<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:42:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB2922</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0114</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN3600</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1993-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AOW 91/74 e.a.</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=6&amp;g=1993-11-26">Algemene Ouderdomswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=13&amp;g=1993-11-26">Algemene Ouderdomswet 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=1&amp;g=1993-11-26">Grondwet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001017&amp;artikel=26&amp;g=1993-11-26">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1994, 273 met annotatie van L.J.M. de Leede</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1994/126</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-23T12:57:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922 Centrale Raad van Beroep , 26-11-1993 / AOW 91/74 e.a.</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Discriminatie naar geslacht; cluster. Richtlijn 79/7/EEG (3e richtlijn) - personele werkingssfeer. Aan gedaagde is een AOW-pensioen toegekend met een korting van 8%. Deze korting was gebaseerd op art. 13 AOW (2% korting voor ieder niet-verzekerd jaar) en vloeide voort uit het feit dat gedaagdes echtgenoot in de periode 1959-'65 gedurende (meer dan) vier jaar onderworpen was geweest aan de Duitse sociale wetgeving (art. 2 Kb uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen). De RvB stelt onder meer in dit geding vragen aan het EG-hof. Oordeel eerste rechter: zie RSV 92/193. CRvB: ged. valt niet binnen de werkingssfeer van de 3e EEG-richtlijn, dus de korting kan op die grond niet ongedaan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak d.d. 26-11-1993, AOW 91/75 [RSV-actueel 94/3, AB 94/274], SVB ca. Vermaat-Verholen). Toetsing aan art. 26 IVBPR kan niet tot hetzelfde resultaat leiden als die aan de 3e richtlijn. Art. 13 AOW is een regel die berust op objectieve en redelijke gronden: hoogte van de uitkering gerelateerd aan het aantal verzekerde jaren. Hieraan doet niet af, althans voor de tijd vóór 23 december 1984, dat het niet-vervullen van tijdvakken van verzekering was gebaseerd op een regel welke onderscheid maakte naar geslacht. De werking van die regel valt immers in een periode waarin nog geen rechtstreeks beroep op art. 26 IVBPR kon worden gedaan. Dit oordeel leidt tot een uiteenlopende interpretatie van het discriminatieverbod van enerzijds de 3e richtlijn en anderzijds art. 26 IVBPR. De Raad ziet de uitleg van eerstbedoeld verbod exclusief gebonden aan het specifieke, op aanpassing van de bestaande wetgeving gerichte en binnen de bijzondere rechtsgemeenschap der EEG geldende gebod van art. 4 3e richtlijn. Een zo vergaande werking als aan het beginsel van gelijke behandeling M/V toegekend door het HvJ der EG in het arrest Verholen e.a. [RSV 91/227] vloeit niet voort uit de meer algemene normstelling van art. 26. De Raad verwerpt tenslotte het oordeel van de eerste rechter dat binnen de toepassing van de AOW een onderscheid tussen beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking zich niet zou verdragen met art. 1 Grondwet. Het gewraakte onderscheid wordt teweeggebracht door een bepaling van supranationaal recht, waarvan de werking niet door een bepaling van nationaal recht terzijde kan worden gesteld. Volgt vernietiging van de aangevallen uitspraak en ongegrond verklaring van het inleidend beroep. NB. kluster van 48 zaken, afgedaan op drie zittingen, d.d. 15-10-1993, d.d. 22-10-1993 en d.d. 26-10-1993. Overige zaaknummers: AOW 90/11, AOW 90/22, AOW 90/27, AOW 90/31, AOW 90/79, AOW 90/109, AOW 91/29, AOW 91/33, AOW 91/49, AOW 91/50, AOW 90/67, AOW 90/80, AOW 90/81, AOW 90/82, AOW 90/89, AOW 90/108, AOW 90/134, AOW 90/135, AOW 91/6, AOW 91/47, AOW 90/1, AOW 90/36, AOW 90/59, AOW 86/39, AOW 91/8, AOW 91/70 - aangehouden ttz -, AOW 91/73 [AB 94/272,met noot de Leede] -, AOW 91/75 [AB 94/274 met noot de Leede], AOW 92/8, AOW 90/30, AOW 88/21, AOW 90/72, AOW 90/130, AOW 91/5, AOW 91/13, AOW 89/89, AOW 90/58, AOW 87/13, AOW 89/72, AOW 90/10, AOW 90/35, [AB 94/271 met noot de Leede], AOW 90/9, AOW 90/62, AOW 90/88, AOW 91/7 [AB 96/499 met noot Pennings]. In de zaken AOW 90/9 en AOW 91/7 heeft de Hoge Raad bij arrest van 29-5-1996, de ingestelde cassatieberoepen verworpen (nr. 267 [RSV-Actueel 1996. afl. 7, nr. 14, RSV 97/77 met noot mr Keunen] en nr. 269 [AB 96/500 met noot mr Pennings]. Zie ook noot M. Greebe onder uitspraak HR in Nemesis nr 2, 1997, katern rechtspraak, blz 29-30.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>AOW 1991/74</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>O.</para>
    <para>U I T S P R A A K</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, eiser,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [gedaagde], geboren op 25 november 1923, wonende te</para>
    <para>
      [woonplaats], gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij beslissing van 14 september 1988 heeft eiser aan gedaagde met ingang</para>
    <para>van 1 november 1988 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene</para>
    <para>Ouderdomswet (hierna: AOW) toegekend ter grootte van 92% van het</para>
    <para>wettelijk pensioenbedrag voor een ongehuwde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de voormalige Raad</para>
    <para>van Beroep te 's-Hertogenbosch. Deze heeft bij bevel van 15 februari 1990</para>
    <para>met toepassing van artikel 177 van het EEG-verdrag aan het Hof van Justitie</para>
    <para>van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële beslissing gevraagd. Deze</para>
    <para>is gegeven in het arrest van het Hof d.d. 11 juli 1991 in de zaken C-87, 88</para>
    <para>en 89/90 (arrest Verholen e.a., gepubliceerd in onder meer RSV 1991/227).</para>
    <para>Vervolgens heeft de Raad van Beroep bij uitspraak van 15 november 1991</para>
    <para>(gepubliceerd in RSV 1992/193) de bestreden beslissing vernietigd onder</para>
    <para>bepaling dat eiser een nadere beslissing dient te nemen met inachtneming</para>
    <para>van de uitspraak.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep heeft eiser op de bij aanvullend beroepschrift van 10 april</para>
    <para>1992 aangevoerde gronden geconcludeerd tot vernietiging van de aangevallen</para>
    <para>uitspraak en bevestiging van zijn aangevochten beslissing.</para>
    <para>Van de zijde van eiser zijn in verband met het hoger beroep nadere stukken</para>
    <para>aan de Raad toegezonden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 26</para>
    <para>oktober 1993, waar van partijen alleen eiser is verschenen,</para>
    <para>vertegenwoordigd door mr. H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale</para>
    <para>Verzekeringsbank.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de bestreden beslissing is op het aan gedaagde toekomende</para>
    <para>ouderdomspensioen een korting toegepast van 8% op grond van de overweging</para>
    <para>dat gedaagde in het tijdvak 1959-1965 gedurende (afgerond) vier jaar niet</para>
    <para>verzekerd is geweest ingevolge de AOW.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep staat niet meer ter discussie dat, indien wordt uitgegaan</para>
    <para>van het bij en krachtens de AOW bepaalde, deze korting terecht is geschied,</para>
    <para>op grond van de omstandigheid dat gedaagde gedurende de in de bestreden</para>
    <para>beslissing genoemde tijdvakken niet verzekerd was aangezien haar</para>
    <para>echtgenoot toen was onderworpen aan de Duitse sociale wetgeving.</para>
    <para>Gegeven de uitspraak van de eerste rechter en gelet op het door eiser</para>
    <para>ingenomen standpunt staat in hoger beroep ter beoordeling, of de korting</para>
    <para>zich verdraagt met regels van supra- en internationaal recht, alsmede of</para>
    <para>zij aantastbaar is op grond van het bepaalde in artikel 1 van de</para>
    <para>Grondwet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In dat verband is het van belang allereerst vast te stellen dat gedaagde,</para>
    <para>die blijkens haar mededelingen in ieder geval sedert haar huwelijk in 1949</para>
    <para>geen beroepswerkzaamheden meer heeft verricht, niet binnen de personele</para>
    <para>werkingssfeer valt van de richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978, als</para>
    <para>omschreven in artikel 2 van die richtlijn.</para>
    <para>Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese</para>
    <para>Gemeenschappen d.d. 27 juni 1989 in de zaken 48, 106 en 107/88 (arrest</para>
    <para>Achterberg-te Riele e.a., gepubliceerd in onder meer RSV 1990/232) en op</para>
    <para>het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen welke de eerste rechter</para>
    <para>in het onderhavige geding heeft gesteld, komt de vraag of de korting in</para>
    <para>overeenstemming is met het verbod van discriminatie naar geslacht,</para>
    <para>neergelegd in artikel 4, lid 1, van genoemde richtlijn, in deze procedure</para>
    <para>derhalve niet aan de orde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Wel rijst de vraag of de beslissing om op het pensioen een korting toe te</para>
    <para>passen wegens niet-verzekerde jaren van gedaagde kan worden aangetast met</para>
    <para>een beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten</para>
    <para>en politieke rechten (Trb. 1978, 177; hierna: IVBPR).</para>
    <para>Zoals in de rechtspraak van de Raad meermalen tot uitdrukking is gebracht,</para>
    <para>betreft het hier een een ieder verbindende bepaling van internationaal</para>
    <para>recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt tot het gebied van de sociale</para>
    <para>zekerheid en welke door justitiabelen in het algemeen met ingang van 23</para>
    <para>december 1984 rechtstreeks kan worden ingeroepen. In bredere zin is</para>
    <para>voorts in de jurisprudentie - niet alleen van deze Raad maar ook in die van</para>
    <para>de Hoge Raad, en tevens in de zogeheten communications van het Human Rights</para>
    <para>Committee als bedoeld in artikel 28 IVBPR - aanvaard dat artikel 26 van het</para>
    <para>Verdrag mede omvat een gebod aan de verdragspartijen om wettelijke regels</para>
    <para>te vrijwaren van iedere vorm van door die bepaling verboden discriminatie;</para>
    <para>hiervan is geen sprake, indien kan worden vastgesteld dat een door</para>
    <para>regelgeving ten aanzien van rechtssubjecten teweeggebracht onderscheid</para>
    <para>berust op objectieve en redelijke gronden.</para>
    <para>Aldus opgevat vermag in de zienswijze van de Raad een bepaling als artikel</para>
    <para>26 IVBPR niet de rechtsgeldigheid aan te tasten van een nationale regel</para>
    <para>waarbij de hoogte van een op een wettelijke verzekering berustende</para>
    <para>uitkering (als het AOW-pensioen, respectievelijk de toeslag) afhankelijk</para>
    <para>wordt gesteld van de mate waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld.</para>
    <para>Dit laatste wordt niet anders wanneer kan worden vastgesteld dat het</para>
    <para>niet-vervullen van tijdvakken van verzekering, althans voor wat betreft de</para>
    <para>tijd gelegen vóór 23 december 1984, was gebaseerd op een regel welke een</para>
    <para>onderscheid maakte naar geslacht. Immers, de werking van die regel valt in</para>
    <para>een periode waarin justitiabelen nog geen rechtstreeks beroep op artikel 26</para>
    <para>IVBPR konden doen en waarin derhalve door die bepaling de</para>
    <para>rechtsgeldigheid van de eerder bedoelde, nationale, regel nog niet kon</para>
    <para>worden aangetast.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met het voorgaande is, mede in aanmerking genomen 's Raads uitspraak van</para>
    <para>heden in de zaak AOW 1991/75, op het punt van gelijke behandeling van man</para>
    <para>en vrouw in de sociale zekerheid een uiteenlopende interpretatie gegeven</para>
    <para>van het discriminatieverbod van de EEG-richtlijn 79/7 enerzijds en dat van</para>
    <para>artikel 26 IVBPR anderzijds.</para>
    <para>De Raad ziet echter de eerstbedoelde uitleg met betrekking tot het</para>
    <para>onderwerp dat hier aan de orde is exclusief gebonden aan het specifieke, op</para>
    <para>aanpassing van de bestaande wetgeving gerichte en binnen de bijzondere</para>
    <para>rechtsgemeenschap der EEG geldende gebod van artikel 4, lid 1, van de</para>
    <para>richtlijn 79/7/EEG.</para>
    <para>Een zo vergaande werking als aan het beginsel van gelijke behandeling van</para>
    <para>man en vrouw is toegekend in het arrest van het Hof van Justitie der EG</para>
    <para>d.d. 11 juli 1991 (arrest Verholen, Heidenrijk en gedaagde, RSV 1991/227)</para>
    <para>kan naar het oordeel van de Raad niet geacht worden voort te vloeien uit de</para>
    <para>meer algemene normstelling inzake het verbod van discriminatie als</para>
    <para>neergelegd in artikel 26 IVBPR.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan, tenslotte, de overwegingen van de eerste rechter met</para>
    <para>betrekking tot de toetsing aan artikel 1 Grondwet - waarop die rechter</para>
    <para>uiteindelijk zijn uitspraak heeft gebaseerd - niet tot de zijne maken. Het</para>
    <para>gewraakte onderscheid tussen beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking</para>
    <para>wordt in casu teweeggebracht door een bepaling van supra-nationaal recht,</para>
    <para>namelijk dat der EEG, waarvan de werking niet door een bepaling van</para>
    <para>nationaal recht terzijde kan worden gesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het vorenoverwogene vloeit voort 's Raads oordeel dat eisers bestreden</para>
    <para>beslissing ten onrechte door de eerste rechter is vernietigd en dat die</para>
    <para>beslissing ook op het punt van de korting wegens niet-verzekerde jaren op</para>
    <para>goede gronden berust, zodat in hoger beroep wordt beslist als hieronder</para>
    <para>aangegeven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en</para>
    <para>mr. F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van L.J. van Krimpen als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 26 november 1993 door voornoemde</para>
    <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) M.F. van Moorst.       (get.) L.J. van Krimpen.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>