<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1992:ZB3577</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-23T12:03:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB3577</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AI3433</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1992-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BPW 86/79</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002032&amp;artikel=42&amp;g=1992-02-20">Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 42</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1992:ZB3577">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1992:ZB3577</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-23T12:02:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1992:ZB3577 Centrale Raad van Beroep , 20-02-1992 / BPW 86/79</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1992:ZB3577:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening ten nadele van; betekenis van gebrekkige voorbereiding oorspronkelijke beslissing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1992:ZB3577:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>BPW 1986/79</para>
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>
    [klager], wonende te [woonplaats] (Oostenrijk), klager,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad, als rechtsopvolger van de Buitengewone</para>
    <para>Pensioenraad, verweerder.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Buitengewone Pensioenraad - bedoeld in artikel 21 van de Wet</para>
    <para>buitengewoon pensioen 1940-1945, zoals die wet tot 1 juli 1990 luidde -</para>
    <para>heeft bij een in fotocopie aan deze uitspraak gehechte beslissing van 6</para>
    <para>juli 1984 verstaan:</para>
    <para>1. het aan klager bij beslissing van 13 augustus</para>
    <para>1975 verleende vermeerderd pensioen, gelet op</para>
    <para>artikel 42, eerste lid, oud, van de Wet</para>
    <para>buitengewoon pensioen 1940-1945, in te trekken;</para>
    <para>en</para>
    <para>2. hetgeen aan klager uit hoofde van de</para>
    <para>laatstgenoemde beslissing reeds is uitbetaald,</para>
    <para>terug te vorderen, gelet op artikel 42, vijfde</para>
    <para>lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Een bezwaar dat klager tegen de beslissing van 6 juli 1984 indiende, heeft</para>
    <para>de Buitengewone Pensioenraad bij</para>
    <para>een beslissing van 7 oktober 1986, onder volledige handhaving van de</para>
    <para>beslissing waarvan bezwaar, afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Van de beslissing d.d. 7 oktober 1986 is Mr. A.J.L.J. Pfeil, advocaat en</para>
    <para>procureur te Maastricht, als gemachtigde van klager bij de Raad in beroep</para>
    <para>gekomen. In een aanvullend klaagschrift d.d. 14 mei 1987 (voorzien van</para>
    <para>bijlagen) is uiteengezet, waarom klager zich met de bestreden beslissing</para>
    <para>niet kan verenigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens de Buitengewone Pensioenraad zijn bij brief van</para>
    <para>3 augustus 1988 nog een aantal gedingstukken en is onder dagtekening 17</para>
    <para>oktober 1988 een brief d.d. 28 september 1988 van de Stichting 1940-1945</para>
    <para>aan de Raad ingezonden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Medio 1989 zijn op verzoek van 's Raads fungerend voorzitter vanwege het</para>
    <para>Ministerie van Justitie het daar berustende PRA-dossier betreffende klager</para>
    <para>en vanwege het Arrondissementsparket te Maastricht het strafprocesdossier,</para>
    <para>rolnummer MK 275/83, ten name van klager, aan de Raad toegezonden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 9 januari 1992.</para>
    <para>Aldaar is klager in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. Pfeil voornoemd</para>
    <para>als zijn raadsman, terwijl verweerder - in dit geding als zodanig</para>
    <para>optredend ingevolge de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Wet van 27</para>
    <para>juni 1990, Stb. 324) - zich heeft doen vertegenwoordigen door Mr. M.P.H.</para>
    <para>Nijhuis, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <para>De Raad ontleent aan de gedingstukken in de eerste plaats het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>In oktober 1974 heeft klager, die is geboren op 8 juni 1919, bij de</para>
    <para>toenmalige Buitengewone Pensioenraad (verder: BPR) een aanvraag ingediend</para>
    <para>om toekenning van buitengewoon pensioen uit eigen hoofde ingevolge de Wet</para>
    <para>buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder dagtekening 3 maart 1975 heeft de Stichting 1940-1945 ten name van</para>
    <para>klager de in artikel 24, eerste lid, van de Wet bedoelde verklaring</para>
    <para>afgegeven. Deze verklaring houdt - overeenkomstig de verklaring van het</para>
    <para>bestuur van die stichting, distrikt Gelderland/Overijssel - in dat na</para>
    <para>onderzoek is komen vast te staan dat klager heeft behoord tot de deelnemers</para>
    <para>aan het verzet in de zin van de Wet en dat een omstandigheid als bedoeld in</para>
    <para>artikel 2, tweede lid, van de Wet niet aanwezig is; naar luid van dat</para>
    <para>voorschrift komen voor toekenning van buitengewoon pensioen niet in</para>
    <para>aanmerking zij, die zich tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in</para>
    <para>Europa uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig hebben</para>
    <para>gedragen. Bedoeld</para>
    <para>onderzoek had (samengevat) uitgewezen: dat klager vanwege de Duitse</para>
    <para>bezetter op 17 april 1941 te Beekbergen was gearresteerd; dat hij in het</para>
    <para>eerste Vrij Nederland-proces voor het Gericht des Marinebefehlhabers in den</para>
    <para>Niederlanden te Utrecht einde oktober 1941 wegens verboden wapenbezit was</para>
    <para>veroordeeld tot een tuchthuisstraf van een jaar en zes maanden; dat hij</para>
    <para>(evenwel) als Nacht und Nebel-gevangene, na ingesloten te zijn geweest in</para>
    <para>achtereenvolgens het kamp Amersfoort en het kamp Vught, in juni 1943 naar</para>
    <para>het het concentratiekamp Natzweiler werd gedeporteerd en van daaruit in</para>
    <para>september 1944 naar het concentratiekamp Dachau werd overgebracht in welk</para>
    <para>kamp hij, na in buitencommando's te hebben gewerkt, de bevrijding heeft</para>
    <para>meegemaakt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De BPR heeft bij een beslissing van 13 augustus 1975 aan klager met ingang</para>
    <para>van 1 november 1974 een (vermeerderd) buitengewoon pensioen ingevolge de</para>
    <para>Wet verleend, berekend naar een invaliditeit van blijvend 100%. Daartoe</para>
    <para>heeft de BPR de voormelde verklaring ten name van klager d.d. 3 maart 1975</para>
    <para>van de Stichting 1940-1945 gevolgd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij een brief van 30 december 1981 heeft de centrale hoofdbestuurscommissie</para>
    <para>van de Stichting 1940-1945 aan de BPR bericht dat zij enige jaren geleden</para>
    <para>(in 1978) van betrouwbare zijde attent was gemaakt op een tot dan toe bij</para>
    <para>haar onbekend gegeven inzake klager. Blijkens die brief ging het om het</para>
    <para>gegeven, dat klager na de bevrijding van het kamp Dachau aldaar onder</para>
    <para>arrest werd gesteld wegens verdenking van ernstige misdragingen gedurende</para>
    <para>de laatste drie maanden van 1944 jegens Joodse kampgenoten in het kamp</para>
    <para>Kaufbeuren/Riederloh. De brief was voorzien van een groot aantal bijlagen,</para>
    <para>waaronder gegevens afkomstig uit het bij het Ministerie van Justitie</para>
    <para>berustende PRA-dossier over klager.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In december 1982 is klager gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te</para>
    <para>Maastricht. Klager werd ten laste gelegd (voor zover in casu van belang en</para>
    <para>summier samengevat), dat hij in het tijdvak van 1 oktober 1944 tot en met</para>
    <para>10 januari 1945 in een kamp in de omgeving van Kaufbeuren, waarin Joodse</para>
    <para>dwangarbeiders verbleven, als funktionaris (genoemd werden de functies van</para>
    <para>Kampoudste en Blokoudste) van de vijand zich heeft schuldig gemaakt aan</para>
    <para>enig misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 6 onder c van</para>
    <para>het Handvest behorende bij de Overeenkomst van Londen van 8 augustus 1945</para>
    <para>(koninklijk besluit van 4 januari 1946, staatsblad G5). Bij vonnis van de</para>
    <para>strafkamer van de voormelde rechtbank d.d. 20 mei 1983, gepubliceerd in NJ</para>
    <para>1984 nr. 624, is klager van het hem ten laste gelegde vrijgesproken omdat</para>
    <para>niet wettig en overtuigend bewezen werd geacht wat aan klager ten laste was</para>
    <para>gelegd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De centrale hoofdbestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 heeft bij</para>
    <para>brief van 18 juni 1984 aan de BPR bericht dat zij op grond van de sinds</para>
    <para>1978 nieuw gevonden stukken van mening is dat klager zich in het bijzonder</para>
    <para>als Kampoudste van het buitencommando Kaufbeuren/Riederloh zodanig heeft</para>
    <para>gedragen, dat hem de verklaring van niet-onwaardigheid in Nederlands</para>
    <para>nationale zin niet toekomt; daarom is bij die brief de op 3 maart 1975</para>
    <para>afgegeven verklaring van niet-onwaardigheid ingetrokken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens heeft de BPR - nadat pogingen om klager te horen niet waren</para>
    <para>geslaagd   - de in rubriek I genoemde en omschreven herzieningsbeslissing</para>
    <para>d.d. 6 juli 1984 het licht doen zien.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Die beslissing is na bezwaar van klager bij de thans bestreden beslissing</para>
    <para>gehandhaafd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad moet in dit geding beoordelen of de bestreden beslissing met vrucht</para>
    <para>in rechte kan worden aangetast. Dienaangaande overweegt de Raad, zulks aan</para>
    <para>de hand van de overwegingen van de herzieningsbeslissing d.d. 6 juli</para>
    <para>1984, het volgende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij de herzieningsbeslissing is in de eerste plaats het aan klager bij de</para>
    <para>beslissing van 13 augustus 1975 verleende vermeerderd buitengewoon pensioen</para>
    <para>ingetrokken. In dit opzicht is die beslissing gebaseerd op artikel 42,</para>
    <para>eerste lid, oud, van de Wet. Zij rust ten gronde op het nadere oordeel van</para>
    <para>de BPR dat klager zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig</para>
    <para>heeft gedragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet en dat</para>
    <para>klager daarom niet voor toekenning van buitengewoon pensioen in</para>
    <para>aanmerking komt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge artikel 42, eerste lid, oud, van de Wet kan de BPR een door hem</para>
    <para>genomen definitieve beslissing in het nadeel van de bij die beslissing</para>
    <para>betrokkene herzien op grond van - in dezen van belang - gegevens die -</para>
    <para>naar</para>
    <para>'s Raads oordeel: aan de BPR - niet bekend waren ten tijde van het nemen</para>
    <para>van die beslissing en die, zo zij wel bekend waren geweest, tot een</para>
    <para>andersluidende beslissing zouden hebben geleid.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Blijkens de herzieningsbeslissing, zoals zij namens verweerder is</para>
    <para>toegelicht ter terechtzitting van de Raad, heeft de BPR voor het ten</para>
    <para>aanzien van klager toepassing geven aan artikel 42, eerste lid, oud, van de</para>
    <para>Wet met het oog op artikel 2, tweede lid, van de Wet doorslaggevend</para>
    <para>gevonden dat eerst na de toekenningsbeslissing van</para>
    <para>13 augustus 1975 aan hem bekend geworden gegevens aanwijzen dat klager in</para>
    <para>het kamp Kaufbeuren/Riederloh een functie heeft vervuld en dat klager zijn</para>
    <para>mogelijkheden om in dat kamp voorgevallen mishandelingen van Joodse</para>
    <para>gevangenen te voorkomen, niet heeft aangewend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat de Stichting 1940-1945</para>
    <para>de verklaring als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet d.d. 3</para>
    <para>maart 1975 ten aanzien van klager heeft afgegeven zonder te beschikken over</para>
    <para>het resultaat van een inhoudelijk onderzoek ter zake van het onderdeel van</para>
    <para>de waardigheid in verband met artikel 2, tweede lid, van de Wet. Een</para>
    <para>zodanig onderzoek was wel</para>
    <para>ingesteld. In oktober 1974 was vanwege het distriktskantoor van de</para>
    <para>Stichting 1940-1945 te Arnhem aan het Ministerie van Justitie verzocht na</para>
    <para>te gaan of klager daar als politiek betrouwbaar, wat betreft de jaren</para>
    <para>1940-1945, bekend staat. In een brief van 19 november 1974 heeft een</para>
    <para>rapporteur van de stichting aan dat kantoor verslag gedaan van zijn</para>
    <para>bevindingen van het inzage nemen van het bij genoemd ministerie voorhanden</para>
    <para>zijnde PRA-dossier over klager. De aldus aan het distriktskantoor te Arnhem</para>
    <para>beschikbaar gestelde gegevens zijn niet aan het hoofdkantoor van de</para>
    <para>Stichting 1940-1945 medegedeeld en de centrale hoofdbestuurscommissie van</para>
    <para>de stichting heeft zonder inhoudelijke informatie inzake het element van de</para>
    <para>waardigheid ten aanzien van klager de verklaring van 3 maart 1975</para>
    <para>afgegeven. Deze gang van zaken bij de Stichting 1940-1945 is onbegrijpelijk</para>
    <para>en niet aanvaardbaar, doch kan de BPR niet worden aangewreven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de Raad regardeert de BPR in casu wel dat hij bij het</para>
    <para>nemen van de toekenningsbeslissing d.d. 13 augustus 1975 voetstoots de</para>
    <para>verklaring van de Stichting 1940-1945 d.d. 3 maart 1975 wat betreft artikel</para>
    <para>2, tweede lid, van de Wet heeft gevolgd en geen stappen heeft ondernomen om</para>
    <para>in het bezit te komen van inhoudelijke informatie betreffende het voor de</para>
    <para>toepassing van de Wet essentiële element van de waardigheid. Dit had bij</para>
    <para>een normaal zorgvuldige  behandeling van klagers aanvraag zonder meer op de</para>
    <para>weg van de BPR gelegen nu in het hem door de Stichting 1940-1945</para>
    <para>aangereikte verzetsdossier ten name van klager geen enkel inhoudelijk</para>
    <para>gegeven betreffende de waardigheid van klager aanwezig was en met name</para>
    <para>moest blijken dat niet - wat, onbekend, vanwege het distriktskantoor van de</para>
    <para>Stichting 1940-1945 te Arnhem (als vermeld) wel was gebeurd - aan het</para>
    <para>Ministerie van Justitie naar gegevens inzake de waardigheid van klager</para>
    <para>was gevraagd. Het standpunt van de BPR in de herzieningsbeslissing, hierop</para>
    <para>neerkomende dat hij er op grond van de in 1975 verkregen gegevens van de</para>
    <para>Stichting 1940-1945 van mocht uitgaan dat een volledige overdracht van alle</para>
    <para>ter beschikking staande stukken en alle benodigde informatie had</para>
    <para>plaatsgevonden, miskent dat het uiteindelijk de taak van de BPR is om in</para>
    <para>een concreet geval te beslissen of artikel 2, tweede lid, van de Wet aan</para>
    <para>het toekennen van buitengewoon pensioen in de weg staat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Indien de BPR de toekenningsbeslissing van 13 augustus 1975 op het vlak van</para>
    <para>artikel 2, tweede lid, van de Wet wel met normale zorgvuldigheid had</para>
    <para>voorbereid, dan had hij aanstonds uit het verkregen PRA-dossier over</para>
    <para>klager, in het bijzonder gegeven het zich daarin bevindende</para>
    <para>proces-verbaal van aanhouding en inbewaringstelling op naam van klager d.d.</para>
    <para>1 juni 1945 van het Veiligheidsdetachement te Zevenaar, geleerd dat klager</para>
    <para>"in het kamp Dachau een baantje heeft gehad en volgens eigen verklaring</para>
    <para>Joden heeft geslagen", terwijl voorts was aangetekend dat klager in</para>
    <para>Kaufbeuren lageroudste was geweest over 600 Joden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De zojuist vermelde gegevens acht de Raad, lettende op hetgeen hij over de</para>
    <para>kwaliteit van de voorbereiding van de toekenningbeslissing d.d. 13 augustus</para>
    <para>1975 heeft overwogen, niet gegevens te zijn, waarvan gezegd kan worden dat</para>
    <para>zij aan de BPR ten tijde van het nemen van die beslissing niet bekend zijn</para>
    <para>geweest, bedoeld in artikel 42, eerste lid, oud, van de Wet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dit betekent dat als substraat van de herzieningsbeslissing niet kan worden</para>
    <para>aangemerkt het gegeven dat klager als gevangene in het kamp</para>
    <para>Kaufbeuren/Riederloh "een" functie heeft vervuld. Het andere in die</para>
    <para>beslissing gehanteerde gegeven, dat klager zijn mogelijkheden om de in dat</para>
    <para>kamp voorgevallen mishandelingen van Joodse gevangenen te voorkomen, niet</para>
    <para>heeft aangewend, acht de Raad niet een zelfstandig gegeven maar een</para>
    <para>derivatief aspekt van het in 1945 gestelde feit, dat klager Joden heeft</para>
    <para>geslagen; dat laatste overigens heeft de BPR in de herzieningsbeslissing</para>
    <para>niet tevens in aanmerking genomen, hetgeen naar 's Raads oordeel gegeven</para>
    <para>het genoemde vonnis van de rechtbank te Maastricht niet anders dan juist</para>
    <para>is. Ook het gestelde inzake de aan klager toegedachte mogelijkheden kan</para>
    <para>derhalve niet als een substraat van de herzieningsbeslissing in</para>
    <para>aanmerking genomen worden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de slotsom, dat de essentiële</para>
    <para>gegevens inzake de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Wet, welke</para>
    <para>de BPR aan de herzieningsbeslissing ten grondslag heeft gelegd, geen</para>
    <para>gegevens zijn als in artikel 42, eerste lid, oud, van de Wet bedoeld.</para>
    <para>Derhalve is die beslissing in strijd met de Wet genomen en kan zij daarom -</para>
    <para>evenals de bestreden beslissing - niet in stand gelaten worden. De in</para>
    <para>geding zijnde - hiervoren omschreven - vraag beantwoordt de Raad</para>
    <para>bevestigend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad overweegt ten overvloede nog dat, zou hij hebben geoordeeld dat het</para>
    <para>gestelde omtrent de aan klager toegedachte mogelijkheden om zijn Joodse</para>
    <para>medegevangenen te helpen, wel een zelfstandig gegeven is in de zin van</para>
    <para>artikel 42, eerste lid, oud, van de Wet, dan zijn slotsom was geweest dat</para>
    <para>de herzieningsbeslissing op dat stuk een draagkrachtige motivering mist. De</para>
    <para>BPR heeft bij de herzieningsbeslissing het standpunt ingenomen dat klager</para>
    <para>in het kamp Kaufbeuren/Riederloh "een" functie heeft vervuld. Hij heeft</para>
    <para>derhalve niet aangegeven om wélke functie het gaat. De Raad kan dit niet</para>
    <para>voor onjuist houden omdat ook hij aan de beschikbare gegevens, waarvan</para>
    <para>inzonderheid gegevens d.dis. 1 en 6 oktober 1944 van het</para>
    <para>Konzentrationslager Dachau, Arbeitseinsatz, niet met de in dezen vereiste</para>
    <para>zekerheid kan ontlenen welke functie klager heeft vervuld. Het brengt wel</para>
    <para>mee dat het gestelde inzake de mogelijkheden als voormeld niet ingekleurd</para>
    <para>kan worden en door de BPR bij de herzieningsbeslissing ook niet</para>
    <para>ingekleurd is. Langs deze weg zou de Raad tot het oordeel zijn gekomen</para>
    <para>dat de herzieningsbeslissing (en de bestreden beslissing) op een essentieel</para>
    <para>onderdeel strijden met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat</para>
    <para>inhoudt dat een beslissing moet kunnen worden gedragen door de daaraan</para>
    <para>gegeven motivering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad beslist als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>Vernietigt de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende</para>
    <para>beslissing van 6 juli 1984.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door Mr. J.G. Treffers als voorzitter en Mr. R.C. Schoemaker</para>
    <para>en Mr. G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman als</para>
    <para>griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 1992 door voornoemde</para>
    <para>voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) M.W. Hulsman.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>