<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CBB:2024:422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T19:30:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/College_van_Beroep_voor_het_bedrijfsleven" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">College van Beroep voor het bedrijfsleven</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/2589</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0044808&amp;g=2022-10-19">Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2024062502</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2024-1471</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:422">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:422</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-20T08:27:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CBB:2024:422 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 25-06-2024 / 22/2589</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CBB:2024:422:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>TVL Q3 2021. Beroep gegrond wegens strijd met 2.4.3, vijfde lid, van de TVL. 1/3 en 2/3 methodiek past binnen de TVL.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CBB:2024:422:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ddac2b13-29cf-41b9-bafe-a70389a79ecc" depth="1" width="568" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e66202d0-b2bb-4a17-9b26-eb5f567df11d" depth="1" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <bridgehead role="bold">COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 22/2589</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen <?linebreak?></bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , te [plaats] (ondernemer)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H.A.J. Kalsbeek)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Economische Zaken en Klimaat </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. M. Achalhi en mr. S.F. Hu)</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 1 juli 2022 heeft de minister de subsidie voor de periode juli tot en met september (Q3) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 17.863,54 teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 27 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting was op 28 maart 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de ondernemer, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigden van de minister. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De ondernemer heeft op 8 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor TVL-subsidie voor Q3 van 2021. Met het besluit van 3 november 2021 heeft de minister aan de ondernemer subsidie verleend en een voorschot toegekend. Nadat de ondernemer heeft verzocht om vaststelling van de subsidie heeft de minister met het besluit van 1 juli 2022 de verleende subsidie op nihil vastgesteld. Met het bestreden besluit heeft de minister het besluit van 1 juli 2022 gehandhaafd. De ondernemer is het hiermee niet eens. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wettelijk kader </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>2 Artikel 2.4.3, vijfde lid, van de TVL bepaalt dat als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de ondernemer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De ondernemer voert aan dat de minister uitgaat van een onjuiste omzet over de referentieperiode en de subsidieperiode. De ondernemer heeft een gebroken boekjaar van 1 mei tot en met 30 april en daarom kan niet worden aangesloten bij de kalenderkwartalen. De ondernemer heeft zijn eigen aangifte omzetbelasting voor 1/3 en 2/3 toegerekend aan de kalenderkwartalen. De RVO heeft zelf bevestigd dat de 1/3 en 2/3 methodiek mag worden toegepast binnen de TVL. De ondernemer vindt dan ook dat de TVL hiervoor ruimte biedt. Bovendien is dit bij vorige aanvragen ook zo gedaan. Hierdoor is bij de ondernemer de verwachting gewekt dat het omzetverlies ook voor Q3 van 2021 op deze wijze zou worden berekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het bestreden besluit is volgens de ondernemer ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, omdat in het besluit van 1 juli 2022 wel rekening is gehouden met een 1/3 en 2/3 toerekening aan de kalenderkwartalen. Ook zijn er verschillende andere ondernemingen waarbij een 1/3 en 2/3 toerekening aan de kalenderkwartalen wel is gehonoreerd. De ondernemer verzoekt om in zijn geval de subsidie ook op deze wijze vast te stellen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van de minister </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de subsidie voor Q3 van 2021 terecht op nihil heeft vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De 1/3 en 2/3 methodiek is volgens de minister niet in lijn met de TVL. De aangifte omzetbelasting van de ondernemer ziet namelijk niet op een kalenderkwartaal omdat sprake is van een gebroken boekjaar. Daarom wordt de omzet berekend aan de hand van de eigen administratie van de ondernemer zoals bedoeld in artikel 2.4.3, vijfde lid, tweede volzin, van de TVL. De omzet in de referentieperiode (Q3 van 2019) bedraagt € 29.174,- en de omzet in de subsidieperiode € 37.686,-. Dit betekent dat het omzetverlies minder is dan 30%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens de minister niet slagen. De toezegging die is gedaan, is namelijk niet gedaan door een medewerker van de TVL-afdeling. Daarnaast is de mededeling onvoldoende concreet en niet specifiek voor deze aanvraag. De vorige gemachtigde van de ondernemer heeft een groot aantal aanvragen gedaan en over de meeste aanvragen is in mei 2022 door een medewerker van de TVL-afdeling aangegeven dat de 1/3 en 2/3 methodiek niet meer is toegestaan. Hierdoor wist de vorige gemachtigde, of behoorde hij te weten, dat een eerder gedane mededeling mogelijk onjuist was en dat daaraan geen vertrouwen kon worden ontleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens de minister niet. In de door de ondernemer genoemde gevallen is een fout gemaakt. De minister is niet verplicht om een gemaakte fout te herhalen door ook in het geval van de ondernemer een onjuist besluit te nemen.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling door het College</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het College overweegt als volgt over de vraag of de 1/3 en 2/3 methodiek past binnen de TVL. Niet in geschil is dat de ondernemer zijn gehele omzet opgeeft in de aangifte omzetbelasting. Deze aangifte ziet niet op een kalenderkwartaal omdat sprake is van een gebroken boekjaar. De ondernemer doet de aangifte over al zijn omzet daarom in gebroken boekjaarkwartalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Voor eerdere aanvragen heeft de minister de 1/3 en 2/3 methodiek ook toegepast, maar voor dit kwartaal niet omdat deze werkwijze volgens de minister niet in lijn is met de TVL. In de uitspraak van 21 mei 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:343) heeft het College echter geoordeeld dat het standpunt van de minister dat de 1/3 en 2/3 methodiek niet past binnen de TVL, onjuist is. Het College heeft daarbij overwogen dat de referentie- en de subsidieomzet op eenvoudige wijze aan de hand van de aangiften omzetbelasting kunnen worden bepaald en dat deze omzetbepaling, ook al is dit in gebroken boekjaarkwartalen, past binnen de TVL.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Gelet hierop is het beroep gegrond wegens strijd met artikel 2.4.3, vijfde lid, van de TVL. Aan de overige beroepsgronden komt het College daarom niet toe.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Het beroep is gegrond. Het College ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat het College niet over alle benodigde gegevens beschikt om de hoogte van de subsidie te berekenen. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn stellen van acht weken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>Het College zal de minister veroordelen in de door de ondernemer gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.750,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 875,- en wegingsfactor 1).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het College:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;</para>
    <para>- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de ondernemer te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.750,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. H. van den Heuvel	w.g. F. Willems</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>