gedurende de maximum termijn. Daarna is</para>
      <para>zij in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de WAO. Aangezien</para>
      <para>aan het dienstverband van eiseres met werkgever X. op</para>
      <para>18 augustus 1990 een einde is gekomen kan zij bij haar oude werkgever de</para>
      <para>werkzaamheden niet meer hervatten.".</para>
      <para>De Raad neemt deze feiten als vaststaand aan en voegt daaraan nog toe dat</para>
      <para>eiseres gedurende 1 jaar voortgezet lager onderwijs en 2 jaar</para>
      <para>huishoudonderwijs heeft gevolgd en in de huishouding bij particulieren en</para>
      <para>in een slagerswinkel heeft gewerkt voordat zij als magazijnmedewerkster</para>
      <para>bij Z. in dienst trad. Zij lijdt aan dyslexie en verdiende in haar</para>
      <para>laatste betrekking inclusief overwerkverdiensten f 4.700,- per maand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bestreden beslissing van 13 maart 1992 heeft gedaagde de uitkering</para>
      <para>van eiseres ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),</para>
      <para>welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van 80 tot 100%, met ingang van 1 mei 1992 ingetrokken, onder overweging</para>
      <para>dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van die</para>
      <para>datum minder dan 15% was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of deze beslissing in rechte stand kan houden.</para>
      <para>De Raad stelt voorop dat eiseres door uit ziekte of gebrek voortvloeiende</para>
      <para>beperkingen haar werkzaamheden heeft moeten staken.</para>
      <para>Ten tijde in geding - dat is op 1 mei 1992 - was zij blijkens het door de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD)</para>
      <para>opgestelde belastbaarheidspatroon nog steeds beperkt belastbaar ten aanzien</para>
      <para>van het verrichten van arbeid, hetgeen voortvloeide uit als ziekte of</para>
      <para>gebrek te kenschetsen afwijkingen, waaronder dyslexie. Hervatting van het</para>
      <para>werk dat eiseres voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte</para>
      <para>was toen niet meer mogelijk omdat eiseres wegens reorganisatie was</para>
      <para>ontslagen en haar oorspronkelijke functie inmiddels door andere personen</para>
      <para>werd vervuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken en de daarop door gedaagdes gemachtigde ter</para>
      <para>terechtzitting van de Raad gegeven toelichting berust de bestreden</para>
      <para>beslissing op de overweging dat eiseres op 1 mei 1992 weer in staat kon</para>
      <para>worden geacht haar eigen werk van assistente magazijnchef bij een andere</para>
      <para>werkgever dan X. te verrichten. Er zijn</para>
      <para>weliswaar door de arbeidsdeskundige van de GMD G. van Druten</para>
      <para>nog andere functies genoemd maar die functies - waaromtrent verdere</para>
      <para>gegevens overigens ontbreken - vormen, aldus die gemachtigde, niet de basis</para>
      <para>waarop de schatting berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient bij de vaststelling van de</para>
      <para>mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde in beginsel als de</para>
      <para>zogeheten maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht</para>
      <para>als de verzekerde verrichtte voor het intreden van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor deze maatmanarbeid rechtvaardigt</para>
      <para>in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk</para>
      <para>is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke</para>
      <para>de juistheid van die vooronderstelling aantasten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geval van eiseres, waarin - zoals hiervoor is vermeld - hervatting in</para>
      <para>de oude functie bij de laatste werkgever niet meer tot de mogelijkheden</para>
      <para>behoorde, is naar het oordeel van de Raad de juistheid van de hiervoor</para>
      <para>genoemde vooronderstelling aangetast.</para>
      <para>De Raad neemt daarbij in aanmerking dat ten gevolge van de bij eiseres</para>
      <para>bestaande dyslexie in combinatie met haar gebrekkige vooropleiding niet kan</para>
      <para>worden aangenomen dat eiseres op 1 mei 1992 bij een andere werkgever</para>
      <para>adequaat in een leidinggevende functie in een magazijn zou kunnen</para>
      <para>functioneren, laat staan dat zij op die datum in een dergelijke functie ten</para>
      <para>minste 85% van haar maatvrouwloon zou kunnen verdienen. De rapporten van de</para>
      <para>arbeidsdeskundige Van Druten en de overige beschikbare gegevens laten</para>
      <para>er immers geen twijfel over bestaan dat eiseres bij haar laatste werkgever</para>
      <para>(mede door het verrichten van overwerk) een zeer hoog loon verdiende en dat</para>
      <para>zij in een andere werkomgeving bij een andere werkgever niet aanstonds in</para>
      <para>staat zal zijn een leidinggevende functie in een magazijn te vervullen. Dit</para>
      <para>betekent dat zich in het onderhavige geval voornoemde uitzonderingssituatie</para>
      <para>voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een eventuele nieuwe schattingsbeslissing zal naar</para>
      <para>'s Raads oordeel gebaseerd dienen te zijn op een voldoende aantal concrete</para>
      <para>aan eiseres voor te houden passende functies als potentiële</para>
      <para>arbeidsmogelijkheden en op hetgeen eiseres kan verdienen in die functies.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad niet onderschrijft de</para>
      <para>opvatting van gedaagde en de eerste rechter dat er in casu op 1 mei 1992</para>
      <para>geen sprake is van een door ziekte of gebrek veroorzaakte verminderde</para>
      <para>verdiencapaciteit. Gegeven de op die datum nog bij eiseres bestaande</para>
      <para>medische beperkingen was haar positie een andere dan die van een geheel</para>
      <para>gezonde werkloze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de bestreden beslissing op een</para>
      <para>ondeugdelijke grondslag berust. De bestreden beslissing en de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, waarbij die beslissing in stand is gelaten, komen derhalve voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de kosten van het geding overweegt de Raad het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft uitspraak gedaan vóór 1 januari 1994. Gelet op</para>
      <para>hetgeen de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 5 april 1994,</para>
      <para>gepubliceerd in JB 1994/85, worden de kosten van het geding in eerste</para>
      <para>aanleg in zo'n geval niet betrokken in een proceskostenveroordeling op</para>
      <para>grond van artikel 8:75 van de Awb. Eiseres zal zich voor vergoeding van</para>
      <para>die kosten kunnen verstaan met gedaagde en bij een eventueel geschil de</para>
      <para>burgerlijke rechter kunnen adiëren met een vordering tot schadevergoeding</para>
      <para>op grond van onrechtmatige daad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de kosten van het geding in hoger beroep acht de Raad</para>
      <para>termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te</para>
      <para>veroordelen in de kosten van de aan eiseres verleende rechtsbijstand,</para>
      <para>begroot op f 1.420,-. Van andere op grond van dat</para>
      <para>artikel te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel</para>
      <para>80a, vijfde lid (oud) van de  Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast</para>
      <para>dat het door eiseres zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte</para>
      <para>griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden beslissing;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiseres in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.420,-, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan eiseres het gestorte recht van f 75,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. M.M. van</para>
      <para>der Kade en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van A.M.T.</para>
      <para>Janmaat als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 1994 door</para>
      <para>mr. K.J.S. Spaas als voorzitter, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.          (get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para>(get.) B.C. Rog.              (get.) A.M.T. Janmaat.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>AB</para>
      <para>20/6</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>