<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2024:588</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-03T13:24:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1461</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:54&amp;g=2013-01-01">Algemene wet bestuursrecht 8:54</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:588">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:588</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-21T16:25:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2024:588 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 03-09-2024 / 22/1461</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2024:588:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak o.g.v. art. 8:55 Awb: Het College verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2024:588:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="45212791-04e7-4dc7-a353-54f5bed6652a" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="7ec406a9-28c7-44bf-8401-9391a2f4a65d" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 22/1461</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024 op het verzet van</bridgehead>
    <para>
      <emphasis role="bold">Stichting [naam 1]</emphasis>, te [woonplaats] (de stichting)</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stichting heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 21 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting was op 17 juli 2024. Namens de stichting hebben [naam 2] , voorzitter, en [naam 3] , penningmeester, aan de zitting deelgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Met de uitspraak van 21 februari 2023 heeft het College het beroep van de stichting tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 8 juni 2022 ongegrond verklaard. Met dat besluit heeft de minister het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 23 juni 2021 tot vaststelling van de eerder verleende subsidie op nihil, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. </para>
    <para />
    <para>2 Vaststaat dat het besluit van 23 juni 2021 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 4 augustus 2021. Het op 21 september 2021 ingediende bezwaarschrift is daarom te laat. Eveneens staat vast dat de minister op de dag van de bekendmaking een notificatie e-mail heeft verzonden aan het juiste, door de stichting (al) bij haar aanvraag om verlening van de subsidie opgegeven, e-mailadres en dat de stichting deze ook heeft ontvangen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In het bezwaarschrift is als reden voor de te late indiening vermeld dat de stichting op 17 juni 2021 naar aanleiding van een verzoek om aanvullende informatie van diezelfde dag telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de minister en dat deze de stichting nog zou berichten. Helaas is dat niet gedaan en is op 23 juni 2021 het besluit tot vaststelling van de subsidie gevolgd. Daarna is nog regelmatig in de digitale omgeving gekeken en daarin stond steeds dat er recht was op een bedrag.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Op de zitting heeft de voorzitter van de stichting verklaard dat hij op 23 juni 2021 kort na elkaar twee notificatie e-mails heeft ontvangen. De eerste was een bevestiging dat de minister de op 17 juni 2021 gevraagde aanvullende informatie had ontvangen en verwerkt. De tweede had, zoals pas later duidelijk werd, betrekking op het besluit van 23 juni 2021. Die tweede notificatie e-mail heeft de voorzitter toen niet geopend omdat hij er gelet op de inhoud van de eerste notificatie e-mail van uitging “dat het wel goed zat”. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>In het besluit op bezwaar is vermeld, en de stichting heeft dat niet weersproken, dat er op de dag van de notificatie e-mails, 23 juni 2021, nog telefonisch contact is geweest tussen de stichting en een medewerker van de minister. Daarin is gevraagd op welke manieren bezwaar kon worden gemaakt tegen de definitieve vaststelling van de subsidie en de medewerker heeft daar uitleg over gegeven.</para>
      <para />
      <para>4 In het geheel van deze omstandigheden, gevoegd bij het gegeven dat de stichting geen verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat zij het bezwaarschrift heeft ingediend op </para>
      <para>21 september 2021 en niet eerder, ziet het College onvoldoende grond om te oordelen dat de termijnoverschrijding niet aan de stichting kan worden toegerekend in de zin van de uitspraak van het College van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). </para>
      <para />
      <para>5 De conclusie is dat de uitspraak van 21 februari 2023 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de stichting niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.</para>
      <para />
      <para>6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans en </para>
      <para>mr. M. Schoneveld, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. T.G.M. Simons		w.g. E.A. van der Meel</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>