<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:44:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB5274</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1992-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AAW/WAO 89/47</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=102&amp;g=1992-05-04">Beroepswet 102</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=103&amp;g=1992-05-04">Beroepswet 103</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=25&amp;g=1992-05-04">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 25</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=36&amp;g=1992-05-04">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 36</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=37&amp;g=1992-05-04">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 37</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:44:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274 Centrale Raad van Beroep , 04-05-1992 / AAW/WAO 89/47</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1992:ZB5274:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>AAW/WAO 1989/47</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B. (Spanje), eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de</para>
      <para>Electrotechnische Industrie, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 24 juli 1987 heeft gedaagde aan eiser kennis gegeven van zijn</para>
      <para>beslissing dat aan eisers verzoek om herziening van zijn uitkeringen</para>
      <para>ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke sedert 1 januari 1983 zijn</para>
      <para>vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, niet wordt</para>
      <para>voldaan, aangezien hij onveranderd 35 tot 45% arbeidsongeschikt wordt geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad van Beroep te 's-Gravenhage heeft het namens eiser tegen deze</para>
      <para>beslissing ingestelde beroep bij uitspraak van 15 november 1988 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser in hoger beroep heeft Mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,</para>
      <para>advocaat te Amsterdam, de Raad op de bij aanvullend beroepschrift van 19</para>
      <para>mei 1989 aangevoerde gronden verzocht de uitspraak van de Raad van Beroep</para>
      <para>alsmede gedaagdes bestreden beslissing te vernietigen, met opdracht aan</para>
      <para>gedaagde een nieuwe beslissing te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 24</para>
      <para>maart 1992. Eiser is daar verschenen bij gemachtigde Mr. De Roy van</para>
      <para>Zuydewijn, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door Mr.</para>
      <para>P.G. Wijtsma en Mr. P.C. Haarms, beiden werkzaam bij het</para>
      <para>Gemeenschappelijk Administratiekantoor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is tijdens zijn verblijf in Nederland sedert 1967 werkzaam geweest</para>
      <para>bij X., laatstelijk als kraandrijver. Hij is in april 1981 ongeschikt geworden wegens</para>
      <para>rugklachten, waarna hij in juni 1981 aan een hernia (HNP) is geopereerd. Met</para>
      <para>ingang van 29 april 1982 zijn hem uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend</para>
      <para>naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige van de</para>
      <para>Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) op 30 maart 1982 is een zogenoemd</para>
      <para>beperkingenpatroon opgesteld, waarna in oktober 1982 arbeidskundige</para>
      <para>beoordeling heeft plaatsgevonden. Uitgaande van de voor eiser geldende</para>
      <para>beperkingen (in het bijzonder: afwisselend zitten/ lopen/staan, en tillen</para>
      <para>tot maximaal 10 kg) heeft de arbeidsdeskundige van de GMD bij rapport van</para>
      <para>18 oktober 1982 een aantal arbeidsmogelijkheden aangegeven welke voor eiser</para>
      <para>passend zouden zijn. Op grond van het met die werkzaamheden te verwerven</para>
      <para>inkomen zou eisers arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45% moeten worden</para>
      <para>gesteld. Deze schatting is gerealiseerd met ingang van 1 januari 1983 en</para>
      <para>hem medegedeeld bij beslissing van 21 december 1982.</para>
      <para>Omstreeks die tijd heeft eiser zich wederom in Spanje gevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In 1986 zijn aan gedaagde toegezonden een "gedetailleerd medisch rapport"</para>
      <para>als bedoeld in het Administratief Akkoord bij het Verdrag inzake sociale</para>
      <para>zekerheid tussen Nederland en Spanje, gedateerd 25 juni 1986, alsmede een</para>
      <para>rapport d.d. 16 mei 1986 van Dr. Repetto Lopez, verbonden aan een</para>
      <para>ziekenhuis in Cadiz.</para>
      <para>Blijkens deze gegevens is eiser in april 1986 geopereerd aan een recidief</para>
      <para>hernia op het niveau L5-S1, bedraagt de "globale vermindering" 65%, en kan</para>
      <para>eiser zittende werkzaamheden verrichten. Bij brief van 11 januari 1987</para>
      <para>heeft eiser aan gedaagde meegedeeld van mening te zijn dat zijn</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidspercentage nu 65 dient te bedragen.</para>
      <para>De GMD heeft in een en ander aanleiding gevonden eiser naar Nederland op te</para>
      <para>roepen en hem hier te doen onderzoeken door de neuroloog Prof. Dr. J.C.</para>
      <para>Koetsier. Deze heeft na onderzoek van eiser bij rapport van 20 mei 1987 als</para>
      <para>volgt geconcludeerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Conclusie:</para>
      <para>In het verleden zal belanghebbende zeker geopereerd zijn aan een</para>
      <para>discuslijden L5/S1, terwijl ook nu nog enige aanwijzingen bestaan voor een</para>
      <para>gering lumbaal radiculair syndroom S1 links, bij een contracte rug.</para>
      <para>Daarnaast zijn er ook duidelijke pseudo-radiculaire klachten met ileosacralgie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Advies:</para>
      <para>Belanghebbende moet desondanks in staat worden geacht tot het verrichten</para>
      <para>van rugsparende, afwisselende, zittende en staande en lopende arbeid.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzekeringsgeneeskundige van de GMD heeft vervolgens bij rapport van 16</para>
      <para>juni 1987 zijn standpunt als volgt geformuleerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Zo er sprake is geweest van een verergering van de klachten is deze door</para>
      <para>de in Spanje verrichtte ingreep adequaat aangepakt en verkeert</para>
      <para>belanghebbende in zodanige toestand dat het beperkingenpatroon van 30 maart</para>
      <para>1982 ongewijzigd van kracht is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Advies: Belanghebbende ongewijzigd 35-45% arbeidsongeschikt achten.".</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het op grond hiervan door de GMD uitgebrachte advies om eiser onveranderd</para>
      <para>35 tot 45% arbeidsongeschikt te beschouwen is overgenomen in de nu</para>
      <para>bestreden beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de procedure bij de Raad van Beroep heeft eisers gemachtigde, mede op</para>
      <para>gezag van de door haar ingeschakelde vertrouwensarts G.J. van Doornum,</para>
      <para>bezwaar gemaakt tegen de rapportage van de neuroloog Koetsier en de daaruit</para>
      <para>door gedaagde getrokken conclusies. Haar standpunt luidt, dat de deskundige</para>
      <para>kennelijk niet de beschikking heeft gehad over de hierboven vermelde</para>
      <para>Spaanse rapporten, nu hij geen melding heeft gemaakt van de heroperatie in</para>
      <para>1986; als gevolg hiervan zou de anamnese onvolledig zijn, en de van de</para>
      <para>Spaanse rapportage afwijkende beoordeling onjuist; op grond van de</para>
      <para>Spaanse bevindingen zou een toegenomen arbeidsongeschiktheid van</para>
      <para>onafgebroken 52 weken moeten worden aangenomen.</para>
      <para>Nadat de GMD op deze stellingen commentaar had geleverd - waarop de arts Van</para>
      <para>Doornum bij brief van 4 april 1988 heeft gereageerd -, heeft de Voorzitter</para>
      <para>van de Raad van Beroep gedaagde verzocht de deskundige Koetsier te laten</para>
      <para>reageren op hetgeen van de zijde van eiser naar voren is gebracht. De</para>
      <para>deskundige heeft dit gedaan bij brief van 10 juni 1988, gericht aan de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige van de GMD, welke brief als volgt luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"Zeer geachte collega,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij reageer ik naar aanleiding van uw verzoek op de aan mij voor</para>
      <para>commentaar gestuurde gedingstukken van de beroepszaak van de heer</para>
      <para>A. bij de Raad van Beroep te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Allereerst wil ik onder de aandacht brengen dat mijn onderzoek ongeveer 1</para>
      <para>jaar na de tweede operatie, die belanghebbende onderging wegens een</para>
      <para>discuslijden L5S1, plaats vond. Juist de waarde van het neurologisch</para>
      <para>onderzoek, de status quo, bepaalt de situatie waarin belanghebbende</para>
      <para>verkeerde. Bij mijn onderzoek, zie de conclusie vermeld op de tweede helft</para>
      <para>van pagina 3, vond ik "nog enige aanwijzingen voor een gering lumbaal</para>
      <para>radiculair syndroom S1 links bij een contracte rug". Of belanghebbende in</para>
      <para>de voorgaande 6 jaren 1 of 2 operaties heeft ondergaan, doet voor de</para>
      <para>bevindingen van deze momentopname niet ter zake. Er werd namelijk een</para>
      <para>discrepantie gevonden tussen de ernst van de klachten en de relatief</para>
      <para>geringe bevindingen, waarbij ik bijvoorbeeld wijs op de feiten dat</para>
      <para>belanghebbende rechtop kon zitten met gestrekte benen en dan alleen pijn</para>
      <para>aangaf onder in de rug en niet in één van de benen, en op de bevinding</para>
      <para>dat het symptoom van Bragard negatief was (zie resp. de eerste regel van</para>
      <para>mijn rapport op pagina 3 en de laatste regel op pagina 2). Ook de</para>
      <para>bevindingen bij het onderzoek van de motoriek (zie pagina 3, regels 6-10)</para>
      <para>spreken voor zich. Op grond hiervan meen ik dat mijn advies inhoudend dat</para>
      <para>belanghebbende desondanks in staat moest worden geacht tot het "verrichten</para>
      <para>van rugsparende, afwisselend zittende, staande en lopende arbeid" juist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens zal ik mij over de gedingstukken uitspreken. Over het percentage</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid heb ik mij niet uitgesproken en ik heb mij ook niet</para>
      <para>kunnen uitspreken over een vergelijking met een onderzoek in 1982, omdat ik</para>
      <para>hem toen niet gezien heb (gedingstuk A.10, II.6).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ik teken bezwaar aan tegen de conclusie van het spaanse verbindingsorgaan</para>
      <para>te Cadiz op 25 juni 1986, aangehaald in gedingstuk A.10, II.7, dat</para>
      <para>belanghebbende alleen nog geschikt is tot het verrichten van zittende</para>
      <para>arbeid. Juist na een hernia operatie moet men een afwisselende houding</para>
      <para>aannemen; een enkel zittende houding verergert postoperatieve lage</para>
      <para>rugklachten, die vaak na een hernia operatie worden gezien.</para>
      <para>Onder III 1.1 van het betreffende gedingstuk wordt gesteld dat ik spreek</para>
      <para>over een waarschijnlijke operatie in het verleden. Dit klopt niet met de</para>
      <para>feiten. Onder mijn conclusie vermeld ik daarentegen: "in het verleden zal</para>
      <para>belanghebbende zeker geopereerd zijn aan een discuslijden L5S1". Voor de 2e</para>
      <para>operatie verwees ik naar de bijlage (zie: de eerste 2 regels op pagina 2</para>
      <para>van mijn rapport "opgenomen in een ziekenhuis in Cadiz (april 1986: zie</para>
      <para>bijlage)". Het betrof hier het in het Spaans gestelde stuk van de dr.</para>
      <para>Repetto Lopez d.d. 16.05.86, dat ik hierbij nog eens bijsluit. Hierin wordt</para>
      <para>het recidief van de hernia vermeld. Ik kreeg het van belanghebbende. Ik</para>
      <para>betwist daarom dat ik geen kennis had van de "Spaanse rapportage" en dat</para>
      <para>daarom de anamnese onvolledig en de beoordeling anders en onjuist zouden zijn.</para>
      <para>Ik betwist eveneens dat een recidief hernia operatie zwaardere beperkingen</para>
      <para>met zich meebrengt zeker indien zo'n operatie adequaat is uitgevoerd.</para>
      <para>Daaraan twijfel ik niet gezien het feit dat bij de "op 14.05.86 uitgevoerde</para>
      <para>(postoperatieve) lumbosacrale radiculografie een gering vullingsdeficit van</para>
      <para>de radix S1 rechts waargenomen werd, hetgeen gezien de korte tijd na de</para>
      <para>operatie toegeschreven zou kunnen worden aan littekenvorming en/of een</para>
      <para>discusfragment". (zie: geautoriseerde vertaling van de brief van dr. Repetto Lopez).</para>
      <para>Niet de anamnese is het belangrijkst, maar de bevindingen van het onderzoek.</para>
      <para>De onder III.2 vermelde conclusie dat de beperkingen volgens de rapportage</para>
      <para>van het Spaans orgaan zijn toegenomen en zijn restcapaciteit is afgenomen,</para>
      <para>is niet gebaseerd op het rapport van dr. Repetto Lopez, waarin staat dat de</para>
      <para>klachten voornamelijk sensitief zijn (geen pijn) en dat hij na een paar</para>
      <para>dagen rust houden, zijn gewone leven weer kan hervatten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het gedingstuk A 18 inhoudend een schrijven van de arts G.J.J. van</para>
      <para>Doornum, heb ik verder geen commentaar, gezien het bovenstaande.</para>
      <para>In de hoop u hiermede te hebben ingelicht, teken ik,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>met collegiale groeten,</para>
    <para />
    <para>Prof. dr. J.C. Koetsier.".</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de Raad van Beroep de bezwaren in</para>
      <para>verband met rapport-Koetsier verworpen en is hij ook zelf met name op grond</para>
      <para>van die rapportage tot het oordeel gekomen dat gedaagde op goede gronden</para>
      <para>heeft geweigerd eisers arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te herzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft eisers gemachtigde haar bezwaren op het hierboven</para>
      <para>gereleveerde punt gehandhaafd, en voorts betoogd dat bij de totstandkoming</para>
      <para>van de bestreden beslissing het recht van de Europese Economische</para>
      <para>Gemeenschap (EEG) geschonden is; in dit verband heeft zij verwezen naar</para>
      <para>de artikelen 3 en 10 van de EEG-Verordening nr. 1408/71 en artikel 51 van</para>
      <para>de EEG- Verordening nr. 574/72.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na allereerst vastgesteld te hebben dat, gelet op de datering van de te</para>
      <para>dezen relevante feiten, inderdaad het EEG-recht van toepassing is, wijst de</para>
      <para>Raad erop dat blijkens het arrest van het Hof der EG d.d. 27 juni 1991 in</para>
      <para>de zaak C-344/89 (arrest Martinez Vidal, gepubliceerd in RSV 1991/258) het</para>
      <para>gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat dat bij gebruikmaking van de</para>
      <para>bevoegdheid bedoeld in artikel 51, lid 1, van Vo. 574/72 de betrokkene door</para>
      <para>of vanwege het orgaan dat de uitkering verstrekt naar Nederland wordt</para>
      <para>opgeroepen om in opdracht van dat orgaan een medisch onderzoek te</para>
      <para>ondergaan.</para>
      <para>Hierbij dient wel te worden aangetekend dat blijkens overweging 9 van het</para>
      <para>arrest, artikel 51, lid 1, voormeld, een bindend voorschrift met betrekking</para>
      <para>tot   het doen plaatsvinden van de controle door het orgaan van de woon- of</para>
      <para>verblijfplaats van de betrokkene bevat, en dat de aldaar omschreven</para>
      <para>bevoegdheid   van het orgaan dat de uitkering verstrekt, een aanvullende</para>
      <para>controle betreft, welke verricht kan worden indien het orgaan zulks nodig acht.</para>
      <para>Gelet op de hierboven weergegeven gang van zaken met betrekking tot de</para>
      <para>controle   van eiser (in 1986) in Spanje en nadien in Nederland, kan niet</para>
      <para>gezegd worden dat in dit opzicht in strijd met het gemeenschapsrecht is gehandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft eisers inhoudelijke bezwaren tegen de medische beoordeling</para>
      <para>welke (mede) ten grondslag ligt aan de bestreden beslissing, overweegt de</para>
      <para>Raad dat hij geen grond ziet om aan de rapportage van de neuroloog Koetsier</para>
      <para>niet de waarde en betekenis toe te kennen, welke de eerste rechter daaraan</para>
      <para>heeft gehecht, mede in aanmerking genomen diens hierboven aangehaalde</para>
      <para>reactie en nadere uiteenzetting d.d. 10 juni 1988.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte heeft eiser nog doen stellen dat in casu in strijd zou worden</para>
      <para>gehandeld met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de</para>
      <para>Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951/54 (EVRM),</para>
      <para>indien de rechter geen onafhankelijke deskundige zou inschakelen.</para>
      <para>Dienaangaande merkt de Raad op dat het van de omstandigheden van het geval</para>
      <para>zal afhangen of voor de beslechting van een geschil kan worden volstaan met</para>
      <para>de rapportage van de verzekeringsgeneeskundigen van de uitvoeringsorganen,</para>
      <para>al dan niet versterkt door het oordeel van de door dezen ingeschakelde</para>
      <para>externe deskundigen, of dat de rechter besluit tot het instellen van een</para>
      <para>nader onderzoek door een door hem aangewezen deskundige, maar dat het naar</para>
      <para>'s Raads oordeel te ver zou voeren om in het kader van artikel 6 van het</para>
      <para>EVRM te stellen, dat bij achterwege blijven van laatstbedoeld onderzoek</para>
      <para>niet langer zou kunnen worden gesproken van een eerlijke behandeling van de</para>
      <para>betreffende zaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als hieronder aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door Mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en Mr. H.J. Grendel en</para>
      <para>Mr.   F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Raken als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 1992 door Mr. H.J. Grendel als</para>
      <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van L.J. van Krimpen als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.J. Grendel.          (get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>(get.) L.J. van Krimpen.      (get.) A.C.M. Raken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>SB</para>
      <para>274</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>