<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2024:772</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-25T14:51:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/805</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0044808&amp;g=2022-10-19">Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:772">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:772</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-25T14:51:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2024:772 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 10-10-2024 / 23/805</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2024:772:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak TVL. Omzet bepaald aan de hand van aangifte omzetbelasting. Minister terecht geconcludeerd geen 30% omzetverlies. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2024:772:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>proces-verbaal uitspraak </para>
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="044d0238-0f45-4763-ae2c-aa74ba81bbe5" depth="1" width="568" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="493c5a9e-8058-4940-91dc-5da237fcf6b7" depth="1" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
  </para>
  <section>
    <title>COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 23/805</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Rechter: mr. W.J.A.M. van Brussel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Griffier: mr. A. Verhoeven</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 1] , </emphasis>handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 3]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Economische Zaken</emphasis>, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu en mr. H.G. Wammes</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister tot betaling aan de onderneming van een vergoeding voor immateriële schade van € 857,14;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat tot betaling aan de onderneming van een vergoeding voor immateriële schade van € 142,86;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van de stichting voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 218,75;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat in de proceskosten van de stichting voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 218,75.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <para>2. Deze zaak draait om de vaststelling van de omzet van de onderneming. Die heeft de minister vastgesteld aan de hand van de aangifte omzetbelasting. De onderneming is het hier niet mee eens. Zij vindt dat een creditfactuur niet mag worden meegerekend bij het bepalen van de omzet van de subsidieperiode.</para>
    <para />
    <para>3. De onderneming doet aangifte voor de omzetbelasting over haar omzet. De TVL biedt, zoals het College al vaker heeft geoordeeld, dan voor de vaststelling van de omzet in de subsidieperiode geen grondslag om af te wijken van de omzet zoals volgt uit de aangifte omzetbelasting. Het College oordeelt daarom dat de minister de omzet op de juiste manier heeft bepaald, door te kijken naar de aangifte omzetbelasting van de onderneming over Q2 van 2021. </para>
    <para />
    <para>4. Dit betekent dat met de omzetcijfers uit de aangifte omzetbelasting van de onderneming in de hand, de minister terecht heeft geconcludeerd dat het omzetverlies minder is dan het vereiste minimum van 30%. De onderneming komt daardoor niet in aanmerking voor een subsidie. </para>
    <para />
    <para>5. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Enkel het opvragen van de administratie van de onderneming houdt niet een toezegging in dat de minister zal uitgaan van de omzetcijfers uit deze administratie. </para>
    <para />
    <para>6. De minister heeft de TVL-subsidie terecht vastgesteld op nihil. Het beroep is ongegrond en de minister hoeft in de beroepszaak geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>7. De onderneming heeft een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en verzocht om schadevergoeding. In een procedure als deze geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De minister heeft het bezwaarschrift op 21 maart 2022 ontvangen. Het College stelt vast dat op het moment van deze uitspraak de termijn van twee jaar met ongeveer 7 maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding geven om de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. De onderneming heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding. De overschrijding is voor 6/7 toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor 1/7 aan de rechterlijke fase. Het College veroordeelt daarom de minister en de Staat tot betaling van schadevergoeding.</para>
    <para />
    <para>8. De onderneming krijgt een proceskostenvergoeding voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze bedraagt <?linebreak?>€ 437,50, voor de helft door de Staat en voor de helft door de minister te betalen. De reiskosten van de gemachtigde komen niet voor vergoeding in aanmerking. De familierelatie tussen de ondernemer en de gemachtigde staat er niet aan in de weg dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. W.J.A.M. van Brussel	de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>