<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:46:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5715</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1992-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW/WAO 90/646</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=57&amp;g=1992-06-03">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:46:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715 Centrale Raad van Beroep , 03-06-1992 / AAW/WAO 90/646</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gevolgen vernietiging terugvorderingsbeslissing voor verjaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5715:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AAW/WAO 1990/646</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 december 1983 is door gedaagde aan eiser kennis gegeven van</para>
      <para>de beslissing de hem eerder toegekende uitkeringen krachtens de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkeringen met ingang van 1</para>
      <para>oktober 1979 werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van</para>
      <para>45-55% en met ingang van 5 mei 1980 naar 25-35% arbeidsongeschiktheid,</para>
      <para>ingaande 1 oktober 1979 te herzien en nader vast te stellen naar een mate</para>
      <para>van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en ingaande 5 mei 1980 in te</para>
      <para>trekken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van</para>
      <para>laatstgenoemde datum dient te worden gesteld op minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 23 januari 1984 is door gedaagde aan eiser vervolgens</para>
      <para>mededeling gedaan van de beslissing, waarbij van eiser een bedrag groot f</para>
      <para>23.711,71 wordt teruggevorderd wegens over de periode van 1 oktober 1979</para>
      <para>tot en met</para>
      <para>30 mei 1983 ten onrechte uitbetaalde uitkeringen krachtens de AAW en de</para>
      <para>WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 25 oktober</para>
      <para>1984 de tegen die beslissingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 24 februari 1989 heeft deze Raad de hierboven genoemde</para>
      <para>uitspraak d.d. 25 oktober 1984 van de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch</para>
      <para>en eisers beslissingen van 9 december 1983 en 23 januari 1984 vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft gedaagde de thans bestreden beslissing d.d. 31 augustus</para>
      <para>1989 genomen, die onder meer luidt als volgt: "Voornoemde twee beslissingen</para>
      <para>werden vernietigd bij uitspraak d.d. 24 februari 1989 van de Centrale Raad</para>
      <para>van Beroep.</para>
      <para>Met inachtneming van het gestelde in die uitspraak is alsnog besloten uw</para>
      <para>uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 1 januari 1980 te</para>
      <para>herzien en nader vast te stellen naar een arbeidsongeschiktheid van 25</para>
      <para>tot 35%.</para>
      <para>De uitkering krachtens de AAW bedraagt 20% van de voor u geldende grondslag</para>
      <para>ad f 95,65 is f 19,13 bruto per uitkeringsdag.</para>
      <para>Deze uitkering wordt echter niet uitbetaald, omdat u tevens recht hebt op</para>
      <para>uitkering krachtens de WAO.</para>
      <para>De uitkering krachtens de WAO bedraagt 20% van 100/107,5 van uw dagloon ad</para>
      <para>f 142,47 is f 26,51 bruto per uitkeringsdag.</para>
      <para>Uw uitkering bedraagt met ingang van 1 januari 1980 derhalve f 26,51 bruto</para>
      <para>per uitkeringsdag.</para>
      <para>Gelet op voornoemde uitspraak is voorts besloten, onder intrekking van de</para>
      <para>beslissing d.d. 12 juni 1989 en de beslissing d.d. 28 juni 1980, uw</para>
      <para>uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 1 augustus 1980 in</para>
      <para>te trekken.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in de artikelen 48 van de AAW en 57 van de WAO kan</para>
      <para>hetgeen aan arbeidsongeschiktheidsduitkering teveel/ten onrechte is</para>
      <para>uitbetaald worden teruggevorderd:</para>
      <para>a. indien teveel/ten onrechte is uitbetaald als</para>
      <para>gevolg van het niet nakomen van de verplichting</para>
      <para>om onverwijld eigener beweging aan de bedrijfsvereniging</para>
      <para>mededeling te doen van alle feiten of</para>
      <para>omstandigheden, waarvan het redelijkerwijs</para>
      <para>duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op</para>
      <para>het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,</para>
      <para>gedurende vijf jaar na de betaalbaarstelling;</para>
      <para>b. indien redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest,</para>
      <para>dat de uitbetaling tot een te hoog bedrag/ten</para>
      <para>onrechte heeft plaatsgevonden, gedurende twee</para>
      <para>jaar na de betaalbaarstelling.</para>
      <para>U hebt ons niet medegedeeld, dat u vanaf 1 januari 1980 naast uw normale</para>
      <para>loon een andere betaling kreeg, die ook als loon moet worden aangemerkt.</para>
      <para>Subsidiair dient gesteld te worden dat u redelijkerwijs kon weten, dat de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering na 1 januari 1980 respectievelijk 1</para>
      <para>augustus 1980 tot een te hoog bedrag/ten onrechte werd uitbetaald.</para>
      <para>U hebt over de periode van 1 januari 1980 tot en met 30 mei 1983 een bedrag</para>
      <para>van f 20.621,06 (inclusief vakantiegeld) ten onrechte ontvangen.</para>
      <para>Besloten is voornoemd bedrag van u terug te vorderen en zo nodig te</para>
      <para>verrekenen met later uit te betalen uitkeringen krachtens de WAO, de AAW,</para>
      <para>de Ziektewet of de Werkloosheidswet.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 22 mei 1990</para>
      <para>het namens eiser tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft eiser bij</para>
      <para>gemachtigde Mr. E. Lietaert Peerbolte, belastingadviseur te</para>
      <para>'s-Hertogenbosch, tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>Daarbij is verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en opnieuw</para>
      <para>recht doende de bestreden beslissing te vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 6 mei</para>
      <para>1992, waar eiser en gedaagde niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de Raad van Beroep te</para>
      <para>'s-Hertogenbosch vastgesteld dat gedaagde met de thans bestreden beslissing</para>
      <para>is gebleven binnen de door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van</para>
      <para>24 februari 1989 aangegeven grenzen. Voorts heeft die Raad eisers grief</para>
      <para>verworpen dat het gedaagde in verband met artikel 6 van het Europees</para>
      <para>Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) niet</para>
      <para>vrij stond om nog een nieuwe terugvorderingsbeslissing te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is in de eerste plaats van de zijde van eiser als grief</para>
      <para>aangevoerd dat de Raad van Beroep ten onrechte niet is ingegaan op het</para>
      <para>verweer dat de rechten van gedaagde zijn verjaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaand overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze grief is in het in eerste aanleg ingediende klaagschrift als volgt</para>
      <para>onderbouwd:</para>
      <para>"Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt, dat de rechten van het</para>
      <para>Sociaal Fonds in deze ook zijn verjaard.</para>
      <para>Immers, door de vernietiging van de eerder door belanghebbende bestreden</para>
      <para>beslissingen is de rechtsgrond aan de terugvorderingsdaden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging (te weten de eerder bestreden beslissingen) komen te</para>
      <para>vervallen.</para>
      <para>Door de Bedrijfsvereniging in deze verrichte acties (verzonden brieven en</para>
      <para>inhoudingen op gedurende de procesperiode verstrekte ziektewetuitkeringen)</para>
      <para>dienen, nu zij door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (vide</para>
      <para>productie VII) rechtsgrondslag moesten ontberen en derhalve onrechtmatig</para>
      <para>waren, in rechte te worden genegeerd. Het is immers bepaaldelijk niet de</para>
      <para>bedoeling van de wetgever geweest dat de Bedrijfsvereniging door</para>
      <para>handelingen zonder rechtsgrondslag de in de wet vermelde</para>
      <para>verjaringstermijnen voor terugvordering van uitkeringen zou kunnen stuiten.</para>
      <para>Stuiting zou alleen kunnen plaatsvinden door rechtmatig handelen van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging, waarvan, nu de uitspraak van de Centrale Raad van</para>
      <para>Beroep als thans in het geding gebracht als</para>
      <para>productie VII, kennelijk geen sprake meer is.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met eiser constateert de Raad dat de in dit onderdeel van het klaagschrift</para>
      <para>vervatte beroepsgrond geen expliciete bespreking in de aangevallen</para>
      <para>uitspraak heeft gevonden. Derhalve zal de Raad alsnog de vraag</para>
      <para>beantwoorden of deze grief terecht is aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad moet deze vraag ontkennend worden beantwoord.</para>
      <para>Nadat een (binnen de geldende wettelijke termijnen genomen) beslissing tot</para>
      <para>terugvordering bij uitspraak d.d. 24 februari 1989 van deze Raad was</para>
      <para>vernietigd, heeft gedaagde een (thans in het geding zijnde) nadere</para>
      <para>beslissing tot terugvordering genomen.</para>
      <para>De omstandigheid dat deze nadere beslissing eerst na de geldende wettelijke</para>
      <para>termijnen is genomen, laat onverlet - zoals de Raad reeds eerder heeft</para>
      <para>overwogen - dat gedaagde binnen de wettelijke termijn van zijn bevoegdheid</para>
      <para>tot terugvordering gebruik heeft gemaakt. Een rechterlijke vernietiging</para>
      <para>maakt immers niet volledig ongedaan dat het uitvoeringsorgaan binnen de</para>
      <para>wettelijke termijn een beslissing tot terugvordering heeft genomen, maar</para>
      <para>strekt er slechts toe een dergelijke beslissing te vernietigen voorzover</para>
      <para>deze in strijd met het (geschreven of ongeschreven) recht is. Derhalve moet</para>
      <para>deze grief worden verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is namens eiser als grief naar voren gebracht dat de Raad van Beroep</para>
      <para>ten onrechte het verweer heeft verworpen dat het tijdsverloop tussen het</para>
      <para>jaar waarop de beslissing van gedaagde betrekking heeft, en de datum van de</para>
      <para>bestreden beslissing in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het</para>
      <para>EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienaangaande overweegt de Raad in de lijn van de terzake gevormde</para>
      <para>jurisprudentie dat, ook als aangenomen zou moeten worden dat voormeld</para>
      <para>artikel 6 van het EVRM op de onderhavige beslissing en/of op de</para>
      <para>onderhavige gerechtelijke procedure(s) van toepassing zou zijn, een</para>
      <para>overschrijding van een in het algemeen redelijk te achten termijn de</para>
      <para>onderlinge verhouding van partijen niet beroert en niet van invloed is op</para>
      <para>de vraag hoe hun rechtsstrijd moet worden beslist. Derhalve kan een</para>
      <para>uitvoeringsorgaan als gedaagde op deze wijze niet een terugvordering als</para>
      <para>hier in geschil te loor zien gaan. Op bovenstaande grond moet ook deze</para>
      <para>grief van eiser worden verworpen. De Raad kan en zal daarbij daarlaten wat</para>
      <para>er zij van de in de aangevallen uitspraak terzake gebezigde overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu - zoals de Raad van Beroep met juistheid heeft vastgesteld - gedaagde bij</para>
      <para>de thans bestreden beslissing is gebleven binnen de grenzen, die zijn</para>
      <para>aangegeven in 's Raads uitspraak van 24 februari 1989 en ook overigens niet</para>
      <para>gebleken is dat deze beslissing de rechterlijke toetsing niet kan</para>
      <para>doorstaan, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve dient te worden beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door Mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en Mr. H. van Leeuwen en</para>
      <para>Mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 1992 door voornoemde voorzitter, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G.L. Plomp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) E. Heemsbergen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>