<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2507</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:35:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB2507</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1994-08-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW 93/1127</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1994-08-10">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2507">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2507</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:35:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2507 Centrale Raad van Beroep , 10-08-1994 / AAW 93/1127</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2507:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Op juiste gronden het maatmanloon vastgesteld. Op goede gronden geen correctie toegepast  vanwege de winst behaald met of bij het staken van onderneming.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1994:ZB2507:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AAW 1993/1127</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel,</para>
      <para> Ambachten en Huisvrouwen, eiser,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 december 1991 heeft eiser gedaagde in kennis gesteld van</para>
      <para>een beslissing betreffende de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Een</para>
      <para>afschrift van die brief is aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 27</para>
      <para>juli 1993 het tegen voormelde beslissing ingestelde beroep gegrond</para>
      <para>verklaard voor wat betreft het aangehouden maatmanloon, die beslissing in</para>
      <para>zoverre vernietigd en bepaald dat eiser een nieuwe beslissing neemt met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts is gedaagde</para>
      <para>bij die uitspraak niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot</para>
      <para>betaling van wettelijke rente en zijn eis tot proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden,</para>
      <para>aangevoerd in een aanvullend beroepschrift van 6 oktober 1993, is verzocht</para>
      <para>de aangevallen uitspraak te vernietigen voor wat betreft het aangehouden</para>
      <para>maatmanloon en tot bevestiging van de bestreden beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>29 juni 1994, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr. V.M. van der Linden, werkzaam bij eisers bedrijfsvereniging,</para>
      <para>terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer</para>
      <para>M.C.J.M. van Loon als zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in</para>
      <para>werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven</para>
      <para>wettelijke regels van overgangsrecht brengen mee dat op het onderhavige</para>
      <para>hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals</para>
      <para>dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van</para>
      <para>vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bestreden beslissing heeft eiser gedaagde met ingang van 26 maart</para>
      <para>1990 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW, berekend</para>
      <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% en daarbij bepaald dat</para>
      <para>gedaagdes AAW-uitkering over de periode van 26 maart 1990 tot 16 december</para>
      <para>1990 onder toepassing van artikel 34 van de AAW niet tot uitbetaling komt.</para>
      <para>Voorts heeft eiser bij de bestreden beslissing gedaagdes AAW-uitkering</para>
      <para>ingaande 1 oktober 1991 weer ingetrokken op de grond dat de mate van zijn</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25% bedraagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken in eerste aanleg heeft gedaagde tegen de</para>
      <para>bestreden beslissing slechts beroep ingesteld voor zover betreffende de</para>
      <para>intrekking van zijn AAW-uitkering met ingang van 1 oktober 1991.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft bij de aangevallen uitspraak, zich beperkend tot</para>
      <para>het punt van geschil, geoordeeld dat de bestreden beslissing op dat punt</para>
      <para>wegens het  ontbreken van een juiste feitelijke grondslag niet in stand</para>
      <para>kan blijven onder de overweging dat de door de fiscus gecorrigeerde</para>
      <para>afschrijving (in verband met de liquidatie van gedaagdes bedrijf) zijn</para>
      <para>weerslag dient te vinden in het aan te houden maatmanloon.</para>
      <para>Die rechter heeft vervolgens het ingestelde beroep gegrond verklaard voor</para>
      <para>wat betreft het aangehouden maatmanloon, de bestreden beslissing in zoverre</para>
      <para>vernietigd en bepaald dat eiser ter zake een nieuwe beslissing zal nemen</para>
      <para>met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu alleen eiser in hoger beroep is gekomen zal de Raad zich in dit geding</para>
      <para>beperken tot het door eiser betwiste onderdeel van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, te weten de vaststelling van het maatmanloon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het in rubriek I genoemde aanvullend beroepschrift kan het volgende</para>
      <para>worden ontleend :</para>
      <para>"Eiser heeft het maatmaninkomen van gedaagde vastgesteld aan de hand van</para>
      <para>de bedrijfsresultaten van de drie jaren voorafgaande aan de eerste</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsdag, derhalve 1986, 1987 en 1988.</para>
      <para>Bij de vaststelling van de winst heeft eiser aansluiting gezocht bij het</para>
      <para>Inkomensbesluit AAW (Besluit van 24 december 1986, Stb. 657).</para>
      <para>Artikel 6 lid 1 van het Inkomensbesluit AAW bepaalt dat onder winst wordt</para>
      <para>verstaan hetgeen ingevolge het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk II,</para>
      <para>afdeling 2, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519) als winst</para>
      <para>wordt beschouwd, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst,</para>
      <para>bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdelen a, b en c, van die wet niet</para>
      <para>behoren tot die winst.</para>
      <para>Onder winst in artikel 57, eerste lid, onder a van de Wet op de</para>
      <para>Inkomstenbelasting 1964 wordt verstaan winst behaald met of bij het staken</para>
      <para>van een onderneming dan wel met of bij de overdracht of liquidatie van</para>
      <para>een gedeelte van een onderneming.</para>
      <para>Gelet op het voorgaande is de arrondissementsrechtbank er ten onrechte</para>
      <para>vanuitgegaan dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen rekening</para>
      <para>gehouden dient te worden met de stakingswinst.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft dit betoog van eiser.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad heeft eiser op juiste gronden het</para>
      <para>maatmanloon vastgesteld op basis van de door de fiscus aanvaarde</para>
      <para>netto-winst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid. Voorts heeft eiser bij de vaststelling van die</para>
      <para>winst terecht aansluiting gezocht bij het Inkomensbesluit AAW en daarbij</para>
      <para>onder analoge toepassing van het bepaalde in artikel 6, eerste lid van</para>
      <para>dat besluit op goede gronden geen correctie toegepast vanwege de winst</para>
      <para>door gedaagde behaald met of bij het staken van diens onderneming als</para>
      <para>bedoeld in artikel 57, eerste lid van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met het voorafgaande ziet de Raad tenslotte geen aanleiding</para>
      <para>toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en dient te worden beslist</para>
      <para>als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog in zijn geheel ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra</para>
      <para>en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van M.M. van Maurik als</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 1994 door voornoemde</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G.L. Plomp.</para>
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.            (get.) M.M. van Maurik.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>