<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:21:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB4878</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK8238</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1993-09-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AW 92/153</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1993/223 met annotatie van S.M. Borkent</rdf:li>
          <rdf:li>PJ 2011/132</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:42:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878 Centrale Raad van Beroep , 16-09-1993 / AW 92/153</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het pensioen is berekend naar twee afzonderlijke dienstlijnen. Geen schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AW 1992/153</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>prof. dr. G.M. Bleeker, wonende te Aalsmeer, eiser tevens gedaagde, hierna</para>
      <para>te noemen: eiser,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, gedaagde tevens</para>
      <para>eiser, hierna te noemen: gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 december 1990 heeft gedaagde afwijzend beschikt op</para>
      <para>eisers verzoek zijn aanstellingsbesluit van</para>
      <para>21 juli 1969 te herzien, subsidiair hem een schadevergoeding toe te</para>
      <para>kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voormalige Ambtenarengerecht te Haarlem heeft bij uitspraak van 23</para>
      <para>maart 1992, nr. AW 91/50/M, het besluit van 21 december 1990 nietig en de</para>
      <para>nietigheid voor gedekt verklaard en gedaagde vervolgens veroordeeld tot</para>
      <para>betaling aan eiser van een vergoeding van f. 150.000.-, te verhogen met</para>
      <para>de eventueel volgens de bevoegde fiscale autoriteiten terzake daarvan over</para>
      <para>het jaar van uitbetaling van genoemde som door eiser te betalen loon- en</para>
      <para>inkomstenbelasting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van</para>
      <para>26 augustus 1993. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr.</para>
      <para>R.S. Meijer, advocaat en procureur te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door mr. E.S.J. van Kuik, werkzaam bij de</para>
      <para>universiteit van Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser was buitengewoon hoogleraar in de oogheelkunde aan de universiteit</para>
      <para>van Amsterdam en hoogleraar-directeur van het Interuniversitair</para>
      <para>Oogheelkundig Instituut. Met ingang van 1 mei 1985 is hem in verband met</para>
      <para>het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eervol ontslag verleend en</para>
      <para>is hem een ouderdomspensioen toegekend. Het pensioen viel aanmerkelijk</para>
      <para>lager uit dan eiser had verwacht. Dit was het gevolg van het door eiser</para>
      <para>niet voorziene feit, dat het pensioen overeenkomstig het toen geldende</para>
      <para>artikel F 1 lid 2 onder b van de Algemene burgerlijke pensioenwet naar twee</para>
      <para>afzonderlijke dienstlijnen werd berekend. Dit laatste vond zijn grond</para>
      <para>hierin, dat eiser bij besluit van 21 juli 1969 met ingang van 1 september</para>
      <para>1969 was benoemd tot lector in een volledige betrekking, terwijl hij</para>
      <para>voordien part-time werkzaam was als wetenschappelijk hoofdmedewerker</para>
      <para>waardoor zijn salaris en daarmee zijn pensioengrondslag meer dan</para>
      <para>verdubbelde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser nu stelt zich op het standpunt, zeer beknopt weergegeven, dat men van</para>
      <para>hem niet mocht verwachten dit nadelige gevolg na pensionering reeds in</para>
      <para>1969 te hebben voorzien; dat hij, indien hij zich dit toen bewust was</para>
      <para>geweest, de benoeming niet zou hebben aanvaard althans naar een oplossing</para>
      <para>zou hebben gestreefd waarbij deze zogenoemde pensioenknip zou zijn</para>
      <para>vermeden; dat daarentegen de universiteit van deze kwade gevolgen kennis</para>
      <para>droeg en hem toen had behoren te waarschuwen en met hem naar een gunstiger</para>
      <para>regeling had dienen te zoeken doch dit heeft nagelaten; dat hij door deze</para>
      <para>nalatigheid van de zijde van de universiteit thans een schade van</para>
      <para>ongeveer f. 38.000,-bruto per jaar lijdt en dat de universiteit voor deze</para>
      <para>schade aansprakelijk behoort te worden gesteld. Eiser vordert herziening</para>
      <para>van het aanstellingsbesluit van 21 juli 1969 wegens onzorgvuldige</para>
      <para>besluitvorming en ontoereikende belangenafweging, subsidiair vergoeding van</para>
      <para>de genoemde schade cum annexis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste rechter heeft te dien aanzien onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"Klager heeft ter terechtzitting nogmaals expliciet herhaald dat indien hij</para>
      <para>van de "knip" op de hoogte was geweest, hij de betreffende benoeming niet</para>
      <para>had aanvaard, althans niet op die voorwaarden. Dat is voor het gerecht ook</para>
      <para>niet aan twijfel onderhevig. Dat betekent dat verweerder dan een ander</para>
      <para>besluit had moeten nemen. De redenering dat een ander besluit niet mogelijk</para>
      <para>was, kan het gerecht niet inzien. Algemeen bekend is dat met name op het</para>
      <para>terrein van de mogelijke pensioenbreuk door werkgevers getracht wordt een</para>
      <para>situatie als hier aan de orde te voorkomen.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Indien verweerders toenmalige personeelsdienst de litigieuze bepaling van</para>
      <para>de ABP-wet niet kende, hetgeen niet meer is na te gaan doch door verweerder</para>
      <para>niet waarschijnlijk wordt geacht, moet er van worden uitgegaan dat het</para>
      <para>benoemingsbesluit is genomen zonder met die bepaling rekening te houden.</para>
      <para>Naar het oordeel van het gerecht is genoemde dienst, lees verweerder als</para>
      <para>verantwoordelijke voor het personeelsbeleid, daardoor tekortgeschoten in de</para>
      <para>voorbereiding tot het nemen van het bedoelde besluit.</para>
      <para>Indien genoemde dienst die bepaling wel kende, doch klager niet op de</para>
      <para>hoogte heeft gesteld, hetgeen verweerder betwijfelt doch klager</para>
      <para>uitdrukkelijk stelt, met welke stelling het gerecht meegaat, dan kleeft er</para>
      <para>eveneens een gebrek aan het benoemingsbesluit in die zin, dat dat besluit</para>
      <para>door klager niet zou zijn geaccepteerd.</para>
      <para>Weliswaar is een benoemingsbesluit als het onderhavige een éénzijdige</para>
      <para>rechtshandeling, doch een dergelijk besluit heeft geen rechtskracht indien</para>
      <para>de benoemde daarmede niet instemt. Ook hier is wilsovereenstemming een</para>
      <para>vereiste.</para>
      <para>De gedachtengang dat klager die bepaling had kunnen kennen en dat er wel</para>
      <para>sprake was van wilsovereenstemming nu hij daarover niet heeft gesproken,</para>
      <para>wordt door het gerecht uitdrukkelijk verworpen.</para>
      <para>Een en ander heeft het gerecht tot de conclusie gebracht dat het</para>
      <para>benoemingsbesluit van 21 juli 1969 zodanige gebreken vertoont, dat de</para>
      <para>weigering om daarvan terug te komen de hier aan de orde zijnde toetsing</para>
      <para>niet kan doorstaan, zodat het bestreden besluit dient te worden</para>
      <para>nietigverklaard.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan de eerste rechter in deze overwegingen niet volgen. De</para>
      <para>Nederlandse wetgeving en de rechtspositieregelingen kennen tal van</para>
      <para>situaties waarin in geval van salarisverhoging bijvoorbeeld door het</para>
      <para>overschrijden van een bepaalde inkomensgrens of anderszins neveneffecten</para>
      <para>in de financiële sfeer optreden welke voor de betrokkene soms (zeer)</para>
      <para>nadelig kunnen uitvallen. Dit kan zich voordoen op het terrein van de</para>
      <para>pensioenwetgeving, de belastingwetgeving, de ziektekostenregelingen, de</para>
      <para>huursubsidies e.a. Uit beleidsoogpunt zou kunnen worden bepleit met</para>
      <para>betrekking tot bepaalde onderwerpen aan de administratieve organen als</para>
      <para>werkgever een voorlichtende taak toe te kennen die verder gaat dan het ter</para>
      <para>hand stellen van de tekst van de betreffende regelingen. Maar het gaat naar</para>
      <para>'s Raads oordeel te ver om krachtens ongeschreven recht de administratieve</para>
      <para>organen in geheel algemene zin verplicht te achten de ambtenaar voor de</para>
      <para>nadelen   van een inkomensverhoging te waarschuwen en daaraan de</para>
      <para>verplichting te verbinden om, indien die waarschuwing achterwege is</para>
      <para>gebleven, het aldus ingetreden nadeel te vergoeden. Ook in een geval als</para>
      <para>dat van eiser, waarin bovendien ten tijde van de betreffende aanstelling</para>
      <para>met betrekking tot de hoogte van het latere pensioen verschillende</para>
      <para>onbekende factoren bestonden, acht de Raad een dergelijke verplichting met</para>
      <para>schadeaansprakelijkheid niet aanwezig.</para>
      <para>Dit zou anders kunnen zijn, wanneer gedaagde het vaste beleid voerde zijn</para>
      <para>ambtenaren in geval van salarisverhoging of aanstelling voor de gevolgen</para>
      <para>in de pensioensfeer voor te lichten en deze voorlichting in eisers geval</para>
      <para>achterwege was gebleven, doch een dergelijk vast beleid werd, naar ter</para>
      <para>zitting is meegedeeld, ten tijde hier van belang niet gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de Raad ook overigens niet is gebleken, dat gedaagde met</para>
      <para>betrekking tot de onderhavige materie op zodanige wijze te werk is gegaan</para>
      <para>of zodanig nalatig is geweest, dat dit een rechtsgrond zou opleveren voor</para>
      <para>de verplichting om hetzij het aanstellingsbesluit van</para>
      <para>21 juli 1969 te herzien hetzij een schadevergoeding te betalen, kan eisers</para>
      <para>beroep - ondanks begrijpelijke teleurstelling - niet slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien vorenstaande overwegingen kunnen de beschouwingen van eisers</para>
      <para>raadsman over de hoogte van de schadevergoeding, de rentevergoeding, de</para>
      <para>vergoeding van rechtsbijstand en het weduwenpensioen onbesproken blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter</para>
      <para>en mr. J. Janssen en mr. Ch. de Vrey als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 16 september 1993 door voornoemde</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Boesjes.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>