<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1993:ZB5532</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:16:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5532</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0077</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1993-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW/WAO 91/274</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=53&amp;g=1993-09-22">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 53</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=54&amp;g=1993-09-22">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 54</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=57&amp;g=1993-09-22">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1994/79</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB5532">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB5532</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-18T09:01:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1993:ZB5532 Centrale Raad van Beroep , 22-09-1993 / AAW/WAO 91/274</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB5532:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen terugvordering van werkgever aan wie krachtens machtiging de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer wordt uitbetaald en die geen opgave heeft gedaan van volledige werkhervatting door werknemer — persoon of instelling als bedoeld in art. 48 AAW en 57 WAO — geen ruimere interpretatie van de terugvorderingsmogelijkheid</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB5532:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>AAW/WAO 1991/274                                  0.</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de</para>
    <para>Metaalnijverheid, eiser,</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>B.V. X., gevestigd te Y., gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 12 oktober 1989 is vanwege eiser gedaagde</para>
    <para>in kennis gesteld van een beslissing luidend als volgt:</para>
    <para>"Hierbij delen wij u mede dat het bestuur van de</para>
    <para>bedrijfsvereniging, gelet op de binnengekomen</para>
    <para>rapporten en adviezen, heeft besloten een bedrag</para>
    <para>van f 17.434,17 van u terug te vorderen.</para>
    <para>Het bestuur heeft hierbij het volgende in aanmerking</para>
    <para>genomen.</para>
    <para>Sedert 9 februari 1988 ontving uw werknemer, de</para>
    <para>heer A. een AAW/WAO-uitkering,</para>
    <para>berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
    <para>van 80 - 100%, met dien verstande dat de uitkering</para>
    <para>met toepassing van de artikelen 33 AAW en 44 WAO</para>
    <para>slechts werd uitbetaald als ware de heer A.</para>
    <para>45 - 55% arbeidsongeschikt, aangezien hij zijn</para>
    <para>werkzaamheden reeds voor 50% had hervat.</para>
    <para>Deze uitkering werd aan u uitbetaald.</para>
    <para>Per 5 april 1988 heeft de heer A. zijn werk</para>
    <para>weer volledig hervat en wordt door de GMD en de</para>
    <para>Bedrijfsvereniging ook weer volledig geschikt</para>
    <para>geacht voor zijn werkzaamheden.</para>
    <para>Derhalve werd zijn uitkering ingevolge de AAW en de</para>
    <para>WAO ingetrokken per 5 april 1988.</para>
    <para>Niettemin is in de periode 5 april 1988 t/m</para>
    <para>28 februari 1989 aan u een WAO-uitkering betaalbaar</para>
    <para>gesteld ad f 17.434,17.</para>
    <para>Dit bedrag is u derhalve onverschuldigd betaald.</para>
    <para>Onder genoemde omstandigheden is het bestuur van de</para>
    <para>bedrijfsvereniging van oordeel dat het u redelijkerwijs</para>
    <para>duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging</para>
    <para>onverschuldigd betaalde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge art. 57 lid 2 sub b van de WAO en</para>
    <para>artikel 48 lid 1 sub b van de AAW is de bedrijfsvereniging</para>
    <para>bevoegd hetgeen op grond van deze wetten</para>
    <para>onverschuldigd is betaald, geheel of gedeeltelijk</para>
    <para>terug te vorderen gedurende twee jaar na de dag van</para>
    <para>betaalbaarstelling in de gevallen waarin het de</para>
    <para>instelling aan welke betaling plaatsvond redelijkerwijs</para>
    <para>duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging</para>
    <para>onverschuldigd betaalde.</para>
    <para>Het bestuur van de bedrijfsvereniging heeft besloten</para>
    <para>van deze bevoegdheid gebruik te maken en een</para>
    <para>bedrag van f 17.434,17 van u terug te vorderen.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de in eerste aanleg door eiser ingediende contra-memorie</para>
    <para>heeft eiser het volgende medegedeeld:</para>
    <para>"Met betrekking tot de vraag of de bedrijfsvereniging</para>
    <para>in redelijkheid gebruik kan maken van</para>
    <para>zijn terugvorderingsbevoegdheid op grond van onzorgvuldigheden,</para>
    <para>begaan jegens de X. zij opgemerkt</para>
    <para>dat reeds op 16 maart 1988 door de verzekeringsgeneeskundige</para>
    <para>Suiding telefonisch is meegedeeld aan de</para>
    <para>heer B. dat betrokkene per 5 april 1988</para>
    <para>volledig kon hervatten. Dat een en ander niet</para>
    <para>schriftelijk is bevestigd, doet niet af aan het</para>
    <para>feit dat de werkgever wel is ingelicht.</para>
    <para>Overigens heeft ondergetekende zich nogmaals beraden</para>
    <para>over de terugvordering en terzake een nadere</para>
    <para>beslissing genomen (zie bijlage).</para>
    <para>Ondergetekende is namelijk nader van oordeel dat</para>
    <para>ook zijdens de administratie van ondergetekende</para>
    <para>niet al te voortvarend is gereageerd op de signalen</para>
    <para>die er toe moesten leiden de uitkering te beëindigen.</para>
    <para>Eerst na ongeveer 10 maanden werd adequaat gereageerd,</para>
    <para>terwijl uit de jurisprudentie van de Centrale</para>
    <para>Raad van Beroep blijkt dat in het algemeen een</para>
    <para>termijn van 6 maanden als redelijk wordt beschouwd.</para>
    <para>In het licht hiervan heeft ondergetekende besloten</para>
    <para>de terugvordering te beperken tot de uitkering over</para>
    <para>de periode 5 april 1988 tot en met 30 september</para>
    <para>1988, zijnde een bedrag van ƒ 8.874,73 bruto (zie bijlage).</para>
    <para>Ondergetekende verzoekt uw Raad derhalve de bestreden</para>
    <para>beslissing van 12 oktober 1989 dienovereenkomstig</para>
    <para>gewijzigd te lezen.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De voormalige Raad van Beroep te Haarlem heeft bij</para>
    <para>uitspraak van 13 februari 1991 het namens gedaagde tegen</para>
    <para>die beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en</para>
    <para>die beslissing vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden</para>
    <para>heeft eiser tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep</para>
    <para>ingesteld. Daarbij is verzocht de aangevallen uitspraak</para>
    <para>te vernietigen en eisers beslissing d.d. 12 oktober 1989</para>
    <para>alsnog te bevestigen.</para>
    <para>De gemachtigde van gedaagde mr. G.J. Wilschut, advocaat</para>
    <para>en procureur te Haarlem, heeft op 15 oktober 1991 een</para>
    <para>contra-memorie ingediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 9 januari 1992 heeft eiser gereageerd op</para>
    <para>de inhoud van deze contra-memorie.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad,</para>
    <para>gehouden op 25 november 1992, waar eiser zich heeft</para>
    <para>laten vertegenwoordigen door mr. W.M.M. van der Pal,</para>
    <para>werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor</para>
    <para>en waar voor gedaagde is verschenen B.,</para>
    <para>direkteur van de B.V. X. met</para>
    <para>bijstand van mr. G.J. Wilschut, voornoemd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij bevel van 6 januari 1993 heeft de Raad bepaald dat</para>
    <para>het onderzoek in dit geding op een nader door de</para>
    <para>fungerend voorzitter vast te stellen terechtzitting zou</para>
    <para>worden hervat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De behandeling van het geding is hervat ter zitting van</para>
    <para>de Raad, gehouden op 18 augustus 1993, waar eiser zich</para>
    <para>opnieuw heeft laten vertegenwoordigen door</para>
    <para>mr. Van der Pal, voornoemd. Gedaagde is op die zitting</para>
    <para>niet verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende</para>
    <para>feiten en omstandigheden:</para>
    <para>"Bij klaagster (in de stukken ook wel X. genoemd),</para>
    <para>is werkzaam de heer A. (verder te</para>
    <para>noemen: betrokkene). Per 10-2-1987 heeft betrokkene</para>
    <para>zich voor zijn arbeid ongeschikt gemeld. Op</para>
    <para>2-2-1988 heeft klaagster desgevraagd telefonisch</para>
    <para>verklaard dat betrokkene hele dagen werkt, dat over</para>
    <para>de loonwaarde nog een onderzoek loopt en dat het</para>
    <para>geen probleem vormt als de betaling (van uitkering)</para>
    <para>eerst in maart of april plaatsvindt.</para>
    <para>Bij beslissing d.d. 6-5-1988 is betrokkene medegedeeld</para>
    <para>dat hij per 9-2-1988 in het genot is gesteld</para>
    <para>van uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, dat hij</para>
    <para>is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse</para>
    <para>80-100%, doch dat zijn uitkeringen - in verband met</para>
    <para>zijn werkzaamheden en daarbij behorende verdiencapaciteit -</para>
    <para>worden uitbetaald als ware hij voor</para>
    <para>45-55% arbeidsongeschikt.</para>
    <para>Van deze beslissing heeft klaagster een afschrift</para>
    <para>ontvangen met daarbij de mededeling dat een kopie</para>
    <para>van de aan betrokkene te zenden kennisgevingen aan</para>
    <para>klaagster zal worden gezonden.</para>
    <para>Op 17-2-1989 heeft een gesprek plaatsgevonden</para>
    <para>tussen betrokkene en de arbeidsdeskundige van de GMD.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eerstgenoemde heeft medegedeeld van oordeel te zijn</para>
    <para>sedert 5-4-1988 volledig arbeidsgeschikt te zijn en</para>
    <para>sedert die datum ook weer volledig te funktioneren.</para>
    <para>Per februari 1989 is de betaling van de uitkering</para>
    <para>van betrokkene (met zijn machtiging aan klaagster</para>
    <para>uitbetaald) gestaakt.</para>
    <para>Op 17-5-1989 heeft de arbeidsdeskundige van de GMD</para>
    <para>telefonisch contact gehad met klaagster. Klaagster</para>
    <para>heeft te kennen gegeven van oordeel te zijn dat</para>
    <para>betrokkene sinds 5-4-1988 voor 70% arbeidsgeschikt was.</para>
    <para>Bij beslissing d.d. 6-7-1989 heeft verweerder aan</para>
    <para>betrokkene bericht dat zijn uitkeringen per</para>
    <para>5-4-1988 worden ingetrokken, omdat zijn inkomsten</para>
    <para>per die datum zijn toegenomen en hij die inkomsten</para>
    <para>duurzaam kan verwerven.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad voegt hier nog aan toe dat de betreffende werknemer</para>
    <para>A. (verder te noemen: betrokkene)</para>
    <para>op 6 januari 1988 eiser schriftelijk heeft gemachtigd de</para>
    <para>hem toekomende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</para>
    <para>(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
    <para>(WAO) uit te betalen aan gedaagde,</para>
    <para>waarbij is vermeld dat die betaling ten gunste van</para>
    <para>betrokkene zelf was.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de bestreden beslissing heeft eiser een aan gedaagde</para>
    <para>uitbetaald bedrag van gedaagde teruggevorderd, omdat het</para>
    <para>in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van eiser</para>
    <para>gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat eiser</para>
    <para>onverschuldigd betaalde. Bij contra-memorie in eerste</para>
    <para>aanleg heeft eiser zijn standpunt terzake als volgt toegelicht:</para>
    <para>"Naar het oordeel van het bestuur van de bedrijfsvereniging</para>
    <para>bieden artikel 48 AAW en artikel 57 WAO,</para>
    <para>zoals deze luiden sedert 1 januari 1987 de mogelijkheid</para>
    <para>om onder bijzondere omstandigheden terug</para>
    <para>te vorderen van degene die namens betrokkene de</para>
    <para>uitkering ontvangt, in casu de werkgever.</para>
    <para>In principe staat terugvordering van de verzekerde</para>
    <para>voorop, maar ingeval aan een ander dan de uitkeringsgerechtigde</para>
    <para>is betaald, kan - indien de uitkeringsgerechtigde</para>
    <para>niets is te verwijten en indien</para>
    <para>het de ontvanger redelijkerwijs duidelijk kon zijn</para>
    <para>geweest dat onverschuldigd werd betaald - van laatstgenoemde</para>
    <para>worden teruggevorderd.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad van Beroep is in de aangevallen uitspraak tot</para>
    <para>het oordeel gekomen dat eiser op grond van de bepalingen</para>
    <para>48 van de AAW en 57 van de WAO niet de bevoegdheid</para>
    <para>toekomt van gedaagde, betrokkenes werkgever, onverschuldigd</para>
    <para>uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terug te vorderen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep heeft eiser onder meer het volgende</para>
    <para>aangevoerd:</para>
    <para>"Ondergetekende merkt in dit verband op dat voor de</para>
    <para>stelselherziening per 1 januari 1987, in artikel 57</para>
    <para>WAO een dubbele verwijzing naar artikel 80 WAO was opgenomen.</para>
    <para>Niet alleen werd verwezen naar de in artikel 80 WAO</para>
    <para>neergelegde inlichtingenverplichting, ook moest het</para>
    <para>gaan om een "persoon of instelling als bedoeld in dat artikel".</para>
    <para>De toepassing van artikel 80 WAO was namelijk</para>
    <para>beperkt tot de personen en instellingen, zoals</para>
    <para>bedoeld in de artikelen 53 en 54 WAO.</para>
    <para>De werkgever aan wie op grond van een machtiging de</para>
    <para>uitkering werd betaald behoorde niet tot de in</para>
    <para>artikel 53 en 54 WAO bedoelde personen en instellingen.</para>
    <para>Nu in de huidige redactie van artikel 57 WAO een</para>
    <para>verwijzing naar artikel 80 WAO ontbreekt, is ondergetekende</para>
    <para>van mening dat de huidige formulering van</para>
    <para>artikel 57 WAO een ruimere interpretatie mogelijk maakt.".</para>
    <para>en</para>
    <para>"In de Ziektewet en de Werkloosheidswet waren de</para>
    <para>terugvorderingsbepalingen na de stelselherziening</para>
    <para>in eerste instantie expliciet gericht op de</para>
    <para>"verzekerde" respectievelijk de "werknemer". Gelet</para>
    <para>op het feit dat met de stelselherziening onder meer</para>
    <para>harmonisatie van de bepalingen van de verschillende</para>
    <para>sociale verzekeringswetten is nagestreefd, had het</para>
    <para>voor de hand gelegen in de terugvorderingsbepalingen</para>
    <para>in de WAO en de AAW een dergelijke beperkende</para>
    <para>omschrijving op te nemen, indien dit inderdaad de</para>
    <para>bedoeling was. Gekozen is echter voor de omschrijving</para>
    <para>"persoon aan wie of instelling aan welke</para>
    <para>betaling plaats vond". Bij Wet van 30 mei 1990,</para>
    <para>Stb. 1990/316, zijn de termen "verzekerde" in de ZW</para>
    <para>en "werknemer" in de WW inmiddels weer vervangen</para>
    <para>door "betrokkene". De bepalingen in de WAO en de</para>
    <para>AAW zijn wederom niet aangepast.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Van de zijde van gedaagde is daartegen bij contra-memorie</para>
    <para>onder meer het volgende gesteld:</para>
    <para>"Los daarvan meent de X. dat de argumenten, die de</para>
    <para>bedrijfsvereniging inzake de formele kwestie aandraagt</para>
    <para>(pag. 2 en 3 van het appelschrift) de kern</para>
    <para>van de zaak niet raken. Het is immers zonder meer</para>
    <para>duidelijk dat de terugbetalingsverplichting ingevolge de</para>
    <para>artikelen 57 WAO en 48 AAW niet onder alle omstandigheden</para>
    <para>beperkt is tot de uitkeringsgerechtigde,</para>
    <para>nu de tekst van deze artikelen spreekt over "de</para>
    <para>persoon of instelling waaraan is betaald".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De X. heeft evenwel - volgens de Raad van Beroep</para>
    <para>terecht - aangevoerd dat zij niet kan worden aangemerkt</para>
    <para>als "de instelling aan welke betaling plaatsvond"</para>
    <para>in de zin van deze artikelen omdat:</para>
    <para>a. blijkens de systematiek van de wet artikel 57</para>
    <para>WAO (artikel 48 AAW) terug verwijst naar de</para>
    <para>personen of instellingen als bedoeld in de</para>
    <para>direkt voorafgaande artikelen (met name artikel</para>
    <para>54 WAO en 45 AAW), waaruit blijkt dat met</para>
    <para>"de instelling waaraan werd uitbetaald" gedoeld</para>
    <para>wordt op verpleeginrichtingen en de Ziekenfondsraad;</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>b. de X.  - anders dan in artikel 54 WAO</para>
    <para>(45 AAW) bedoelde instellingen - met betrekking</para>
    <para>tot de uitbetaling van de uitkering aan</para>
    <para>A. slechts als een "doorgeefluik"</para>
    <para>heeft gefungeerd (min of meer vergelijkbaar</para>
    <para>met een bank- of giro-instelling);</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>c. tussen de X. en de bedrijfsvereniging in</para>
    <para>deze kwestie slechts sprake is van een civielrechtelijke</para>
    <para>en niet van een administratiefrechtelijke verhouding.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De door de bedrijfsvereniging in het appelschrift</para>
    <para>aangevoerde argumenten kunnen - wat daar verder ook</para>
    <para>van zij - naar de mening van de X. onmogelijk tot</para>
    <para>een andere conclusie leiden.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is allereerst van oordeel dat in de gegeven</para>
    <para>omstandigheden de door betrokkene op 6 januari 1988</para>
    <para>verleende schriftelijke machtiging ertoe strekte dat</para>
    <para>gedaagde bevoegd werd in naam van betrokkene de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen</para>
    <para>te ontvangen. Terzake heeft</para>
    <para>de gemachtigde van gedaagde terecht opgemerkt dat gedaagde</para>
    <para>als "doorgeefluik" ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde</para>
    <para>fungeerde. Dit brengt met zich dat betaling</para>
    <para>in juridische zin aan betrokkene zelf plaatsvond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts is de Raad van oordeel dat als persoon of instelling</para>
    <para>als bedoeld in artikel 48 van de AAW en in artikel</para>
    <para>57 van de WAO, ook zoals deze artikelen luiden sedert</para>
    <para>1 januari 1987, niet valt aan te merken de werkgever</para>
    <para>zoals gedaagde aan wie krachtens een (door de bij hem</para>
    <para>nog gedeeltelijk werkzame uitkeringsgerechtigde verstrekte)</para>
    <para>machtiging de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen</para>
    <para>worden uitbetaald. Daarbij heeft de Raad het volgende in</para>
    <para>aanmerking genomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van de terugvorderingsartikelen, zoals deze tot</para>
    <para>1 januari 1987 golden, was onder persoon of instelling</para>
    <para>in de zin van deze artikelen slechts begrepen de persoon</para>
    <para>of instelling genoemd in artikel 78 van de AAW, respectievelijk</para>
    <para>artikel 80 van de WAO. Op grond van laatstgenoemd</para>
    <para>artikel is niet alleen de uitkeringsgerechtigde,</para>
    <para>maar ook de persoon of instelling als bedoeld in artikelen</para>
    <para>44 en 45 van de AAW, respectievelijk 53 en 54 van de</para>
    <para>WAO tot het verstrekken van inlichtingen verplicht.</para>
    <para>Onder die persoon of instelling is niet begrepen de</para>
    <para>werkgever aan wie de uitkering door de bedrijfsvereniging</para>
    <para>krachtens machtiging van de uitkeringsgerechtigde</para>
    <para>wordt uitbetaald.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet nu op de ongewijzigde verwijzing naar artikel 78</para>
    <para>AAW, respectievelijk 80 WAO in het oorspronkelijke</para>
    <para>ontwerp tot wijziging van de terugvorderingsartikelen</para>
    <para>per 1 januari 1987 en op de omstandigheid dat de wijziging</para>
    <para>die vervolgens in dit ontwerp plaatsvond bij vijfde nota</para>
    <para>van wijziging uitsluitend was ingegeven om op dit punt</para>
    <para>een stroomlijning in de verschillende sociale verzekeringswetten</para>
    <para>aan te brengen, is de Raad tot de overtuiging</para>
    <para>gekomen dat het begrip persoon of instelling als</para>
    <para>bedoeld in de sedert 1 januari 1987 geldende tekst van</para>
    <para>de terugvorderingsbepalingen onveranderd gerelateerd</para>
    <para>moet worden aan de persoon of instelling als bedoeld in</para>
    <para>de artikelen 44 en 45 van de AAW, respectievelijk 53 en</para>
    <para>54 van de WAO.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ook is de Raad van mening dat een ruimere interpretatie</para>
    <para>van de artikelen 48 AAW en 57 WAO als door eiser in casu</para>
    <para>voorgestaan niet past in het systeem van de in de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidswetten neergelegde terugvorderingsmogelijkheden,</para>
    <para>die immers in het kader van een administratiefrechtelijke</para>
    <para>betrekking tussen bedrijfsvereniging</para>
    <para>en uitkeringsgerechtigde een zekere beperking van de</para>
    <para>algemene regeling van de onverschuldigde betaling inhouden</para>
    <para>ter bescherming van de uitkeringsgerechtigde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat bij de aangevallen</para>
    <para>uitspraak de bestreden beslissing terecht is vernietigd,</para>
    <para>zodat die uitspraak onder aanvulling van de gronden voor</para>
    <para>bevestiging in aanmerking komt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Nu de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking</para>
    <para>komt, dient gelet op het bepaalde in artikel 80a,</para>
    <para>tweede lid van de Beroepswet van eiser een recht van</para>
    <para>ƒ 200,- te worden geheven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Derhalve dient te worden beslist als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Bepaalt dat van eiser een recht van ƒ 200,- zal worden geheven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en</para>
    <para>mr. H. van Leeuwen en mr. H.C. Cusell als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 22 september 1993 door</para>
    <para>voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van B.C. Rog</para>
    <para>als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) C.G.L. Plomp.</para>
  <para />
  <para>(get.) B.C. Rog.              (get.) E. Heemsbergen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>IS</para>
    <para>20/9</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>