<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:15:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB4962</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL7983</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN3543</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1993-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 92/218</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1994, 213 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1994/6 met annotatie van C. Riezebos</rdf:li>
          <rdf:li>AB Klassiek 2009/22 met annotatie van M.L.P. Loenen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4962">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:43:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4962 Centrale Raad van Beroep , 04-11-1993 / AW 92/218</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4962:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet gebleken dat ontslag wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet op redelijke en objectieve gronden berust en dat het bestreden besluit uit dien hoofde in strijd met art. 1 Grw of art. 26 IVBPR zou zijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4962:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1992/218                                O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 juli 1991 heeft gedaagde aan eiser eervol ontslag</para>
      <para>verleend wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het toenmalige Ambtenarengerecht te Rotterdam heeft bij uitspraak van 13</para>
      <para>april 1992, nr. AW 1991/597.R-Al, het beroep tegen dit besluit ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van 14 oktober 1993, waar eiser</para>
      <para>in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr. E.P.J. Jaspar, hoofd afdeling juridische zaken van de Erasmus</para>
      <para>Universiteit Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser was hoogleraar aan bovengenoemde universiteit. Met ingang van 1</para>
      <para>januari 1992 is hem bij het bestreden besluit eervol ontslag verleend op</para>
      <para>grond van het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Eiser heeft dit ontslag</para>
      <para>aangevochten, waarbij hij blijkens zijn pleitnota in hoger beroep vooral</para>
      <para>een tweetal rechtsvragen aan de orde heeft gesteld:</para>
      <para>a. is een gedwongen ontslag louter wegens het bereiken van</para>
      <para>de 65-jarige leeftijd een vorm van verboden discriminatie, en</para>
      <para>b. had gedaagde in eisers geval een uitzondering moeten</para>
      <para>maken op zijn beleid om hoogleraren bij het bereiken van de 65-jarige</para>
      <para>leeftijd ontslag te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser beantwoordt deze vragen bevestigend. De Raad overweegt het volgende.</para>
      <para>Ad a. De eerste vraag betreft de uitleg en toepassing van art. 1 van de</para>
      <para>Grondwet (Grw) en art. 26 van het Internationaal verdrag inzake</para>
      <para>burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Daarbij heeft eiser terecht</para>
      <para>verwezen naar eerdere uitspraken van deze Raad, waaruit blijkt dat een</para>
      <para>onderscheid in rechten en aanspraken, hetwelk op leeftijd berust, in</para>
      <para>beginsel discriminerend en strijdig met art. 1 Grw en art. 26 IVBPR kan</para>
      <para>zijn.</para>
      <para>Evenzeer terecht heeft eiser gesteld, dat voor de beantwoording van de</para>
      <para>onderhavige vraag moet worden bezien of voor het hier aan de orde zijnde</para>
      <para>onderscheid naar leeftijd redelijke en objectieve gronden zijn aan te</para>
      <para>voeren. De Raad voegt hieraan toe, dat het hier niet gaat om één van de</para>
      <para>differentiatiecriteria, welke in de genoemde artikelen met zoveel woorden</para>
      <para>zijn vermeld doch om discriminatie "op welke grond ook" zoals in die</para>
      <para>artikelen aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zonder aan dit laatste een al te grote betekenis toe te kennen en met</para>
      <para>afwijzing van een te ver reikende leerstelligheid op dit punt, ligt</para>
      <para>hierin naar 's Raads oordeel toch enig waardeverschil besloten hetgeen</para>
      <para>tot uiting kan komen in de toetsing van het concrete geval, in de eisen</para>
      <para>waaraan de genoemde redelijke en objectieve gronden moeten voldoen en ook</para>
      <para>enigszins in datgene wat van de verschillende partijen ten aanzien van de</para>
      <para>motivering van hun stellingen mag worden gevergd. Zo zal, wanneer het gaat</para>
      <para>om een rechtstreeks onderscheid naar bijv. geslacht of ras, de</para>
      <para>motivering van dat onderscheid aan vrij zware eisen moeten voldoen en een</para>
      <para>grote overtuigingskracht moeten hebben om als "redelijke en objectieve</para>
      <para>gronden" dat onderscheid te rechtvaardigen.</para>
      <para>Daarentegen kunnen, wanneer het gaat om rechtspositionele regelingen</para>
      <para>terzake van bijv. financiële en andere aanspraken en faciliteiten, welke</para>
      <para>aan de ene categorie van personen wel en aan de andere niet worden</para>
      <para>toegekend en waarbij de meest uiteenlopende beleidsnormen en -doelen als</para>
      <para>onderscheidend criterium worden gehanteerd, de genoemde redelijke en</para>
      <para>objectieve gronden reeds aanwezig geacht worden wanneer sprake is van</para>
      <para>beleidskeuzen waarvan met een nog marginalere toetsing dan gebruikelijk kan</para>
      <para>worden gezegd dat ze binnen redelijkheidsgrenzen liggen. Daarbij ligt het</para>
      <para>ook in de rede - en minder eenzijdig dan door eiser is betoogd - bij</para>
      <para>laatstgenoemde categorie, waar het dikwijls om "simpele" beleidskeuzen</para>
      <para>gaat, in meerdere mate van de ambtenaar te vergen de aanwezigheid van</para>
      <para>discriminatie dus de afwezigheid van redelijke en objectieve gronden hard</para>
      <para>te maken, terwijl het bij een onderscheid naar één van de in de artt. 1 Grw</para>
      <para>en 26 IVBPR met name genoemde "suspecte" criteria in meerdere mate aan het</para>
      <para>administratief orgaan is om de afwezigheid van discriminatie dus de</para>
      <para>aanwezigheid van redelijke en objectieve gronden hard te maken; waarbij</para>
      <para>zij aangetekend dat het hier om graduele verschillen gaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De leeftijd nu is één van de criteria die algemeen in wet- en regelgeving</para>
      <para>worden gehanteerd en die niet tot de in art. 1 Grw en art. 26 IVBPR met</para>
      <para>name genoemde en bij voorbaat suspecte differentiatiecriteria behoren. De</para>
      <para>leeftijd dient in en buiten Nederland onder meer om het begin en het einde</para>
      <para>van de deelname aan het arbeidsproces te markeren, het eerste vooral uit</para>
      <para>een oogpunt van bescherming van jeugdigen, het laatste vanuit een samenstel</para>
      <para>van motieven.</para>
      <para>Bij het vaststellen van de pensioengerechtigde leeftijd hebben inzichten en</para>
      <para>wenselijkheden van verschillende aard een rol gespeeld, inzichten die</para>
      <para>betrekking hebben op het op gevorderde leeftijd afnemen van krachten en</para>
      <para>creativiteit, op het bevorderen van doorstroming en het tijdig zichtbaar</para>
      <para>maken daarvan, op het na een arbeidszaam leven verschaffen van een niet</para>
      <para>arbeidsgebonden inkomen e.a.</para>
      <para>Daarbij is te ontzent de eindleeftijd thans, behoudens uitzonderingen,</para>
      <para>gesteld op 65 jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit is een gemiddelde leeftijd waarop ook de sociale verzekeringswetgeving</para>
      <para>geënt is. Het is ook een compromis tussen het (individuele) verlangen naar</para>
      <para>een periode van een arbeidsvrij inkomen en het verlangen naar een voortzet-</para>
      <para>ting van de beroepsuitoefening. In dit systeem, waarbij de gekozen leeftijd</para>
      <para>van 65 jaar in beginsel voor allen geldt, moeten ook zij, wier krachten en</para>
      <para>creativiteit op die leeftijd nog lang niet zijn uitgeput, hun beroepsarbeid</para>
      <para>beëindigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan eiser kan worden toegegeven, dat op de verschillende argumenten, die</para>
      <para>ter onderbouwing van dit systeem worden aangevoerd, bij afzonderlijke</para>
      <para>analyse het een en ander kan worden afgedongen, maar dat de figuur van het</para>
      <para>leeftijdspensioen met zijn mede historisch bepaalde ontstaans- en</para>
      <para>bestaansgronden een redelijke en objectieve grondslag als bovenbedoeld zou</para>
      <para>ontberen, is de Raad niet gebleken en deze stelling wordt naar 's Raads</para>
      <para>oordeel ook niet gedragen door de thans heersende rechtsovertuiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een en ander sluit niet uit, dat stemmen opgaan die bepleiten de leeftijd</para>
      <para>van 65 jaar hetzij te wijzigen hetzij een flexibeler karakter te geven</para>
      <para>waardoor meer ruimte voor een individuele benadering wordt geschapen. Dit</para>
      <para>evenwel zijn betogen, welke op zich in alle redelijkheid kunnen worden</para>
      <para>gehouden doch die op het terrein van politiek en wetgeving liggen; ze</para>
      <para>vertegenwoordigen (nog) niet een zo overheersende rechtsovertuiging dat</para>
      <para>rechterlijke rechtsvinding haar zou moeten volgen door, zoals in casu is</para>
      <para>beoogd, de bestaande leeftijdspensionering, met haar doorwerking tot ver</para>
      <para>buiten de pensionering als zodanig, in strijd met Grondwet en verdrag te</para>
      <para>achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van vorenstaande overwegingen is de Raad niet tot de conclusie</para>
      <para>kunnen komen dat het ontslag wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd</para>
      <para>niet op redelijke en objectieve gronden berust en dat het bestreden besluit</para>
      <para>uit dien hoofde in strijd met art. 1 Grw of art. 26 IVBPR zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ad b. Op grond van art. 24 lid 1 onder g van het Rechtspositiereglement</para>
      <para>Wetenschappelijk Onderwijs (RRWO) kan aan de ambtenaar in de zin van het</para>
      <para>RRWO ontslag worden verleend wegens het bereiken van de pensioengerechtigde</para>
      <para>leeftijd. Dit is blijkens de totstandkoming van deze bepaling de leeftijd</para>
      <para>van 65 jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het artikel verschaft aan gedaagde een zekere beleidsvrijheid. Te dien</para>
      <para>aanzien voert gedaagde als beleid, dat alleen in zeer bijzondere</para>
      <para>gevallen, dat wil zeggen indien een dringend dienstbelang daartoe noopt,</para>
      <para>wordt afgeweken van de ontslagverlening bij 65 jaar. In feite zijn dit</para>
      <para>de gevallen waarin met betrekking tot de betrokkene een sterke mate van</para>
      <para>onmisbaarheid en onvervangbaarheid aan de orde is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft betoogd, dat ook de persoonlijke belangen van de ambtenaar in</para>
      <para>deze afweging moeten worden betrokken. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat</para>
      <para>hij er ten tijde van zijn aanstelling van uitgegaan is en er van mocht</para>
      <para>uitgaan dat hij eerst op 70-jarige leeftijd zou worden gepensioneerd, dat</para>
      <para>hij dan 40 dienstjaren zou hebben opgebouwd, dat hij in verband daarmee</para>
      <para>destijds van inkoop van pensioenjaren heeft afgezien, dat hij na het</para>
      <para>terugbrengen van de pensioengerechtigde leeftijd tot 65 jaar geen 40</para>
      <para>dienstjaren heeft kunnen halen en daardoor pensioenschade lijdt, dat</para>
      <para>gedaagde van deze benadeling op de hoogte was en er bij zijn ontslagbeleid</para>
      <para>rekening mee had moeten houden en, door dit na te laten, in strijd met het</para>
      <para>beginsel van de rechtszekerheid heeft gehandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt, dat het op zich niet in strijd met enige rechtsregel is</para>
      <para>wanneer gedaagde de genoemde bevoegdheid uitsluitend in zeer bijzondere</para>
      <para>gevallen van dringend dienstbelang hanteert. Dat is ook in overeenstemming</para>
      <para>met art. 1 van het Koninklijk besluit van 13 september 1945, Stb. F 173,</para>
      <para>hetwelk handelt over de leeftijdsgrens voor het vervullen van openbare</para>
      <para>functies. Weliswaar zal ook een leeftijdsontslag de toetsing aan artikel 58</para>
      <para>lid 1 onder b-d van de Ambtenarenwet 1929 moeten kunnen doorstaan waarbij</para>
      <para>onder omstandigheden ook persoonlijke belangen een rol kunnen spelen, doch</para>
      <para>strijd met dat artikel doet zich in casu niet voor.</para>
      <para>Het stond de wetgever vrij ook voor de categorie ambtenaren, tot wie eiser</para>
      <para>behoorde, de pensioengerechtigde leeftijd tot 65 jaar te verlagen inclusief</para>
      <para>het daaruit voortvloeiende en voorzienbare gevolg dat het maximum van 40</para>
      <para>dienstjaren door een aantal zittende ambtenaren niet meer zou worden</para>
      <para>gehaald en het stond gedaagde vrij hieraan in eisers geval uitvoering te</para>
      <para>geven op de wijze zoals is geschied. De Raad is, zonder eisers</para>
      <para>pensioennadeel te bagatelliseren en ondanks eisers beroep op het</para>
      <para>dispositiebeginsel, van oordeel dat hier geen sprake is van een zodanige</para>
      <para>schending van het beginsel van de rechtszekerheid dat uit dien hoofde het</para>
      <para>ontslagbesluit niet zou kunnen worden gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat, tenslotte, in de Nederlandse wetgeving op de leeftijd van 65 jaar</para>
      <para>uitzonderingen voorkomen - eiser heeft in dit verband nadrukkelijk naar de</para>
      <para>rechterlijke macht verwezen - brengt in het vorenstaande geen verandering.</para>
      <para>Het gelijkheidsbeginsel dient niet om de uitzondering tot regel te verhef-</para>
      <para>fen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de Raad na bovenstaande overwegingen ook overigens niet is</para>
      <para>gebleken van strijd met enig algemeen verbindend voorschrift, algemeen</para>
      <para>rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, komt het</para>
      <para>bestreden besluit niet voor nietigverklaring in aanmerking en dient de</para>
      <para>aangevallen uitspraak te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter</para>
      <para>en mr. J. Janssen en mr. Ch. de Vrey als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 4 november 1993 door voornoemde voorzitter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Boesjes.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>